Doelenkader

Minimumdoelen basisonderwijs

De wettelijke minimumdoelen van de Vlaamse overheid, met eindpunten in de derde kleuterklas, het vierde en het zesde leerjaar. De minimumdoelen kennen geen doelen per afzonderlijk leerjaar.

Bron. Vlaamse overheid (AHOVOKS), geldig vanaf 1 september 2025. Officiële publicatie: brochure Minimumdoelen en visieteksten · onderwijsdoelen.be. Records via de KOV-export; de geschiedenisdoelen zijn tekstueel vergeleken met de brochure. Dezelfde zichtbare code kan bij een ander eindpunt een ander doel zijn.

Geschiedenis

Visietekst geschiedenis (brochure p. 90–92)

Het centrale doel van het curriculum geschiedenis in het basisonderwijs is gericht op het ontwikkelen van elementair historisch bewustzijn. En het niet louter memoriseren van historische feiten. We onderscheiden hierin drie componenten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: (1) kennis van het verleden, (2) kennis van de geschiedenis en (3) reflectie en dialoog over het verleden en geschiedenis. [p. 90]

Doelen van component 1 hebben betrekking op de inhoud van de vakdiscipline, uitgedrukt in samenhangende feiten, verhalen en woordenschat. Deze inhoud stelt leerlingen in staat om referentiepunten te herkennen. Doelen van component 2 zijn de disciplinaire kennis van de vakdiscipline. Dit gaat over hoe historici en anderen historische beweringen maken, toetsen en debatteren. Ten slotte zijn er ook doelen waarbij leerlingen de relatie leggen tussen de hedendaagse samenleving en het verleden, en die nauw verbonden zijn met aspecten van burgerschapscompetentie. [p. 90]

Bij de implementatie van de minimumdoelen in de praktijk (vb. in klaslokalen en in leermiddelen) zullen de doelen van componenten 2 en 3 normaal gezien verweven zijn met de inhoudelijke doelen. [p. 90]

Component 1: Kennis van het verleden [p. 90]

Een hoogwaardig, kennisrijk geschiedeniscurriculum in het basisonderwijs legt een sterke basis van referentiekennis over het verleden. Die referentiekennis heeft betrekking op zowel de Lage Landen, West-Europa als de wereld, die elkaar wederzijds beïnvloedden. Geschiedenis is een basis voor leerlingen om de complexiteit van het leven van mensen in het verleden te leren begrijpen. Sleutelvragen over het verleden vormen het uitgangspunt voor het selecteren van inhoud. Ze zijn leidend bij het afbakenen van kennis over het verleden: [p. 90]

• Hoe gingen mensen om met de omringende natuur? • Hoe overleefden mensen? • Hoe organiseerden ze zichzelf? • Hoe dachten ze? [p. 90]

Een kennisrijk geschiedeniscurriculum in het basisonderwijs moet niet proberen alle tijden en perioden uitputtend te behandelen. Een coherent kader van historische referentiekennis zorgt er echter voor dat leerlingen naar het secundair onderwijs gaan met gemeenschappelijke, identificeerbare, coherente kennis waarop alle leerkrachten in het secundair onderwijs kunnen terugvallen bij het opnieuw bestuderen van eerder onderwezen periodes of samenlevingen of nieuwe behandelen. [p. 90]

Kleuters maken aan de hand van de tijdsperioden prehistorie en oudheid kennis met een aantal basisbegrippen die bouwstenen vormen voor verdere verkenning van het verleden. Op de basisschool gaan we uit van een periodisering met zes tijdvakken [prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd]. Deze periodisering komt overeen met het secundair onderwijs, maar zonder onderscheid tussen het oude nabije oosten en de klassieke oudheid. [p. 90]

Leerlingen tot en met het vierde leerjaar maken kennis met samenlevingen uit tijdsperioden tot en met de middeleeuwen. De vroegmoderne tijd komt voor Europa eerst aan bod in het vierde leerjaar, en wordt uitgebreid buiten Europa in het zesde leerjaar. Leerlingen tot en met het zesde leerjaar maken ook kennis met de moderne en hedendaagse tijd. [p. 90]

Voor elke tijdsperiode geven de doelen aan welke samenlevingen aan bod moeten komen en welke ontwikkelingen de kennis minimaal afbakenen. Het is expliciet niet de bedoeling om deze ontwikkelingen in hun volledige historische betekenis te behandelen; geassocieerde plaatsen, personen, groepen en gebeurtenissen – die het best in samenhang kunnen worden beschouwd – bieden kader en houvast. [p. 90]

Het is dus niet noodzakelijk om de volledige Egyptische samenleving te behandelen, maar wel het bouwen en schrijven in deze samenleving. Het hoeft ook niet de hele Eerste Wereldoorlog te omvatten, maar in ieder geval wel het Verdrag van Versailles. Op dezelfde manier moet op zijn minst de Kazerne Dossin worden behandeld als voorbeeld van ongelijkheid tussen mensen, zonder noodzakelijkerwijs de Holocaust in elk mogelijk perspectief te behandelen. [p. 91]

Component 2: Kennis van geschiedenis [p. 91]

Geschiedenis leert leerlingen typische denkwijzen van historici en archeologen. In het bijzonder zijn er doelen over het identificeren van gelijkenissen en verschillen tussen samenlevingen uit verschillende tijdsperioden, over het herkennen van continuïteit en verandering, over causaal redeneren en over het leren gebruiken van meerdere perspectieven. [p. 91]

Leerlingen leren over verschillende soorten bronnen. Ze gebruiken die bronnen om typische denkwijzen toe te passen en ze stellen kritische vragen over de maker en het doel van bronnen. Het is belangrijk om deze doelen als cumulatief te beschouwen. Ze vormen de bouwstenen voor het redeneren over kennis uit de inhoudelijke doelen. [p. 91]

Component 3: Reflectie en dialoog vanuit verleden en geschiedenis voor heden en toekomst [p. 91]

Kennis van het verleden en van geschiedenis stelt leerlingen in staat om zinvol na te denken over de relatie tussen heden, verleden en toekomst. Dit maakt de discipline geschiedenis relevant voor het burgerschapsonderwijs. [p. 91]

Geschiedenis draagt op die manier bij aan de vorming van leerlingen tot geïnformeerde en kritische burgers, evenals aan hun persoonlijke (meervoudige identiteit) en sociale vorming (zich openstellen voor de wereld en leren zich daartoe te verhouden). Met deze kennis denken leerlingen bewust na over hun eigen verantwoordelijkheid en betrokkenheid, en die van anderen, in de samenleving. [p. 91]

Een curriculum voor geschiedenis [p. 91]

Het geschiedeniscurriculum moet leerlingen in staat stellen chronologische en geografische verbanden te zien, zodat ze zich kunnen oriënteren in historisch begrepen tijd en ruimte. Hoewel niet alle geschiedenis in chronologische volgorde hoeft te worden onderwezen — dat zou zelfs onmogelijk zijn, gezien de (on)gelijktijdige ontwikkelingen in verschillende delen van de wereld — legt een kennisrijk geschiedenisleerplan de nadruk op de chronologische kaders die geschiedenis betekenisvol maken en zoekt het naar mogelijkheden om onderwerpen te ordenen. [p. 91]

Hierdoor kunnen leerlingen de relatie zien tussen de ene periode of omgeving en een andere. Veel samenlevingen in de oudheid waren bijvoorbeeld onderling verbonden en deelden belangrijke gemeenschappelijke kenmerken. Door de expliciete en opvallende verschillen met het heden kunnen oude culturen reeds op jonge leeftijd behandeld worden op een manier die kinderen begrijpen én die hen fascineert. [p. 91]

Het geschiedeniscurriculum specificeert terugkerende abstracte sleutelconcepten, zodat leerlingen meer concrete concepten leren beheersen die van toepassing zijn in specifieke samenlevingen. Een abstract sleutelbegrip kan bijvoorbeeld irrigatielandbouw zijn, dat vervolgens concreet wordt uitgewerkt voor de Egyptische samenleving met een sjadoef en voor de Lage Landen met drooglegging. Dit stelt leerlingen in staat om de ene samenleving te interpreteren door de lens van een andere. Zo begrijpen zij geleidelijk dat de betekenis van sleutelbegrippen verschuift in verschillende historische contexten en tijdvakken. [p. 91]

Het geschiedenisleerplan moet leerlingen in staat stellen zich een mentaal beeld van het verleden te vormen. Door middel van rijk narratief en visueel materiaal wordt het verleden op levendige wijze opgeroepen, om de verbeelding van leerlingen te stimuleren en een gevoel van periode op te bouwen. Verschillende soorten erfgoed en familiegeschiedenis bieden uitstekende vertrekpunten om het verleden vandaag betekenisvol te maken en om na te denken over de relatie tussen heden, verleden en [p. 91]

Geschiedenis zelf krijgt pas betekenis door in elkaar grijpende verhalen betekenisvol te maken vanuit meerdere perspectieven. Bij het selecteren van leermateriaal binnen het curriculum is het daarom aangewezen aandacht te besteden aan het inbedden van verhalen, op verschillende schalen, om inhoud vorm te geven. [p. 92]

Kennis van het verleden › Prehistorie

Derde kleuterklas

  • 5.1.1 De kleuters weten hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden.

Vierde leerjaar

  • 5.1.1 De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie met de natuur omgingen en samenleefden.

Zesde leerjaar

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Kennis van het verleden › Oudheid

Derde kleuterklas

  • 5.1.2 De kleuters weten hoe mensen tijdens de oudheid overleefden en samenleefden.

Vierde leerjaar

  • 5.1.2 De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.

Zesde leerjaar

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Kennis van het verleden › Middeleeuwen

Derde kleuterklas

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Vierde leerjaar

  • 5.1.3 De leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.

Zesde leerjaar

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Kennis van het verleden › Vroegmoderne tijd

Derde kleuterklas

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Vierde leerjaar

  • 5.1.4 De leerlingen weten hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.

Zesde leerjaar

  • 5.1.1 De leerlingen weten hoe mensen in de vroegmoderne tijd overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.

Kennis van geschiedenis › Bronnengebruik

Derde kleuterklas

  • 5.2.1 De kleuters kunnen soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen benoemen:

Vierde leerjaar

  • 5.2.1 De leerlingen kennen het verschil tussen bron en bewijs.
  • 5.2.2 De leerlingen kennen typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen:
  • 5.2.3 De leerlingen weten wat paleontologen, archeologen en historici doen.
  • 5.2.4 De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd noemen.

Zesde leerjaar

  • 5.2.1 De leerlingen kunnen aangereikt bewijs uit bronnen gebruiken bij het antwoorden op historische vragen.
  • 5.2.2 De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de vroegmoderne, moderne en hedendaagse tijd noemen.

Kennis van geschiedenis › Historisch redeneren

Derde kleuterklas

  • 5.2.2 De kleuters kunnen enkele veranderingen tussen verleden en heden opnoemen.

Vierde leerjaar

  • 5.2.5 De leerlingen kunnen gelijkenissen en verschillen onderscheiden binnen en tussen bestudeerde samenlevingen.
  • 5.2.6 De leerlingen kunnen aspecten van verandering en continuïteit bespreken.
  • 5.2.7 De leerlingen kunnen oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling verklaren.

Zesde leerjaar

  • 5.2.3 De leerlingen kunnen typische historische vragen stellen met betrekking tot:
  • 5.2.4 De leerlingen kunnen hun gedachten ordenen om typische historische vragen te beantwoorden met betrekking tot:

Kennis van geschiedenis › Perspectieven

Derde kleuterklas

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Vierde leerjaar

  • 5.2.8 De leerlingen kunnen een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden begrijpen.

Zesde leerjaar

  • 5.2.5 De leerlingen kunnen hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen in het verleden.
  • 5.2.6 De leerlingen kunnen redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit verschillende perspectieven.

Kennis van geschiedenis › Chronologisch bewustzijn

Derde kleuterklas

  • 5.2.3 De kleuters kennen de volgende begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu, later, oud, nieuw.
  • 5.2.4 De kleuters kunnen gebeurtenissen en eigen ervaringen chronologisch ordenen.
  • 5.2.5 De kleuters kunnen drie gegeven bronnen uit het verleden chronologisch ordenen met behulp van de begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu.

Vierde leerjaar

  • 5.2.9 De leerlingen kennen de volgende begrippen: het verleden, het heden, de toekomst, de periode, de duur, geschiedenis.
  • 5.2.10 De leerlingen kennen de tijdsaanduidingen: v.o.t. en o.t.
  • 5.2.11 De leerlingen kunnen aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen.

Zesde leerjaar

  • 5.2.7 De leerlingen kennen de zes periodes van het gehanteerde historische referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd.

Reflectie en dialoog over verleden en geschiedenis › Burgerschap

Derde kleuterklas

  • 5.3.1 De kleuters kennen de volgende begrippen: mening, overleg, stemmen.

Vierde leerjaar

  • 5.3.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: verkiezingen, vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels, afspraken, gelijkheid.
  • 5.3.2 De leerlingen kunnen principes van een democratische rechtsstaat herkennen in de bestudeerde samenlevingen uit het verleden.

Zesde leerjaar

  • 5.3.1 De leerlingen kennen de begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: democratie, regering, parlement, rechtbank, bescherming, wetten, grondwet, vrijheid.

Reflectie en dialoog over verleden en geschiedenis › Erfgoed, identiteit, betekenis, relatie verleden-heden

Derde kleuterklas

  • 5.3.2 De kleuters weten waarom iets uit het verleden bewaard wordt.
  • 5.3.3 De kleuters kunnen herkennen dat sporen uit het verleden aanwezig zijn in wat ze om zich heen zien.

Vierde leerjaar

  • 5.3.3 De leerlingen weten dat ontwikkelingen in de bestudeerde samenlevingen een invloed hebben uitgeoefend op hedendaagse samenlevingen:
  • 5.3.4 De leerlingen kunnen uitleggen hoe persoonlijke identiteit mee gevormd wordt door het verleden:

Zesde leerjaar

  • 5.3.2 De leerlingen kunnen de relatie tussen heden, verleden en toekomst verwoorden met betrekking tot de bestudeerde samenlevingen:
  • 5.3.3 De leerlingen kunnen uitleggen wat historische gebeurtenissen, ontwikkelingen, plaatsen, en/of personen voor de samenleving kunnen betekenen: erfgoed: standbeelden, straatnamen, verhalen, feestdagen.

Kennis van het verleden › Moderne tijd

Derde kleuterklas

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Vierde leerjaar

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Zesde leerjaar

  • 5.1.2 De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten.

Kennis van het verleden › Hedendaagse tijd

Derde kleuterklas

  • 5.1.3 De kleuters weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden.

Vierde leerjaar

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Zesde leerjaar

  • 5.1.3 De leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden.

Aardrijkskunde

Topografie › Topografisch referentiekader

Derde kleuterklas

  • 4.1.1 De kleuters kennen de naam van: ​​​​​​
  • 4.1.2 De kleuters kunnen water, land en de polen op de wereldbol aanduiden.

Vierde leerjaar

  • 4.1.1 De leerlingen kennen de naam en de ligging van:

Zesde leerjaar

  • 4.1.1 De leerlingen kennen de naam en de ligging van:

Topografie › Relatieve en absolute ligging

Derde kleuterklas

  • 4.1.3 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot relatieve ligging: dichtbij, veraf, voor, achter, opzij, boven, onder, tussen, binnen, buiten, hoog, laag, in, uit, naast, midden.
  • 4.1.4 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot absolute plaatsbepaling:

Vierde leerjaar

  • 4.1.2 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot relatieve ligging: de hoofdwindrichtingen, de tussenwindrichtingen, het noorden, het oosten, het zuiden, het westen, het noordoosten, het zuidoosten, het zuidwesten, het noordwesten, N, O, Z, W, NO, ZO, ZW, NW.
  • 4.1.3 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot absolute plaatsbepaling:

Zesde leerjaar

  • 4.1.2 De leerlingen kennen parallellen/breedtecirkels die het klimaat afbakenen:

Aardrijkskundige kennis › Kenmerken van de aarde en haar atmosfeer

Derde kleuterklas

  • 4.2.1 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot kenmerken van de aarde en haar atmosfeer: het land, het water, de lucht, de rots, de grot, het zand.

Vierde leerjaar

  • 4.2.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot kenmerken van de aarde en haar atmosfeer:
  • 4.2.2 De leerlingen kennen het concept waterkringloop: verdamping, condensatie, wolken, neerslag, grondwater, oppervlaktewater.
  • 4.2.3 De leerlingen kennen de kenmerken, oorzaken en gevolgen van vulkanen:

Zesde leerjaar

  • 4.2.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de aarde en haar atmosfeer: het zuurstofgas, de koolstofdioxide.
  • 4.2.2 De leerlingen kennen de rol van de atmosfeer voor leven op aarde.
  • 4.2.3 De leerlingen kennen het belang van delfstoffen vanuit verschillende perspectieven:
  • 4.2.4 De leerlingen kennen de kenmerken, oorzaken en gevolgen van aardbevingen:
  • 4.2.5 De leerlingen kunnen de ruimtelijke spreiding van aardbevingen, vulkanen en bergketens in verband brengen met de ligging van plaatgrenzen:

Aardrijkskundige kennis › Landschappen: natuurlijke en menselijke aspecten

Derde kleuterklas

  • 4.2.2 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen:
  • 4.2.3 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen:

Vierde leerjaar

  • 4.2.4 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen, inclusief de vorming en het proces ervan:
  • 4.2.5 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen:

Zesde leerjaar

  • 4.2.6 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen:
  • 4.2.7 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen:

Aardrijkskundige kennis › Aardrijkskundige indicatoren

Derde kleuterklas

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Vierde leerjaar

  • 4.2.6 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot bevolking:
  • 4.2.7 De leerlingen kennen verklarende factoren die verandering in bevolkingsaantallen beïnvloeden:

Zesde leerjaar

  • 4.2.8 De leerlingen weten dat er verschillende niveaus van welvaart zijn.
  • 4.2.9 De leerlingen kunnen vergelijkingen maken binnen en tussen landen door middel van aardrijkskundige indicatoren:

Aardrijkskundige kennis › Weer en klimaat

Derde kleuterklas

  • 4.2.4 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot weersverschijnselen:
  • 4.2.5 De kleuters kunnen de relatie tussen bewolking en neerslag beschrijven

Vierde leerjaar

  • 4.2.8 De leerlingen kennen het verschil tussen weer en klimaat.
  • 4.2.9 De leerlingen kennen de kenmerken van de belangrijkste klimaatzones:polair, tropisch, gematigd.
  • 4.2.10 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot klimaatspecifieke en extreme weersverschijnselen:

Zesde leerjaar

  • 4.2.10 De leerlingen kennen het concept vegetatietype.
  • 4.2.11 De leerlingen kennen de relatie tussen de ligging van de breedtecirkels en klimaatzones: polair, tropisch, gematigd.
  • 4.2.12 De leerlingen kunnen voorbeelden geven van hoe reliëf en seizoensgebonden oceaantemperaturen het weer beïnvloeden: luchtdruk, landmassa.

Aardrijkskundige kennis › Kosmografie

Derde kleuterklas

  • 4.2.6 De kleuters kennen de volgende begrippen:
  • 4.2.7 De kleuters kunnen het ritme van de seizoenen in de directe omgeving herkennen.
  • 4.2.8 De kleuters kunnen de beweging van de aarde om haar as tonen met behulp van een wereldbol.

Vierde leerjaar

  • 4.2.11 De leerlingen kennen de zon als ster.
  • 4.2.12 De leerlingen kennen de namen van de planeten binnen ons zonnestelsel.
  • 4.2.13 De leerlingen kennen de duur en de richting van de beweging van de aarde om haar as.
  • 4.2.14 De leerlingen kennen de namen, kenmerken en de begin- en einddatum van de seizoenen.
  • 4.2.15 De leerlingen kennen de relatie tussen de beweging van de aarde en dag/nacht, tijdszones.

Zesde leerjaar

  • 4.2.13 De leerlingen kennen kenmerken en verschijnselen van het heelal: planetenstelsel, zonnestelsel, sterren.
  • 4.2.14 De leerlingen kennen de getijden: eb, vloed, laagwater, hoogwater.
  • 4.2.15 De leerlingen kennen de maanfasen: volle maan, nieuwe maan, eerste kwartier, laatste kwartier.
  • 4.2.16 De leerlingen kennen de eclipsen: zonsverduistering, maansverduistering.
  • 4.2.17 De leerlingen kennen de duur en de richting van de beweging van de aarde rond de zon.
  • 4.2.18 De leerlingen kunnen het burgerlijk jaar, het schrikkeljaar en de seizoenen in verband brengen met de beweging van de aarde rond de zon, rekening houdend met de schuine stand van de aardas.
  • 4.2.19 De leerlingen kunnen de getijden, de maanfasen en de eclipsen in verband brengen met de beweging van de maan rond de aarde.

Aardrijkskundige vaardigheden, onderzoek en denken › Aardrijkskundige bronnen en vaardigheden

Derde kleuterklas

  • 4.3.1 De kleuters kunnen een ruimtelijke indeling van een kamer en een buitenruimte beschrijven door observatie en geheugen.
  • 4.3.2 De kleuters kunnen een geobserveerde ruimte weergeven door middel van een eenvoudige tekening of schets.
  • 4.3.3 De kleuters kunnen een neerslagvorm observeren: regen, sneeuw, hagel, mist.

Vierde leerjaar

  • 4.3.1 De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:
  • 4.3.2 De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundig onderzoek:

Zesde leerjaar

  • 4.3.1 De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:

Aardrijkskundige vaardigheden, onderzoek en denken › Aardrijkskundig denken

Derde kleuterklas

  • 4.3.4 De kleuters kunnen een actueel ruimtelijk vraagstuk bespreken in termen van gevolgen en relatieve meting.
  • 4.3.5 De kleuters kunnen ideeën genereren om actuele ruimtelijke problemen op te lossen met behulp van relatieve ruimtelijke begrippen.

Vierde leerjaar

  • 4.3.3 De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 4de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over:

Zesde leerjaar

  • 4.3.2 De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over:

Wetenschap en techniek

Organismen › Classificatie van organismen

Derde kleuterklas

  • 3.1.1 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot organismen: de fauna, de zoogdieren, de vogels, de vissen, de insecten, de flora.
  • 3.1.2 De kleuters kunnen:

Vierde leerjaar

  • 3.1.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de classificatie van organismen: de gewervelde dieren, de amfibieën, de ongewervelde dieren, de spinachtigen, de schimmels.
  • 3.1.2 De leerlingen kennen de classificatie van organismen:
  • 3.1.3 De leerlingen kunnen organismen beschrijven op basis van kenmerken: bouw en voortplantingswijze.

Zesde leerjaar

  • 3.1.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de classificatie van organismen: het classificeren, de taxonomie, de reptielen, de geleedpotigen, de zaadplanten, de sporenplanten, de bacteriën.
  • 3.1.2 De leerlingen kennen de classificatie van organismen.
  • 3.1.3 De leerlingen kunnen organismen classificeren op basis van kenmerken: bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.

Organismen › Ontwikkeling en voortplanting van organismen

Derde kleuterklas

  • 3.1.3 De kleuters kennen de volgende begrippen in verband met de levenscyclus: geboren worden, kiemen, groeien, sterven.
  • 3.1.4 De kleuters kennen de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming, groei, voortplanting, dood.

Vierde leerjaar

  • 3.1.4 De leerlingen kennen de volgende begrippen: de levenscyclus, de metamorfose.
  • 3.1.5 De leerlingen kennen de levenscyclus van fauna, voor elk van deze groepen: zoogdieren, vogels, amfibieën, insecten.
  • 3.1.6 De leerlingen kennen de fasen van lichamelijke groei en ontwikkeling bij de mens.
  • 3.1.7 De leerlingen kunnen verschillen en overeenkomsten beschrijven bij de voortplanting van fauna.

Zesde leerjaar

  • 3.1.4 De leerlingen kennen de volgende begrippen: de voortplanting, de geslachtelijke voortplanting, de ongeslachtelijke voortplanting, de bestuiving, de bevruchting.
  • 3.1.5 De leerlingen kennen redenen waarom organismen zichzelf voortplanten.
  • 3.1.6 De leerlingen kennen het proces van geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
  • 3.1.7 De leerlingen kennen het belang van insecten bij de bestuiving van zaadplanten.
  • 3.1.8 De leerlingen kunnen onderscheid maken tussen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.

Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving

Derde kleuterklas

  • 3.2.1 De kleuters kennen het principe van eten en gegeten worden.

Vierde leerjaar

  • 3.2.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen:
  • 3.2.2 De leerlingen kennen een voedselketen bestaande uit drie organismen.
  • 3.2.3 De leerlingen kennen de rol van organismen in de voedselkringloop: producenten, consumenten, reducenten.
  • 3.2.4 De leerlingen kennen de betekenis van de stappen binnen de ladder van Lansink: preventie, hergebruik, sorteren, recycleren, verbranden, storten.
  • 3.2.5 De leerlingen kunnen de voedselpiramide beschrijven door aan te tonen hoe dieren zich voeden met dieren en/of planten.
  • 3.2.6 De leerlingen kunnen voorbeelden geven van relaties tussen organismen onderling en hun omgeving.

Zesde leerjaar

  • 3.2.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen: de biodiversiteit, het voedselweb, het grasland, het bos, de heide, de zee en de kust, het stadslandschap, het agrarisch landschap, het zoet water, het ecosysteem.
  • 3.2.2 De leerlingen kennen de opbouw van een voedselweb.
  • 3.2.3 De leerlingen kennen diensten die het ecosysteem levert aan de mens.
  • 3.2.4 De leerlingen weten dat mensen een positieve en negatieve impact kunnen hebben op het ecosysteem.
  • 3.2.5 De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
  • 3.2.6 De leerlingen kunnen voedselketens opnoemen en interpreteren.
  • 3.2.7 De leerlingen kunnen verwoorden dat omgevingen kunnen veranderen.
  • 3.2.8 De leerlingen kunnen verwoorden waarom biodiversiteit essentieel is voor het leven op aarde.

Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen

Derde kleuterklas

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Vierde leerjaar

  • 3.2.7 De leerlingen kennen de volgende begrippen:
  • 3.2.8 De leerlingen kennen de functie van de verschillende delen van een plant: wortel, stengel, stam, bladeren, bloemen, vruchten, zaad.
  • 3.2.9 De leerlingen weten dat stoffen worden getransporteerd binnen dieren en planten.
  • 3.2.10 De leerlingen kunnen gelijkenissen en verschillen benoemen tussen ouders en nakomelingen bij mens en dier.

Zesde leerjaar

  • 3.2.9 De leerlingen kennen de volgende begrippen:
  • 3.2.10 De leerlingen kennen de functie van de verschillende delen van een bloem: kelkbladeren, kroonbladeren, stamper, vruchtbeginsel, meeldraden.
  • 3.2.11 De leerlingen kennen het concept van evolutie.
  • 3.2.12 De leerlingen weten dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
  • 3.2.13 De leerlingen weten dat soorten in de loop der tijd veranderen en dat sommige uitgestorven zijn.
  • 3.2.14 De leerlingen weten dat nakomelingen erfelijke eigenschappen van hun ouders meekrijgen.
  • 3.2.15 De leerlingen weten dat nakomelingen in de regel verschillend van, en niet identiek aan hun ouders zijn.
  • 3.2.16 De leerlingen kunnen voorbeelden geven van aanpassingen van organismen.

Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen

Derde kleuterklas

  • 3.2.2 De kleuters kennen verschillende voedingsmiddelen.
  • 3.2.3 De kleuters weten dat mensen eten en drinken om te groeien en te bewegen.
  • 3.2.4 De kleuters kunnen aangeven dat je moet eten wanneer je honger hebt en drinken wanneer je dorst hebt.

Vierde leerjaar

  • 3.2.11 De leerlingen kennen de volgende begrippen: de voedingsmiddelen, de bouwstof, de brandstof, de beschermende stof.
  • 3.2.12 De leerlingen kennen de functies van voedsel: bouwstof, brandstof, beschermende stof.
  • 3.2.13 De leerlingen kunnen onderzoeken dat planten groeien wanneer ze zonlicht, water en warmte krijgen.

Zesde leerjaar

  • 3.2.17 De leerlingen kennen de volgende begrippen:
  • 3.2.18 De leerlingen kennen de verschillende voedingsstoffen en hun functie: suikers, eiwitten, vetten, water, mineralen, vitaminen, vezels.
  • 3.2.19 De leerlingen kennen het principe van fotosynthese.
  • 3.2.20 De leerlingen kennen de zon als primaire energiebron.
  • 3.2.21 De leerlingen weten dat bijna elke voedselketen start onder invloed van de energie van de zon.

Menselijk lichaam › Fysieke functies van de mens

Derde kleuterklas

  • 3.3.1 De kleuters kennen de volgende begrippen:
  • 3.3.2 De kleuters kennen lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten, longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.
  • 3.3.3 De kleuters kunnen deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden en benoemen.

Vierde leerjaar

  • 3.3.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen:
  • 3.3.2 De leerlingen kennen fysieke functies van de mens en de bijbehorende weefsels en organen met hun functie: spijsvertering, beweging, steun (skelet).
  • 3.3.3 De leerlingen kunnen deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het eigen lichaam aanduiden en benoemen.

Zesde leerjaar

  • 3.3.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen:
  • 3.3.2 De leerlingen kennen fysieke functies van de mens, en de bijbehorende weefsels en organen met hun functie: waarneming, voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
  • 3.3.3 De leerlingen kunnen deze lichaamsdelen, weefsels en organen schematisch weergeven.

Eigenschappen van materie

Derde kleuterklas

  • 3.4.1 De kleuters kunnen materie sorteren op basis van waarneembare eigenschappen.

Vierde leerjaar

  • 3.4.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen:
  • 3.4.2 De leerlingen kunnen materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen: de hardheid, de breekbaarheid, de waterdichtheid, de thermische geleidbaarheid, de oplosbaarheid.

Zesde leerjaar

  • 3.4.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen:
  • 3.4.2 De leerlingen weten dat alle materie uit deeltjes bestaat.
  • 3.4.3 De leerlingen kunnen de massa-volume-relatie tussen voorwerpen met verschillende massadichtheden onderzoeken.
  • 3.4.4 De leerlingen kunnen materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen.

Natuurkundige verschijnselen

Derde kleuterklas

  • 3.5.1 De kleuters kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurkundige verschijnselen:
  • 3.5.2 De kleuters kennen licht: de lichtbron, de reflectie.
  • 3.5.3 De kleuters kennen geluid: hard, zacht.
  • 3.5.4 De kleuters kennen magnetisme
  • 3.5.5 De kleuters kunnen magnetische en niet-magnetische materialen onderscheiden.

Vierde leerjaar

  • 3.5.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen:
  • 3.5.2 De leerlingen kennen kracht en beweging:
  • 3.5.3 De leerlingen kennen energie en energievormen:
  • 3.5.4 De leerlingen kennen licht: rechtlijnige beweging.
  • 3.5.5 De leerlingen kennen geluid:
  • 3.5.6 De leerlingen kennen magnetisme:
  • 3.5.7 De leerlingen kennen aggregatietoestanden:

Zesde leerjaar

  • 3.5.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen:
  • 3.5.2 De leerlingen kennen kracht en beweging:
  • 3.5.3 De leerlingen kennen energie:
  • 3.5.4 De leerlingen kennen licht: reflecteren, absorberen en doorlaten van licht.
  • 3.5.5 De leerlingen kennen geluid: de relatie tussen geluidssterkte en afstand tot de geluidsbron.
  • 3.5.6 De leerlingen kennen elektrische verschijnselen:
  • 3.5.7 De leerlingen kunnen natuurkundige verschijnselen onderzoeken met behulp van de onderzoekscyclus.

Systematische en methodische benadering van wetenschappelijke en technologische problemen › Onderzoekende houding

Derde kleuterklas

  • 3.6.1 De kleuters kennen de relatie tussen oorzaak en gevolg.
  • 3.6.2 De kleuters kunnen aangeleerde woordenschat inzetten om te redeneren over een wetenschappelijke vraag.

Vierde leerjaar

  • 3.6.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen: het onderzoek, de onderzoeksvraag, de hypothese, de conclusie.
  • 3.6.2 De leerlingen kennen het concept van onderzoeksvraag en hypothese.
  • 3.6.3 De leerlingen kunnen een voorafgaand opgezet eerlijk onderzoek uitvoeren.
  • 3.6.4 De leerlingen kunnen systematisch waarnemingen noteren en conclusies trekken.

Zesde leerjaar

  • 3.6.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen: de onderzoekscyclus, eerlijk onderzoeken, verkennen, onderzoek opzetten, onderzoek uitvoeren, concluderen, presenteren.
  • 3.6.2 De leerlingen kennen de onderzoekscyclus als een gestructureerde aanpak met de volgende fasen: verkennen, onderzoek opzetten, onderzoek uitvoeren, concluderen, presenteren.
  • 3.6.3 De leerlingen kunnen een onderzoek opzetten met behulp van de onderzoekscyclus.
  • 3.6.4 De leerlingen kunnen de volgende basisprincipes van eerlijk onderzoek toepassen: gecontroleerde omstandigheden, reproduceerbaarheid.

Systematische en methodische benadering van wetenschappelijke en technologische problemen › Ontwerpend leren

Derde kleuterklas

  • 3.6.3 De kleuters weten dat voorwerpen en materialen een functie hebben en ontworpen zijn om een probleem op te lossen.

Vierde leerjaar

  • 3.6.5 De leerlingen kennen ontwerpen als een manier om aan een behoefte te voldoen.
  • 3.6.6 De leerlingen kunnen met concreet materiaal en gegeven criteria een ontwerp bedenken en uitvoeren om aan een behoefte te voldoen.

Zesde leerjaar

  • 3.6.5 De leerlingen kennen de volgende begrippen: ontwerpen, optimaliseren, de ontwerpcyclus, verkennen, ideeën verzinnen en selecteren, het ontwerp plannen, het ontwerp realiseren, testen en optimaliseren, presenteren.
  • 3.6.6 De leerlingen kennen de ontwerpcyclus als een gestructureerde aanpak met de volgende fasen: verkennen, ideeën verzinnen en selecteren, ontwerp plannen, ontwerp realiseren, testen en optimaliseren, presenteren.
  • 3.6.7 De leerlingen kennen het belang van het formuleren van criteria om aan een behoefte te voldoen.
  • 3.6.8 De leerlingen kunnen ontwerpen met behulp van de ontwerpcyclus.

Technologie › Technische systemen hanteren

Derde kleuterklas

  • 3.7.1 De kleuters kunnen leeftijdsadequate technische systemen correct en veilig gebruiken.

Vierde leerjaar

  • 3.7.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen: monteren, demonteren.
  • 3.7.2 De leerlingen kennen basisgereedschap voor montage en demontage.
  • 3.7.3 De leerlingen kunnen basisvaardigheden toepassen bij het monteren en demonteren van technische systemen.

Zesde leerjaar

  • 3.7.3 De leerlingen kennen de volgende begrippen: herstellen, onderhouden.
  • 3.7.4 De leerlingen kennen basisgereedschap voor basisonderhoud en herstellingen.
  • 3.7.5 De leerlingen kennen het belang van het onderhouden en herstellen van technische systemen.
  • 3.7.6 De leerlingen kunnen basisonderhoud en kleine herstellingen uitvoeren.

Technologie › Technische systemen beschrijven

Derde kleuterklas

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Vierde leerjaar

  • 3.7.4 De leerlingen kennen het volgende begrip: de onderdelen.
  • 3.7.5 De leerlingen kunnen de werking van een technisch systeem beschrijven aan de hand van onderdelen en materialen.
  • 3.7.6 De leerlingen kunnen verwoorden hoe vormgeving en design een rol spelen bij het gebruik van technische systemen.

Zesde leerjaar

  • 3.7.7 De leerlingen kennen de volgende begrippen: het tandwiel, de riem, de ketting, de hefboom, de katrol, het technische systeem, de vormgeving, het design.
  • 3.7.8 De leerlingen kennen belangrijke mechanische overbrengingen: tandwielen, riemen en kettingen, hefbomen, katrollen.
  • 3.7.9 De leerlingen kennen de werking van technische systemen op basis van kennis over natuurkundige verschijnselen.
  • 3.7.10 De leerlingen kunnen de werking, de bouw en de materiaalkeuze van technische systemen analyseren en beschrijven.

Technologie › Hoe mens, wetenschap en technologie elkaar beïnvloeden

Derde kleuterklas

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Vierde leerjaar

Geen doel voor dit eindpunt in deze rubriek.

Zesde leerjaar

  • 3.7.1 De leerlingen kennen de volgende begrippen: de wisselwerking, de wetenschap, de technologie, de technologische ontwikkeling, de wetenschappelijke ontdekking, de innovatie, de uitvinding, de duurzaamheid, de ecologische voetafdruk, de ethiek.
  • 3.7.2 De leerlingen kunnen uitdrukken dat gevolgen van wetenschappen en technologie op zichzelf, anderen, het milieu en de maatschappij, zowel op korte als op lange termijn, positief, negatief of onzeker kunnen zijn.