Op.stap-doel · 5de leerjaar (G)

3.2.GL5.5

De leerlingen kunnen voedselketens opnoemen.

Discipline
Wetenschap en techniek
Domein
Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop
Subdomein
Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving
Cluster
Relatie tussen organismen onderling
Route
Gemeenschappelijke doelen (G)
Fase
5de leerjaar
Bron
Op.stap 1.3, momentopname 2 oktober 2026. Oorspronkelijke sleutel 3e1a9318-c688-42c6-aeab-b621457b3523

Toelichting uit de bron

Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.

De leerlingen bouwen verder op hun voorkennis uit het derde en vierde leerjaar. Ze weten dat een voedselketen meestal start bij flora en dat organismen in een voedselkringloop verschillende rollen kunnen opnemen als producenten, consumenten en reducenten. In het vijfde leerjaar ligt de nadruk op het kunnen opnoemen van voedselketens: leerlingen geven in de juiste volgorde weer welk organisme voedsel is voor een ander organisme.
Daarbij is het belangrijk dat de voedselketen logisch past binnen een gekende biotoop, zoals grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap of zoet water. Leerlingen leren dus niet enkel losse organismen achter elkaar zetten, maar nadenken: komen deze organismen in dezelfde omgeving voor? en klopt de voedselrelatie?
Voorbeelden:
  • De leerling noemt een voedselketen in een grasland: gras → konijn → vos.
    De leerling verwoordt: “Het gras wordt gegeten door het konijn. Het konijn wordt gegeten door de vos.”
  • De leerling noemt een voedselketen in een bos: blad → rups → koolmees → sperwer.
    De leerling ziet dat een voedselketen ook uit meer dan drie organismen kan bestaan.
  • De leerling noemt een voedselketen in of rond zoet water: waterplant → insectenlarve → vis → reiger.
  • De leerling noemt een voedselketen in een agrarisch landschap: graan → muis → uil.
  • De leerling noemt een voedselketen in zee en kust: zeewier → garnaal → vis → meeuw.
  • De leerling controleert of een voedselketen past bij de biotoop: waterplant → insectenlarve → vis past bij zoet water, maar niet bij een droog heidegebied.

Kennis in de encyclopedie

Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.

Minimumdoelen

  • 3.2.6 zesde leerjaarDe leerlingen kunnen voedselketens opnoemen en interpreteren.Koppeling aangeleverd door de Op.stap-export (/agodi/onderwijsdoelen/opstap/92803); geen onafhankelijk gecontroleerde equivalentie.

Samenhang volgens de bron

Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.

Gaat vooraf (before)

  • 3.2.GL4.6 4de leerjaar · De leerlingen kennen de rol van organismen in de voedselkringloop: producenten, consumenten, reducenten.
  • 3.2.GL4.7 4de leerjaar · De leerlingen kunnen de voedselpiramide beschrijven door aan te tonen hoe dieren zich voeden met dieren en/of planten.

Volgt na (after)

  • 3.2.GL6.7 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden aan de hand van voorbeelden waarom biodiversiteit essentieel is voor het leven op aarde.
  • 3.2.GL6.20 6de leerjaar · De leerlingen weten dat bijna elke voedselketen start onder invloed van de energie van de zon.

Samen te bekijken (together)

  • 3.2.GL5.1 5de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip: het voedselweb.
  • 3.2.GL5.4 5de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden waarom organismen elkaar en hun omgeving nodig hebben om te overleven.
  • 3.2.GL5.7 5de leerjaar · De leerlingen kennen de opbouw van een voedselweb.

Verplicht samen (mandatoryTogether)

  • 3.2.GL5.6 5de leerjaar · De leerlingen kunnen voedselketens interpreteren.