Op.stap-doel · 6de leerjaar (G)
3.2.GL6.17
De leerlingen kunnen voorbeelden geven van aanpassingen van organismen.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen leren dat organismen kenmerken kunnen hebben die hen helpen om te overleven in hun omgeving. Zo’n kenmerk noemen we een aanpassing. Een aanpassing kan te maken hebben met bescherming, voedsel zoeken, water vasthouden, bewegen, ademen, voortplanten of zich verbergen voor vijanden. De nadruk ligt erop dat leerlingen voorbeelden kunnen geven en daarbij eenvoudig kunnen verwoorden waarom die aanpassing nuttig is in een bepaalde leefomgeving.
Dit doel sluit aan bij het concept van evolutie en bij de begrippen soort en aanpassing. Leerlingen leren dat organismen niet losstaan van hun omgeving: kenmerken die in een bepaalde omgeving voordelig zijn, kunnen helpen om te overleven en nakomelingen te krijgen. Het gaat hier nog niet om een volledige biologische verklaring van natuurlijke selectie, maar wel om het herkennen en verklaren van duidelijke voorbeelden van aanpassingen.
Voorbeelden bij dieren:
Dit doel sluit aan bij het concept van evolutie en bij de begrippen soort en aanpassing. Leerlingen leren dat organismen niet losstaan van hun omgeving: kenmerken die in een bepaalde omgeving voordelig zijn, kunnen helpen om te overleven en nakomelingen te krijgen. Het gaat hier nog niet om een volledige biologische verklaring van natuurlijke selectie, maar wel om het herkennen en verklaren van duidelijke voorbeelden van aanpassingen.
Voorbeelden bij dieren:
- De leerling legt uit dat de witte vacht van ijsberen helpt bij camouflage in een besneeuwde omgeving. Daardoor vallen ijsberen minder op in de sneeuw.
- De leerling legt uit dat kamelen aangepast zijn aan leven in de woestijn. Hun bulten helpen hen om reserves op te slaan, waardoor ze beter kunnen overleven in een droge omgeving.
- De leerling legt uit dat een kameleon zich kan camoufleren door kleurverandering. Daardoor kan het dier minder opvallen in zijn omgeving.
- De leerling legt uit dat de dikke stengel van een cactus helpt om water op te slaan. Dat is nuttig in droge gebieden.
- De leerling legt uit dat de stekels van een cactus bescherming bieden tegen planteneters.
- De leerling legt uit dat de wortels van grassen in grasland diep in de grond kunnen zitten. Daardoor kunnen grassen beter water bereiken en overleven bij droogte of begrazing.
- De leerling kan bespreken dat rechtop lopen bij mensachtigen voordelen kon bieden in een open landschap, zoals verder kunnen kijken en de handen vrij hebben.
- De leerling legt uit dat vrije handen konden helpen bij het gebruiken en maken van gereedschap.
- De leerling benoemt dat grotere hersenen bij mensen samenhangen met vaardigheden zoals problemen oplossen, dingen plannen, taal gebruiken en gereedschap maken.
- De leerling verwoordt voorzichtig dat zulke kenmerken voorbeelden zijn van aanpassingen die mensen geholpen hebben om beter te functioneren in hun omgeving.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.2.16 zesde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Verplicht samen (mandatoryTogether)
- 3.2.GL6.11 6de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: de evolutie, de soort, de aanpassing.
- 3.2.GL6.16 6de leerjaar · De leerlingen weten dat soorten in de loop der tijd kunnen veranderen en dat sommige uitgestorven zijn.
- 3.2.GL6.15 6de leerjaar · De leerlingen kennen het concept van evolutie.