Op.stap · oorspronkelijke discipline
Wetenschap en techniek
Organismen
Classificatie van organismen
- 3.1.GJK.1 jongste kleuter (G)De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot organismen: de planten.
- 3.1.GJK.2 jongste kleuter (G)De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot organismen: de dieren.
- 3.1.GK2.1 2de kleuter (G)De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot organismen: de zoogdieren.
- 3.1.GK2.2 2de kleuter (G)De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot organismen: de vogels.
- 3.1.GK2.3 2de kleuter (G)De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot organismen: de vissen.
- 3.1.GK3.1 3de kleuter (G)De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot organismen: de insecten.
- 3.1.GK3.2 3de kleuter (G)De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot organismen: de spinnen.
- 3.1.GK3.3 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot organismen: de fauna, de flora.
- 3.1.GL3.1 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot de classificatie van organismen: de schimmels.
- 3.1.GL3.2 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot de classificatie van organismen: de spinachtigen.
- 3.1.GL4.1 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de classificatie van organismen: de gewervelde dieren, de ongewervelde dieren, de gewervelden, de ongewervelden.
- 3.1.GL4.2 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot de classificatie van organismen: de amfibieën.
- 3.1.GL5.1 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de classificatie van organismen: de reptielen, de geleedpotigen.
- 3.1.GL5.2 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de zaadplanten.
- 3.1.GL6.1 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot de classificatie van organismen: de sporenplanten.
- 3.1.GL6.2 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de bacteriën.
- 3.1.GL6.3 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de classificatie van organismen: het classificeren, de taxonomie.
- 3.1.PF1.1 Fase 1 (P)De leerling bouwt vertrouwdheid op met zintuiglijke prikkels uit de natuur in het hier en nu.
- 3.1.PF2.1 Fase 2 (P)De leerling verkent zintuiglijke prikkels uit de natuur.
- 3.1.PF2.2 Fase 2 (P)De leerling herkent vertrouwde elementen uit de natuur.
- 3.1.PF3.1 Fase 3 (P)De leerling kan met ondersteuning taal koppelen aan voorbeelden van dieren, planten en mensen.
- 3.1.PF3.2 Fase 3 (P)De leerling kan met ondersteuning voorbeelden onderbrengen bij de categorie dieren, planten of mensen.
- 3.1.GK2.4 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen planten beschrijven op basis van waarneembare kenmerken.
- 3.1.GK2.5 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen zoogdieren beschrijven op basis van waarneembare kenmerken.
- 3.1.GK2.6 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen zoogdieren beschrijven op basis van voortplantingswijze.
- 3.1.GK2.7 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen vogels beschrijven op basis van waarneembare kenmerken.
- 3.1.GK2.8 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen vogels beschrijven op basis van voortplantingswijze.
- 3.1.GK2.9 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen vissen beschrijven op basis van waarneembare kenmerken.
- 3.1.GK2.10 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen vissen beschrijven op basis van voortplantingswijze.
- 3.1.GK3.4 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen insecten beschrijven op basis van waarneembare kenmerken.
- 3.1.GK3.5 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen spinnen beschrijven op basis van waarneembare kenmerken.
- 3.1.GK3.6 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen organismen beschrijven op basis van waarneembare kenmerken.
- 3.1.GK3.7 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
- 3.1.GL1.1 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen planten beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL1.2 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen zoogdieren beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL1.3 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen vissen beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL1.4 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de zoogdieren, de vissen; de flora
- 3.1.GL2.1 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen vogels beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL2.2 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de zoogdieren, de vogels, de vissen; de flora.
- 3.1.GL3.3 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen schimmels beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL3.4 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen schimmels beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
- 3.1.GL3.5 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen spinachtigen beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL3.6 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen spinachtigen beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
- 3.1.GL3.7 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen insecten beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL3.8 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen insecten beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
- 3.1.GL3.9 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de zoogdieren, de vogels, de vissen, de insecten, de spinachtigen; de flora; de schimmels.
- 3.1.GL4.3 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen amfibieën beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL4.4 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen amfibieën beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
- 3.1.GL4.5 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen flora beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL4.6 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen flora beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
- 3.1.GL4.7 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de insecten, de spinachtigen; de flora; de schimmels.
- 3.1.GL5.3 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen reptielen beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL5.4 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen reptielen beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
- 3.1.GL5.5 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen, vissen, insecten, spinachtigen en andere ongewervelden beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.
- 3.1.GL5.6 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL5.7 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van voortplantingswijze: geslachtelijke voortplanting.
- 3.1.GL5.8 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.
- 3.1.GL5.9 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen, de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten; de schimmels.
- 3.1.GL6.4 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL6.5 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
- 3.1.GL6.6 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.
- 3.1.GL6.7 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van voortplantingswijze: ongeslachtelijke voortplanting.
- 3.1.GL6.8 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen bacteriën beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL6.9 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen bacteriën beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
- 3.1.GL6.10 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen bacteriën beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.
- 3.1.GL6.11 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen organismen classificeren op basis van kenmerken: bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.
- 3.1.GL6.12 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen: de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten, de sporenplanten; de schimmels; de bacteriën.
- 3.1.+K3.1 3de kleuter (+)De leerling kan organismen sorteren uit zijn/haar omgeving als fauna of flora.
Ontwikkeling en voortplanting van organismen
- 3.1.GK2.11 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: geboren worden en groeien.
- 3.1.GK2.12 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de geboorte, het zogen, het jong, de volwassene.
- 3.1.GK2.13 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: het ei, uitkomen, het kuiken, het volwassen dier.
- 3.1.GK3.8 3de kleuter (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: kiemen.
- 3.1.GK3.9 3de kleuter (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: sterven.
- 3.1.GL3.10 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de metamorfose.
- 3.1.GL3.11 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: het ei, de larve, de pop, het imago.
- 3.1.GL4.8 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de levenscyclus.
- 3.1.GL4.9 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: het volwassen dier.
- 3.1.GL5.10 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de voortplanting, de geslachtelijke voortplanting.
- 3.1.GL5.11 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de bestuiving, de bevruchting.
- 3.1.GL6.13 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de ongeslachtelijke voortplanting.
- 3.1.GJK.3 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen groei en ontwikkeling van organismen waarnemen.
- 3.1.GK2.14 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen beschrijven aan de hand van voorbeelden hoe mensen en dieren groeien en ontwikkelen.
- 3.1.GK2.15 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen beschrijven aan de hand van voorbeelden hoe planten groeien en ontwikkelen.
- 3.1.GK3.10 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de fasen van de levenscyclus van de plant: kieming, groei, voortplanting, dood.
- 3.1.GK3.11 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de fasen van de levenscyclus van het dier: geboorte, groei, voortplanting, dood.
- 3.1.GK3.12 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de fasen van de levenscyclus van de mens: geboorte, groei, voortplanting, dood.
- 3.1.GL1.5 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de levenscyclus van zoogdieren.
- 3.1.GL2.3 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de levenscyclus van vogels.
- 3.1.GL3.12 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de levenscyclus van insecten.
- 3.1.GL4.10 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de levenscyclus van amfibieën.
- 3.1.GL4.11 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de fasen van lichamelijke groei en ontwikkeling bij de mens.
- 3.1.GL4.12 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen verschillen en overeenkomsten beschrijven bij de voortplanting van fauna.
- 3.1.GL5.12 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen het belang van insecten bij de bestuiving van zaadplanten.
- 3.1.GL5.13 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen het proces van geslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
- 3.1.GL5.14 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de levenscyclus van reptielen.
- 3.1.GL6.14 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het proces van ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
- 3.1.GL6.15 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het proces van geslachtelijke voortplanting bij sporenplanten.
- 3.1.GL6.16 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen onderscheid maken tussen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
- 3.1.GL6.17 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen redenen waarom organismen zichzelf voortplanten.
Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop
Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving
- 3.2.GL1.1 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: het sorteren.
- 3.2.GL2.1 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: het recycleren.
- 3.2.GL3.1 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de voedselketen.
- 3.2.GL4.1 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de biotoop, de voedselkringloop, de voedselpiramide.
- 3.2.GL4.2 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de producenten, de consumenten, de reducenten.
- 3.2.GL4.3 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de preventie, het hergebruik, de recyclage, het verbranden en het storten.
- 3.2.GL5.1 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: het voedselweb.
- 3.2.GL6.1 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de biodiversiteit.
- 3.2.GL6.2 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: het grasland, het bos, de heide, de zee en de kust, het stadslandschap, het agrarisch landschap, het zoet water, het ecosysteem.
- 3.2.GJK.1 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen veelvoorkomende organismen in hun omgeving herkennen.
- 3.2.GK2.1 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen veelvoorkomende organismen in hun omgeving benoemen.
- 3.2.GK2.2 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen voorbeelden geven waar sommige dieren voedsel zoeken of vangen.
- 3.2.GK3.1 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen veelvoorkomende organismen in hun omgeving benoemen.
- 3.2.GL1.2 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren minimaal twee van de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, landbouwlandschap, zoet water.
- 3.2.GL1.3 1ste leerjaar (G)De leerlingen weten dat organismen leven in een omgeving met andere organismen en daar afhankelijk van zijn.
- 3.2.GL2.2 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren minimaal drie van de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, landbouwlandschap, zoet water.
- 3.2.GL3.2 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren minimaal vier van de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, landbouwlandschap, zoet water.
- 3.2.GL4.4 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren minimaal vijf van de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, landbouwlandschap, zoet water.
- 3.2.GL4.5 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorbeelden geven van relaties tussen organismen onderling en hun omgeving.
- 3.2.GL5.2 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
- 3.2.GL5.3 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een voedselketen opbouwen binnen de gekende biotopen.
- 3.2.GL5.4 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen verwoorden waarom organismen elkaar en hun omgeving nodig hebben om te overleven.
- 3.2.GL6.3 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
- 3.2.GL6.4 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen diensten die het ecosysteem levert aan de mens.
- 3.2.GL6.5 6de leerjaar (G)De leerlingen weten dat mensen een positieve en negatieve impact kunnen hebben op het ecosysteem.
- 3.2.GL6.6 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen verwoorden dat omgevingen kunnen veranderen door natuurlijke of menselijke oorzaken.
- 3.2.GL6.7 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen verwoorden aan de hand van voorbeelden waarom biodiversiteit essentieel is voor het leven op aarde.
- 3.2.GJK.2 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen benoemen wat ze eten.
- 3.2.GK2.3 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen benoemen wat mensen eten.
- 3.2.GK2.4 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen benoemen wat dieren eten.
- 3.2.GK3.2 3de kleuter (G)De leerlingen kennen het principe van eten en gegeten worden.
- 3.2.GL3.3 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen een voedselketen bestaande uit drie organismen.
- 3.2.GL3.4 3de leerjaar (G)De leerlingen weten dat een voedselketen start bij flora.
- 3.2.GL4.6 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de rol van organismen in de voedselkringloop: producenten, consumenten, reducenten.
- 3.2.GL4.7 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de voedselpiramide beschrijven door aan te tonen hoe dieren zich voeden met dieren en/of planten.
- 3.2.GL5.5 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voedselketens opnoemen.
- 3.2.GL5.6 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voedselketens interpreteren.
- 3.2.GL5.7 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de opbouw van een voedselweb.
- 3.2.GJK.3 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning afval sorteren in functionele situaties.
- 3.2.GK2.5 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen deze categorieën van afval herkennen: restafval, PMD, papier en karton, groenafval.
- 3.2.GK2.6 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning afval sorteren in deze categorieën: restafval, PMD, papier en karton, groenafval.
- 3.2.GK3.3 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning afval sorteren in deze categorieën: restafval, PMD, papier en karton, groenafval.
- 3.2.GL1.4 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen deze categorieën: restafval, PMD, papier en karton, groenafval.
- 3.2.GL1.5 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen afval sorteren in deze categorieën: restafval, PMD, papier en karton, groenafval.
- 3.2.GL1.6 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen verwoorden aan de hand van voorbeelden waarom het belangrijk is om afval te sorteren.
- 3.2.GL2.3 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen toepassingen benoemen van gerecycleerd afval.
- 3.2.GL2.4 2de leerjaar (G)De leerlingen weten dat afval in de natuur schadelijk kan zijn voor planten, dieren en mensen.
- 3.2.GL4.8 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de betekenis van de stappen binnen de ladder van Lansink: preventie, hergebruik, sorteren, recycleren, verbranden, storten.
- 3.2.GL4.9 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen beschrijven waarom afval sorteren, recycleren en hergebruiken belangrijk is voor een duurzame samenleving.
Bouw van organismen
- 3.2.GK2.7 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de wortel, de stengel, het blad, de bloem.
- 3.2.GK2.8 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de kop, de romp, de poten, de staart, de hoef, de klauw, de tanden.
- 3.2.GK2.9 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de bek, de vleugels, de veren.
- 3.2.GK2.10 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de vinnen, de schubben.
- 3.2.GK3.4 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de kop, het borststuk, het achterlijf, aantal poten.
- 3.2.GK3.5 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: het kopborststuk, het achterlijf, aantal poten.
- 3.2.GL1.7 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de wervelkolom.
- 3.2.GL1.8 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de stam, de vrucht, het zaad.
- 3.2.GL2.5 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de paddenstoel, de hoed, de steel, de sporen.
- 3.2.GL3.5 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de schimmeldraden, de buisjes, de plaatjes, de zwamvlok, de ring, het vruchtlichaam.
- 3.2.GL3.6 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de antennes, de facetogen, het segment.
- 3.2.GL4.10 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: koudbloedig, warmbloedig.
- 3.2.GL4.11 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: het transport.
- 3.2.GL5.8 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de meeldraden, het vruchtbeginsel.
- 3.2.GL5.9 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de schubben.
- 3.2.GL6.8 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de stek, de bol, de knol, de wortelstok, de uitloper.
- 3.2.GL6.9 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de cel.
- 3.2.GL6.10 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de erfelijke eigenschappen.
- 3.2.GL6.11 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de evolutie, de soort, de aanpassing.
- 3.2.GL3.7 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de paddenstoel als vruchtlichaam van een schimmel.
- 3.2.GL4.12 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de functie van de verschillende delen van een plant: wortel, stengel, stam, bladeren, bloemen, vruchten, zaad.
- 3.2.GL4.13 4de leerjaar (G)De leerlingen weten dat stoffen worden getransporteerd binnen dieren en planten.
- 3.2.GL4.14 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen gelijkenissen en verschillen benoemen tussen ouders en nakomelingen bij mens en dier.
- 3.2.GL5.10 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de functie van de verschillende delen van een bloem: kelkbladeren, kroonbladeren, stamper, vruchtbeginsel, meeldraden.
- 3.2.GL5.11 5de leerjaar (G)De leerlingen weten dat organismen opgebouwd zijn uit verschillende delen die elk een functie hebben en vaak samenwerken om het organisme te laten leven.
- 3.2.GL6.12 6de leerjaar (G)De leerlingen weten dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
- 3.2.GL6.13 6de leerjaar (G)De leerlingen weten dat nakomelingen erfelijke eigenschappen van hun ouders meekrijgen.
- 3.2.GL6.14 6de leerjaar (G)De leerlingen weten dat nakomelingen in de regel verschillend van, en niet identiek aan hun ouders zijn.
- 3.2.GL6.15 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het concept van evolutie.
- 3.2.GL6.16 6de leerjaar (G)De leerlingen weten dat soorten in de loop der tijd kunnen veranderen en dat sommige uitgestorven zijn.
- 3.2.GL6.17 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorbeelden geven van aanpassingen van organismen.
Energiebronnen en voedingsstoffen
- 3.2.GL4.20 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de voedingsmiddelen, de bouwstof, de brandstof, de beschermende stof.
- 3.2.GL5.15 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
- 3.2.GL6.21 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas.
- 3.2.GJK.4 jongste kleuter (G)De leerlingen kennen verschillende voedingsmiddelen.
- 3.2.GJK.5 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen aangeven dat je moet eten wanneer je honger hebt en drinken wanneer je dorst hebt.
- 3.2.GK2.15 2de kleuter (G)De leerlingen kennen verschillende voedingsmiddelen.
- 3.2.GK2.16 2de kleuter (G)De leerlingen weten dat mensen eten en drinken om te groeien.
- 3.2.GK3.8 3de kleuter (G)De leerlingen kennen verschillende voedingsmiddelen.
- 3.2.GK3.9 3de kleuter (G)De leerlingen weten dat mensen en dieren eten en drinken om te groeien en te bewegen.
- 3.2.GL1.10 1ste leerjaar (G)De leerlingen weten dat mensen, dieren en planten voedsel nodig hebben om te kunnen leven en groeien.
- 3.2.GL1.11 1ste leerjaar (G)De leerlingen weten dat voedsel energie geeft om te bewegen en te groeien.
- 3.2.GL1.12 1ste leerjaar (G)De leerlingen weten dat voedsel dient om de lichaamstemperatuur op peil te houden.
- 3.2.GL1.13 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen verschillende voedingsmiddelen.
- 3.2.GL1.14 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen voedingsmiddelen indelen in gezond en ongezond.
- 3.2.GL2.7 2de leerjaar (G)De leerlingen weten dat voedingsmiddelen uit planten en dieren komen.
- 3.2.GL2.8 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voedingsmiddelen indelen volgens de structuur van de voedingsdriehoek.
- 3.2.GL3.10 3de leerjaar (G)De leerlingen weten dat planten hun voedsel in de bladeren maken met behulp van zonlicht.
- 3.2.GL3.11 3de leerjaar (G)De leerlingen weten dat schimmels hun energie uit organisch materiaal halen.
- 3.2.GL3.12 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden het verschil beschrijven tussen de groei van planten en schimmels op basis van hun energiebron.
- 3.2.GL4.15 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de functies van voedsel: bouwstof, brandstof, beschermende stof.
- 3.2.GL4.16 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen het belang van gevarieerde voeding toelichten in functie van bouwstof, brandstof en beschermende stof.
- 3.2.GL4.17 4de leerjaar (G)De leerlingen weten dat planten groeien wanneer ze zonlicht, water en warmte krijgen.
- 3.2.GL4.18 4de leerjaar (G)De leerlingen weten dat planten voedingsstoffen uit de bodem nodig hebben om te groeien.
- 3.2.GL4.19 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen onderzoeken dat planten groeien wanneer ze zonlicht, water en warmte krijgen.
- 3.2.GL5.12 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de verschillende voedingsstoffen en hun functie: suikers, eiwitten, vetten, water, mineralen, vitaminen, vezels.
- 3.2.GL5.13 5de leerjaar (G)De leerlingen weten dat voedingsstoffen in het lichaam worden afgebroken en via het bloed worden opgenomen om te dienen als bouwstof, brandstof of beschermende stof.
- 3.2.GL5.14 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe het lichaam energie gebruikt voor beweging, groei en warmte.
- 3.2.GL6.18 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het principe van fotosynthese.
- 3.2.GL6.19 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de zon als primaire energiebron.
- 3.2.GL6.20 6de leerjaar (G)De leerlingen weten dat bijna elke voedselketen start onder invloed van de energie van de zon.
- 3.2.+L6.1 6de leerjaar (+)De leerling weet dat fotosynthese bij de plant en ademhaling bij mens en dier tegengestelde processen zijn.
- 3.2.+L6.2 6de leerjaar (+)De leerling kan aan de hand van een voedselpiramide beschrijven dat energie telkens gedeeltelijk verloren gaat als warmte.
Menselijk lichaam
Fysieke functies van de mens
- 3.3.GJK.1 jongste kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de armen, de benen, de handen, de vingers, de voeten, de tenen, de buik, de rug, de schouders.
- 3.3.GJK.2 jongste kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: het hoofd, de ogen, de oren, de neus, de mond, het haar.
- 3.3.GK2.1 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de tanden, de tong, proeven, de honger, de dorst, de maag.
- 3.3.GK2.2 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de huid, voelen.
- 3.3.GK2.3 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: zien, horen, ruiken.
- 3.3.GK3.1 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de spieren, bewegen, de botten, steunen.
- 3.3.GK3.2 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de longen, ademen, het hart, de hartslag.
- 3.3.GL1.1 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de melktanden, het gebit, het speeksel.
- 3.3.GL2.1 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de slokdarm.
- 3.3.GL3.1 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de steun, de gewrichten.
- 3.3.GL4.1 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de spijsvertering, het volwassen gebit, de lever, de darmen, de anus.
- 3.3.GL5.1 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de zenuwen.
- 3.3.GL5.2 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen.
- 3.3.GL6.1 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis, het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de baarmoeder, de vagina.
- 3.3.GL6.2 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
- 3.3.PF2.1 Fase 2 (P)De leerling verkent speels en begeleid lichaamsgebonden woordenschat.
- 3.3.PF3.1 Fase 3 (P)De leerling kan passend reageren op opdrachten met lichaamsbegrippen zoals hoofd, oog, oor, neus, mond, arm, been, voet en hand.
- 3.3.PF3.2 Fase 3 (P)De leerling kan met ondersteuning taal koppelen aan de delen van zijn/haar lichaam.
- 3.3.GJK.3 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden en benoemen: de armen, de benen, de handen, de vingers, de voeten, de tenen, de buik, de rug, de schouders, het hoofd, de ogen, de oren, de neus, de mond, het haar.
- 3.3.GK2.4 2de kleuter (G)De leerlingen kennen lichaamsdelen en hun functie: de mond en de maag.
- 3.3.GK2.5 2de kleuter (G)De leerlingen kennen het lichaamsdeel en haar functie: de huid.
- 3.3.GK2.6 2de kleuter (G)De leerlingen kennen lichaamsdelen en hun functie: de ogen, de oren, de neus.
- 3.3.GK2.7 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden en benoemen: de tanden, de tong, de huid, de plaats van de maag.
- 3.3.GK3.3 3de kleuter (G)De leerlingen kennen lichaamsdelen en hun functie: de spieren, de botten.
- 3.3.GK3.4 3de kleuter (G)De leerlingen kennen lichaamsdelen en hun functie: de longen, het hart.
- 3.3.GK3.5 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden en benoemen: de spieren, de botten, de longen, het hart.
- 3.3.GL1.2 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de rol van de mond, de tong en de tanden bij de fysieke functie: de spijsvertering.
- 3.3.GL2.2 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de rol van de slokdarm en de maag bij de fysieke functie: de spijsvertering.
- 3.3.GL2.3 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de rol van de tong bij proeven.
- 3.3.GL3.2 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen fysieke functies van de mens en de bijbehorende weefsels en organen met hun functie: beweging.
- 3.3.GL3.3 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen fysieke functies van de mens en de bijbehorende weefsels en organen met hun functie: steun (skelet).
- 3.3.GL3.4 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de betrokken lichaamsdelen, weefsels en organen van de beweging op het eigen lichaam aanduiden en benoemen.
- 3.3.GL3.5 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de betrokken lichaamsdelen, weefsels en organen van de steun op het eigen lichaam aanduiden en benoemen.
- 3.3.GL4.2 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen fysieke functies van de mens en de bijbehorende weefsels en organen met hun functie: spijsvertering.
- 3.3.GL4.3 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de betrokken lichaamsdelen, weefsels en organen van de spijsvertering op het eigen lichaam aanduiden en benoemen.
- 3.3.GL5.3 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen fysieke functies van de mens, en de bijbehorende weefsels en organen met hun functie: waarneming.
- 3.3.GL5.4 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de betrokken lichaamsdelen, weefsels en organen van de waarneming schematisch weergeven.
- 3.3.GL5.5 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen fysieke functies van de mens, en de bijbehorende weefsels en organen met hun functie: ademhaling.
- 3.3.GL5.6 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de betrokken lichaamsdelen, weefsels en organen van de ademhaling schematisch weergeven.
- 3.3.GL6.3 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen fysieke functies van de mens, en de bijbehorende weefsels en organen met hun functie: voortplanting.
- 3.3.GL6.4 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de betrokken lichaamsdelen, weefsels en organen van de voortplanting schematisch weergeven.
- 3.3.GL6.5 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen fysieke functies van de mens, en de bijbehorende weefsels en organen met hun functie: bloedsomloop.
- 3.3.GL6.6 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de betrokken lichaamsdelen, weefsels en organen van de bloedsomloop schematisch weergeven.
Materie
Eigenschappen van materie
- 3.4.GL3.3 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: vaste stof, vloeistoffen en gas.
- 3.4.GL4.2 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de materie, natuurlijk, synthetisch.
- 3.4.GL4.3 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: omkeerbare reactie, niet-omkeerbare reactie.
- 3.4.GL5.2 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de deeltjes.
- 3.4.GL5.3 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de zuivere stof, de verbinding.
- 3.4.GL6.3 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de massadichtheid.
- 3.4.PF2.1 Fase 2 (P)De leerling herkent vormen van materie via zintuiglijke verkenning.
- 3.4.PF3.1 Fase 3 (P)De leerling kan met ondersteuning taal koppelen aan materie zoals steen, stof, hout, papier en de tactiele ervaring zoals glad, hard, zacht.
- 3.4.PF3.2 Fase 3 (P)De leerling legt met ondersteuning verbanden tussen verschillende vormen van materie die tot dezelfde categorie (papier, glas, hout, stof) behoren.
- 3.4.GJK.1 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen veelvoorkomende vormen van materie in hun omgeving herkennen.
- 3.4.GJK.2 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen eigenschappen van materie benoemen op basis van zintuiglijke waarneming.
- 3.4.GK2.1 2de kleuter (G)De leerlingen kennen veelvoorkomende vormen van materie in hun omgeving.
- 3.4.GK2.2 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen materie kiezen in functie van het gebruiksdoel.
- 3.4.GK2.3 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen materie sorteren op basis van een waarneembare eigenschap.
- 3.4.GK3.1 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen van gekende voorwerpen benoemen uit welke materie ze gemaakt zijn.
- 3.4.GK3.2 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen materie sorteren op basis van waarneembare eigenschappen.
- 3.4.GL1.1 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen: de hardheid.
- 3.4.GL1.2 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen: de breekbaarheid.
- 3.4.GL2.1 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen: de waterdichtheid.
- 3.4.GL3.1 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorbeelden geven van vaste stoffen, vloeistoffen en gassen.
- 3.4.GL3.2 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen: de thermische geleidbaarheid.
- 3.4.GL4.1 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen: de oplosbaarheid.
- 3.4.GL5.1 5de leerjaar (G)De leerlingen weten dat alle materie uit deeltjes bestaat.
- 3.4.GL6.1 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de massa-volume-relatie tussen voorwerpen met verschillende massadichtheden onderzoeken.
- 3.4.GL6.2 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen.
- 3.4.+L6.1 6de leerjaar (+)De leerling kan materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen: smelttemperatuur.
- 3.4.+L6.2 6de leerjaar (+)De leerling kan materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen: elektrische geleidbaarheid.
- 3.4.+L6.3 6de leerjaar (+)De leerling kan materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen: lichtdoorlaatbaarheid.
Natuurkundige verschijnselen
Verandering van aggregatietoestand
- 3.5.GL3.1 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de aggregatietoestand, vast, vloeibaar, gasvormig, smelten, stollen, verdampen, condenseren, het smeltpunt, het kookpunt.
- 3.5.GL3.2 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen aggregatietoestanden: de faseovergangen.
- 3.5.GL3.3 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aggregatietoestanden van water benoemen: ijs, water en waterdamp.
- 3.5.GL3.4 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen aggregatietoestanden: de relatie tussen temperatuur en faseovergangen.
- 3.5.+L3.1 3de leerjaar (+)De leerling weet dat elke stof als vaste stof, vloeistof of gasvormig kan voorkomen, meestal onder invloed van de temperatuur.
- 3.5.+L5.1 5de leerjaar (+)De leerling kan faseovergangen van stoffen beschrijven aan de hand van het deeltjesmodel.
Energie en warmte
- 3.5.GL1.1 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de temperatuur.
- 3.5.GL1.2 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de energie.
- 3.5.GL3.5 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de thermische energie.
- 3.5.GL3.6 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de energie-omzetting.
- 3.5.GL6.1 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de energieomzetting.
- 3.5.GL1.3 1ste leerjaar (G)De leerlingen weten dat de zon zowel licht als warmte geeft.
- 3.5.GL1.4 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen energie en energievormen: bewegingsenergie.
- 3.5.GL1.5 1ste leerjaar (G)De leerlingen weten dat energie iets kan laten bewegen, licht geven of warm maken.
- 3.5.GL3.7 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen energie en energievormen: thermische energie.
- 3.5.GL3.8 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen toepassingen van thermische energie.
- 3.5.GL3.9 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorbeelden geven van energie-omzetting.
- 3.5.GL6.2 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen energie: kernenergie.
- 3.5.GL6.3 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen energie: elektrische energie.
- 3.5.GL6.4 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen energie: chemische energie.
- 3.5.GL6.15 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen natuurkundige verschijnselen onderzoeken met behulp van de onderzoekscyclus.
- 3.5.+L5.2 5de leerjaar (+)De leerling kan materie vergelijken op basis van thermisch geleidings- en isolatievermogen.
Licht
- 3.5.GJK.1 jongste kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurkundige verschijnselen: de zon, licht, donker.
- 3.5.GK2.1 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurkundige verschijnselen: het licht, de lamp, de schaduw, de spiegel.
- 3.5.GL5.1 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: reflecteren, absorberen, doorlaten.
- 3.5.GJK.2 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen licht en donker onderscheiden en benoemen.
- 3.5.GJK.3 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen lichtbronnen aanduiden.
- 3.5.GK2.2 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen voorbeelden geven van lichtbronnen.
- 3.5.GK2.3 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen verkennen hoe een schaduw wordt gevormd.
- 3.5.GK3.1 3de kleuter (G)De leerlingen kennen licht: de lichtbron.
- 3.5.GK3.2 3de kleuter (G)De leerlingen kennen licht: de reflectie.
- 3.5.GK3.3 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen ontdekken dat sommige voorwerpen licht beter weerkaatsen dan andere.
- 3.5.GL1.6 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen het onderscheid tussen natuurlijk licht en kunstlicht.
- 3.5.GL1.7 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen licht: rechtlijnige beweging.
- 3.5.GL3.10 3de leerjaar (G)De leerlingen weten dat schaduwen ontstaan door de rechtlijnige beweging van licht.
- 3.5.GL3.11 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een schaduw groter of kleiner maken door de positie van de lichtbron of het voorwerp te variëren.
- 3.5.GL3.12 3de leerjaar (G)De leerlingen weten dat licht kan terugkaatsen op zeer gladde, spiegelende oppervlakken.
- 3.5.GL3.13 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met spiegels de richting van een lichtstraal veranderen.
- 3.5.GL5.2 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen licht: reflecteren, absorberen en doorlaten van licht.
- 3.5.GL5.10 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning natuurkundige verschijnselen onderzoeken met behulp van de onderzoekscyclus.
- 3.5.+L5.3 5de leerjaar (+)De leerling kan onderzoeken dat wit licht uiteenvalt in kleuren.
Geluid
- 3.5.GK2.4 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: luid, stil.
- 3.5.GK3.4 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: hoog, laag.
- 3.5.GL2.1 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de geluidsbron, de luidspreker.
- 3.5.GL4.1 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de trilling.
- 3.5.GL4.2 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de toonhoogte.
- 3.5.GK2.5 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen geluiden als hard (luid) of zacht (stil) onderscheiden en benoemen.
- 3.5.GK2.6 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen geluiden als hoog of laag onderscheiden.
- 3.5.GK3.5 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen geluiden als hoog of laag onderscheiden en benoemen.
- 3.5.GK3.12 3de kleuter (G)De leerlingen kennen geluid: hard, zacht.
- 3.5.GL2.2 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorbeelden geven van geluidsbronnen.
- 3.5.GL2.3 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen geluid: geluidssterkte.
- 3.5.GL4.3 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen geluid: ontstaan van geluid: trilling.
- 3.5.GL4.4 4de leerjaar (G)De leerlingen weten dat geluid ontstaat door trillingen die zich voortplanten in lucht, vloeistoffen en vaste stoffen.
- 3.5.GL4.5 4de leerjaar (G)De leerlingen weten dat sommige soorten materie geluid beter doorgeven dan andere.
- 3.5.GL4.6 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen geluid: toonhoogte of frequentie.
- 3.5.GL5.3 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen geluid: de relatie tussen geluidssterkte en afstand tot de geluidsbron.
- 3.5.GL5.4 5de leerjaar (G)De leerlingen weten dat geluid verzwakt bij obstakels.
- 3.5.GL5.11 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning natuurkundige verschijnselen onderzoeken met behulp van de onderzoekscyclus.
- 3.5.+K3.1 3de kleuter (+)De leerling kan geluidssterktes ordenen met eenvoudige visuele schalen.
- 3.5.+L5.4 5de leerjaar (+)De leerling kan beschrijven dat een echo ontstaat wanneer geluid wordt weerkaatst door een groot en hard oppervlak.
Kracht en beweging
- 3.5.GL2.5 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de kracht, de snelheid.
- 3.5.GL2.6 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de beweging, versnellen, vertragen.
- 3.5.GL4.10 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de massa.
- 3.5.GL4.11 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de plaats, de weerstand, de richting.
- 3.5.GL5.9 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: het gewicht, de druk, de weerstand.
- 3.5.GL2.4 2de leerjaar (G)De leerlingen weten dat duw- of trekkrachten bewegingsverandering kunnen veroorzaken.
- 3.5.GL4.7 4de leerjaar (G)De leerlingen weten dat voorwerpen kunnen vallen onder invloed van de zwaartekracht.
- 3.5.GL4.8 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen kracht en beweging: de relatie tussen kracht en de verandering van de beweging bij een bepaalde massa.
- 3.5.GL4.9 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen kracht en beweging: de relatie tussen massa en de verandering van de beweging bij een bepaalde kracht.
- 3.5.GL5.5 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen kracht en beweging: het onderscheid tussen gewicht en massa.
- 3.5.GL5.6 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen kracht en beweging: gewicht als kracht en massa als maat voor de hoeveelheid materie van een bepaalde stof.
- 3.5.GL5.7 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen kracht en beweging: effecten van krachten: verandering van bewegingstoestand.
- 3.5.GL5.8 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning natuurkundige verschijnselen onderzoeken met behulp van de onderzoekscyclus.
- 3.5.+L4.1 4de leerjaar (+)De leerling kan onderzoeken hoe eigenschappen van materie beïnvloeden of iets drijft of zinkt.
- 3.5.+L4.2 4de leerjaar (+)De leerling kan aantonen dat water een voorwerp omhoog duwt en zo mee bepaalt of het drijft of zinkt.
- 3.5.+L5.5 5de leerjaar (+)De leerling kan onderzoeken hoe verschillende vloeistoffen (water, olie, zoutwater) drijven en zinken beïnvloeden.
Elektriciteit
- 3.5.GK3.8 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurkundige verschijnselen: het stopcontact, de batterij.
- 3.5.GL2.10 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de schakelaar, de stroom.
- 3.5.GL4.15 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de elektrische schakeling, de stroomkring.
- 3.5.GL4.16 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de energiebron, de verbruiker.
- 3.5.GL6.12 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de geleider, de isolator.
- 3.5.GL6.13 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de spanning, de stroomsterkte.
- 3.5.GJK.4 jongste kleuter (G)De leerlingen weten dat sommige toestellen elektriciteit nodig hebben om te werken.
- 3.5.GK2.7 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen verschillende elektrische onderdelen herkennen.
- 3.5.GK3.6 3de kleuter (G)De leerlingen weten dat elektriciteit moet kunnen doorgaan van bron naar toestel.
- 3.5.GK3.7 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen voorbeelden geven van toestellen die werken op batterijen.
- 3.5.GL2.7 2de leerjaar (G)De leerlingen weten dat een eenvoudige stroomkring gesloten moet zijn om te werken.
- 3.5.GL2.8 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een eenvoudige stroomkring bouwen.
- 3.5.GL2.9 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen het juiste type batterij koppelen aan een toestel.
- 3.5.GL4.12 4de leerjaar (G)De leerlingen weten dat een eenvoudige elektrische schakeling bestaat uit onderdelen die correct verbonden zijn.
- 3.5.GL4.13 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de onderdelen van een elektrische schakeling aanduiden: de energiebron, de lamp, de schakelaar, de verbruiker.
- 3.5.GL4.14 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de onderdelen van een elektrische schakeling verbinden tot een werkende stroomkring.
- 3.5.GL6.7 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen elektrische verschijnselen: elektrische schakeling, stroomkring.
- 3.5.GL6.5 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen elektrische verschijnselen: geleiders, isolatoren.
- 3.5.GL6.8 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen elektrische verschijnselen: symbolen bij het voorstellen van een eenvoudige schakeling: energiebron, verbruiker, geleider, schakelaar.
- 3.5.GL6.9 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de onderdelen van een elektrische schakeling benoemen.
- 3.5.GL6.10 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen fouten in een eenvoudige elektrische schakeling opsporen en corrigeren.
- 3.5.GL6.11 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorbeelden geven van toestellen waarbij elektrische energie wordt omgezet in licht, warmte, beweging of geluid.
- 3.5.GL6.16 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen natuurkundige verschijnselen onderzoeken met behulp van de onderzoekscyclus.
- 3.5.+L6.1 6de leerjaar (+)De leerling weet dat statische elektriciteit kan ontstaan door wrijving tussen materialen.
- 3.5.+L6.2 6de leerjaar (+)De leerling kan onderzoeken dat voorwerpen elkaar kunnen aantrekken of afstoten onder invloed van statische elektriciteit.
- 3.5.+L6.3 6de leerjaar (+)De leerling kan onderzoeken welke materialen gemakkelijk elektrisch geladen worden door wrijving.
Magnetisme
- 3.5.GK2.8 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurkundige verschijnselen: de magneet, magnetisch.
- 3.5.GK3.9 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurkundige verschijnselen: aantrekken, afstoten.
- 3.5.GL1.8 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de noordpool, de zuidpool, de magnetische polen, het kompas.
- 3.5.GL3.14 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: het magnetisme, de magnetische kracht.
- 3.5.GL3.15 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: het magnetisch veld.
- 3.5.GK3.10 3de kleuter (G)De leerlingen kennen magnetisme: eigenschappen van magneten: aantrekken, afstoten.
- 3.5.GK3.11 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen magnetische en niet-magnetische materialen onderscheiden.
- 3.5.GL1.9 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorbeelden geven van magnetische materialen.
- 3.5.GL1.10 1ste leerjaar (G)De leerlingen weten dat magneten een noordpool en een zuidpool hebben.
- 3.5.GL1.11 1ste leerjaar (G)De leerlingen weten dat een kompasnaald in één richting wijst.
- 3.5.GL3.16 3de leerjaar (G)De leerlingen weten dat tegenovergestelde polen elkaar aantrekken en gelijke polen elkaar afstoten.
- 3.5.GL3.17 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen magnetisme: - polen, noordpool, zuidpool, magnetische kracht; - aarde als magneet.
- 3.5.GL3.18 3de leerjaar (G)De leerlingen weten dat de aarde een magnetisch veld heeft.
- 3.5.GL3.19 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met een magneet en een kompas aantonen dat een magneet een kracht uitoefent op afstand door de richting van de kompasnaald te laten veranderen.
- 3.5.GL6.14 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen natuurkundige verschijnselen onderzoeken met behulp van de onderzoekscyclus.
- 3.5.+L5.6 5de leerjaar (+)De leerling kent toepassingen van magnetisme in het dagelijks leven.
Systematische en methodische benadering van wetenschappelijke en technologische problemen
Onderzoekende houding
- 3.7.GL2.2 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: het onderzoek.
- 3.7.GL3.7 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de onderzoeksvraag, de conclusie.
- 3.7.GL4.4 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de hypothese.
- 3.7.GL4.5 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: eerlijk onderzoeken.
- 3.7.GL5.3 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de onderzoekscyclus, verkennen, onderzoek opzetten, onderzoek uitvoeren, concluderen, presenteren.
- 3.7.PF3.1 Fase 3 (P)De leerling kan voorwerpen combineren door ze te stapelen, te koppelen of in elkaar te plaatsen om een constructie te vormen.
- 3.7.PF3.2 Fase 3 (P)De leerling kan het verband leggen tussen de losse elementen en het geheel.
- 3.7.PF3.3 Fase 3 (P)De leerling ontdekt dat materie verandert als het wordt gemanipuleerd.
- 3.7.GJK.1 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen met minstens één zintuig een organisme, een voorwerp, materie, een technisch systeem of natuurkundig verschijnsel verkennen.
- 3.7.GJK.2 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen benoemen wat ze zien, ruiken, horen of voelen tijdens een activiteit.
- 3.7.GJK.3 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen eenvoudige vragen stellen over wat ze zien of beleven.
- 3.7.GK2.1 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen voorspellen wat er zal gebeuren in een concrete situatie.
- 3.7.GK2.2 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen gericht waarnemen tijdens een onderzoek.
- 3.7.GK3.1 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de relatie tussen oorzaak en gevolg.
- 3.7.GK3.2 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen observaties beschrijven.
- 3.7.GK3.3 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen eenvoudige conclusies beschrijven.
- 3.7.GK3.4 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen aangeleerde woordenschat inzetten om te redeneren over een wetenschappelijke vraag.
- 3.7.GL1.1 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen vragen formuleren bij een verschijnsel.
- 3.7.GL1.2 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen gericht waarnemen tijdens een onderzoek.
- 3.7.GL2.1 2de leerjaar (G)De leerlingen weten dat je met een onderzoeksvraag en een voorspelling een onderzoek kunt starten.
- 3.7.GL3.1 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen deze stappen van een onderzoek: de onderzoeksvraag, de voorspelling, de test, de conclusie.
- 3.7.GL3.2 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een eenvoudig onderzoek plannen en uitvoeren.
- 3.7.GL4.1 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het concept van onderzoeksvraag en hypothese.
- 3.7.GL4.2 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een voorafgaand opgezet eerlijk onderzoek uitvoeren.
- 3.7.GL4.3 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen systematisch waarnemingen noteren.
- 3.7.GL4.8 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen conclusies trekken.
- 3.7.GL5.1 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de onderzoekscyclus als een gestructureerde aanpak met de volgende fasen: verkennen, onderzoek opzetten, onderzoek uitvoeren, concluderen, presenteren.
- 3.7.GL5.2 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning een onderzoek opzetten met behulp van de onderzoekscyclus.
- 3.7.GL6.1 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een onderzoek opzetten met behulp van de onderzoekscyclus.
- 3.7.GL6.2 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de volgende basisprincipes van eerlijk onderzoek toepassen: gecontroleerde omstandigheden, reproduceerbaarheid.
- 3.7.SF4.1 Fase 4 (S)De leerling begrijpt dat materie verandert als het wordt gemanipuleerd.
Ontwerpend leren
- 3.7.GL3.6 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de ontwerpvraag.
- 3.7.GL5.7 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: verkennen, ideeën verzinnen en selecteren, het ontwerp plannen, het ontwerp realiseren, testen.
- 3.7.GL6.6 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: ontwerpen, optimaliseren, de ontwerpcyclus, optimaliseren en presenteren.
- 3.7.GJK.4 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen ontdekken dat er soms iets ontbreekt of niet goed werkt in hun spel of hun omgeving.
- 3.7.GK2.3 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen beschrijven wat ze willen maken.
- 3.7.GK2.4 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning een oplossing voor een probleem bedenken.
- 3.7.GK3.5 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen beschrijven waarvoor hun ontwerp dient.
- 3.7.GK3.6 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen een oplossing voor een probleem bedenken.
- 3.7.GK3.7 3de kleuter (G)De leerlingen weten dat voorwerpen en materialen een functie hebben en ontworpen zijn om een probleem op te lossen.
- 3.7.GL1.3 1ste leerjaar (G)De leerlingen weten dat technische systemen ontstaan vanuit een behoefte of om een probleem op te lossen.
- 3.7.GL1.4 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning een ontwerp schetsen.
- 3.7.GL1.5 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning een ontwerp realiseren.
- 3.7.GL2.3 2de leerjaar (G)De leerlingen weten dat ontwerpen een proces is dat start bij een behoefte of een vraag.
- 3.7.GL2.4 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen criteria voor een ontwerp benoemen.
- 3.7.GL2.5 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een ontwerp schetsen.
- 3.7.GL2.6 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen materialen kiezen in functie van ontwerpcriteria.
- 3.7.GL2.7 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning een ontwerp realiseren.
- 3.7.GL3.3 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen deze stappen in een eenvoudig ontwerpproces: probleem herkennen, idee bedenken, materiaal kiezen, realiseren, testen.
- 3.7.GL3.4 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een ontwerp realiseren.
- 3.7.GL3.5 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen reflecteren op hun ontwerp en suggesties doen voor verbetering.
- 3.7.GL4.6 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen ontwerpen als een manier om aan een behoefte te voldoen.
- 3.7.GL4.7 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met concreet materiaal en gegeven criteria een ontwerp bedenken en realiseren om aan een behoefte te voldoen.
- 3.7.GL5.4 5de leerjaar (G)De leerlingen weten dat een ontwerp tot stand komt via fasen.
- 3.7.GL5.5 5de leerjaar (G)De leerlingen weten dat elk van de fasen: verkennen, ideeën verzinnen en selecteren, het ontwerp plannen, het ontwerp realiseren, testen een eigen functie heeft.
- 3.7.GL5.6 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning ontwerpen met behulp van de ontwerpcyclus.
- 3.7.GL6.3 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de ontwerpcyclus als een gestructureerde aanpak met de volgende fasen: verkennen, ideeën verzinnen en selecteren, ontwerp plannen, ontwerp realiseren, testen en optimaliseren, presenteren.
- 3.7.GL6.4 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het belang van het formuleren van criteria om aan een behoefte te voldoen.
- 3.7.GL6.5 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen ontwerpen met behulp van de ontwerpcyclus.
Technologie
Hoe mens, wetenschap en technologie elkaar beïnvloeden
- 3.6.GL3.2 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de uitvinding.
- 3.6.GL5.3 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de wetenschap, de technologie.
- 3.6.GL6.5 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de wisselwerking, de technologische ontwikkeling, de wetenschappelijke ontdekking, de innovatie.
- 3.6.GL6.6 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de duurzaamheid, de ecologische voetafdruk, de ethiek.
- 3.6.GK3.1 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven wanneer technische systemen helpen of niet helpen.
- 3.6.GL1.1 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe een technisch systeem hun handelen beïnvloedt.
- 3.6.GL2.1 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven welke gevolgen het gebruik of ontbreken van een technisch systeem heeft.
- 3.6.GL3.1 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven dat techniek voordelen en nadelen heeft.
- 3.6.GL4.1 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe ontwerpkeuzes in technische systemen afgestemd zijn op gebruikerswensen en beperkingen.
- 3.6.GL5.1 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe technische systemen voordelen en nadelen hebben voor mens en milieu.
- 3.6.GL5.2 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven dat voedselkeuze invloed heeft op mens en milieu.
- 3.6.GL6.1 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen uitdrukken dat gevolgen van wetenschappen en technologie op zichzelf, anderen, het milieu en de maatschappij, zowel op korte als op lange termijn, positief, negatief of onzeker kunnen zijn.
- 3.6.GL6.2 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorbeelden geven van gevolgen van klimaatverandering voor mens, natuur en technologie.
- 3.6.GL6.3 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe technologie kan helpen klimaatverandering te verminderen.
- 3.6.GL6.4 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe technologie kan helpen om vervuiling te voorkomen of te verminderen.
Technische systemen hanteren
- 3.6.GL2.8 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: monteren, demonteren.
- 3.6.GL5.6 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: herstellen, onderhouden, vervangen.
- 3.6.PF3.1 Fase 3 (P)De leerling verkent met ondersteuning hoe een materiaal of object werkt.
- 3.6.GJK.1 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen eenvoudige technische systemen verkennen door te kijken, te voelen en uit te proberen hoe ze werken.
- 3.6.GJK.2 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen eenvoudige technische handelingen uitvoeren: duwen, trekken, draaien, schuiven, knijpen, tillen en losmaken.
- 3.6.GJK.3 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen met ondersteuning leeftijdsadequate technische systemen correct en veilig gebruiken.
- 3.6.GK2.2 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen leeftijdsadequate technische systemen correct en veilig gebruiken.
- 3.6.GK3.2 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen leeftijdsadequate technische systemen correct en veilig gebruiken.
- 3.6.GK3.4 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven wat er gebeurt wanneer ze een onderdeel van een technisch systeem manipuleren.
- 3.6.GL1.7 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen minstens dit basisgereedschap voor montage en demontage: de schroevendraaier, de hamer.
- 3.6.GL1.2 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen technische systemen functioneel gebruiken door een passende handeling uit te voeren en te benoemen: duwen, trekken, schuiven, indraaien of vastdraaien, uitdraaien of losdraaien.
- 3.6.GL1.8 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen een stappenplan volgen.
- 3.6.GL2.2 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen minstens dit basisgereedschap voor montage en demontage: de klauwhamer, de nijptang, de boor, de handboor, de rolmeter, het lijmpistool, de (lijm)klem.
- 3.6.GL2.3 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen eenvoudige technische systemen monteren met eenvoudige verbindingen zoals lijmen, tapen, knopen, vastklemmen of schroeven.
- 3.6.GL2.4 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen eenvoudige technische systemen demonteren door verbindingen los te maken zoals een schroef losdraaien, een knoop losmaken, klittenband openen of onderdelen uit elkaar halen.
- 3.6.GL2.5 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen onderdelen herkennen op basis van vorm of functie zoals een schroef, een bout, een moer, een wiel, een as, een scharnier, een handvat of een knop.
- 3.6.GL2.12 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een stappenplan volgen.
- 3.6.GL3.3 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen minstens dit basisgereedschap voor montage en demontage: de platte bektang, de zijkniptang, de ronde bektang.
- 3.6.GL3.4 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen technische systemen monteren aan de hand van een stappenplan en daarbij geschikt gereedschap en geschikte verbindingen gebruiken.
- 3.6.GL3.5 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen technische systemen demonteren aan de hand van een stappenplan en daarbij het geschikte gereedschap gebruiken.
- 3.6.GL3.6 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen vaststellen waarom een technisch systeem (deels) niet werkt en mogelijke oplossingen uittesten.
- 3.6.GL3.9 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een stappenplan volgen.
- 3.6.GL4.2 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen minstens dit basisgereedschap voor montage en demontage: de waterpas, de ringsleutel, de steeksleutel, het schuurblok, de handzaag, de zaagbeugel.
- 3.6.GL4.12 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen basisgereedschap voor montage en demontage.
- 3.6.GL4.3 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen technische systemen monteren aan de hand van een stappenplan en daarbij geschikt gereedschap, geschikte materialen en geschikte verbindingen kiezen en gebruiken.
- 3.6.GL4.4 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen technische systemen demonteren aan de hand van een stappenplan en daarbij passende gereedschappen gebruiken om onderdelen, verbindingen en herbruikbare materialen te scheiden.
- 3.6.GL4.5 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen basisvaardigheden toepassen bij het monteren en demonteren van technische systemen.
- 3.6.GL4.6 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de werking van een technisch systeem beschrijven aan de hand van onderdelen, materialen en verbindingen.
- 3.6.GL4.11 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een stappenplan volgen.
- 3.6.GL5.4 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen minstens dit basisgereedschap voor basisonderhoud en herstellingen: de bandenwipper, de inbussleutel, de dopsleutel, de boormachine, de bankschroef, de accumachine.
- 3.6.GL5.5 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen basisonderhoud en kleine herstellingen uitvoeren.
- 3.6.GL6.7 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen minstens dit basisgereedschap voor basisonderhoud en herstellingen: de draadstripper, de striptang, de universele tang, de soldeerbout.
- 3.6.GL6.15 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen basisgereedschap voor basisonderhoud en herstellingen.
- 3.6.GL6.8 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het belang van het onderhouden en herstellen van technische systemen.
- 3.6.GL6.9 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen basisonderhoud en kleine herstellingen uitvoeren.
- 3.6.GJK.4 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen materialen stapelen tot een eenvoudige constructie.
- 3.6.GJK.5 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen ervaren dat sommige stapelingen blijven staan en andere omvallen.
- 3.6.GK2.3 2de kleuter (G)De leerlingen weten dat een constructie uit verschillende onderdelen bestaat die met elkaar verbonden zijn.
- 3.6.GK2.4 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen eenvoudige constructieprincipes toepassen.
- 3.6.GK2.5 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen eenvoudige verbindingen uitvoeren.
- 3.6.GK2.6 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen constructies maken die steviger zijn door materialen anders te stapelen of te verbinden.
- 3.6.GK3.5 3de kleuter (G)De leerlingen weten dat verbindingen vast of los kunnen zijn.
- 3.6.GK3.6 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen eenvoudige constructieprincipes toepassen voor een stabiel en stevig product.
- 3.6.GK3.7 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen vaststellen of een verbinding beweging toelaat of niet.
- 3.6.GL1.3 1ste leerjaar (G)De leerlingen weten dat verbindingen onderdelen samenhouden of beweging mogelijk maken binnen een constructie.
- 3.6.GL1.4 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen minstens deze eenvoudige verbindingen correct gebruiken: lijmen, tapen, vastknopen en klemmen.
- 3.6.GL2.6 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen veelvoorkomende verbindingen: lijmverbindingen, tapeverbindingen, knoopverbindingen, schroefverbindingen, bout-moerverbindingen, klittenband en scharnieren.
- 3.6.GL2.7 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen onderdelen demonteren om het type verbinding te herkennen: lijm, tape, knoop, schroef, bout en moer, klittenband of scharnier.
- 3.6.GL3.7 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen verbindingen aanpassen om een constructie te verbeteren.
- 3.6.GL6.10 6de leerjaar (G)De leerlingen weten dat verbindingen verschillen in sterkte, duurzaamheid en onderhoud.
Technische systemen beschrijven
- 3.6.GL4.9 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrip: de onderdelen.
- 3.6.GL5.10 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de hefboom, de katrol.
- 3.6.GL6.14 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: het tandwiel, de riem, de ketting, het technische systeem, de vormgeving, het design.
- 3.6.GL1.5 1ste leerjaar (G)De leerlingen weten dat technische systemen bestaan uit onderdelen met een specifieke functie en dat deze onderdelen samen een systeem vormen.
- 3.6.GL1.6 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen beschrijven hoe een technisch systeem werkt.
- 3.6.GL2.9 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen verschillende soorten materialen en hun toepassing in technische systemen.
- 3.6.GL2.10 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven waarom bepaalde materialen gebruikt worden voor een onderdeel van een technisch systeem.
- 3.6.GL2.11 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aan de hand van voorbeelden beschrijven hoe onderdelen verbonden worden op een manier die de stevigheid of werking van een technisch systeem beïnvloedt.
- 3.6.GL3.8 3de leerjaar (G)De leerlingen weten hoe onderdelen samenwerken in een technisch systeem.
- 3.6.GL4.7 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de werking van een technisch systeem beschrijven aan de hand van onderdelen, materialen en verbindingen.
- 3.6.GL4.8 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen verwoorden hoe vormgeving en design een rol spelen bij het gebruik van technische systemen.
- 3.6.GL5.7 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen belangrijke mechanische overbrengingen: hefbomen.
- 3.6.GL5.8 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen belangrijke mechanische overbrengingen: katrollen.
- 3.6.GL5.9 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen nagaan waarom een technisch systeem goed of slecht werkt.
- 3.6.GL6.11 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen belangrijke mechanische overbrengingen: tandwielen, riemen en kettingen.
- 3.6.GL6.12 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de werking van technische systemen op basis van kennis over natuurkundige verschijnselen.
- 3.6.GL6.13 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de werking, de bouw en de materiaalkeuze van technische systemen analyseren en beschrijven.
- 3.6.GL4.10 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen verwoorden waarom ze een bepaalde verbinding kiezen.
- 3.6.GL5.11 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen verbindingen kiezen in functie van criteria.
- 3.6.GL5.12 5de leerjaar (G)De leerlingen weten dat constructies sterker worden door doordachte verbindingen.
- 3.6.+L6.1 6de leerjaar (+)De leerling kan constructies analyseren op bouw, verbindingen en materiaalkeuze.