Op.stap-doel · 5de leerjaar (G)
3.2.GL5.6
De leerlingen kunnen voedselketens interpreteren.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen leren voedselketens niet alleen opnoemen, maar ook begrijpen en verklaren. Ze lezen een voedselketen als een reeks voedselrelaties: welk organisme wordt door welk ander organisme gegeten? Daarna denken ze na over wat er gebeurt wanneer één schakel verandert, vermindert of wegvalt. Zo ontdekken leerlingen dat organismen in een voedselketen van elkaar afhankelijk zijn.
Dit doel bouwt verder op het vorige doel waarbij leerlingen voedselketens kunnen opnoemen. Nu verschuift de focus naar redeneren: wat betekent de voedselketen, welke rol heeft elk organisme, en wat zijn mogelijke gevolgen van een verandering? De leraar kan vertrekken vanuit gekende biotopen zoals grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap of zoet water.
Voorbeelden:
Dit doel bouwt verder op het vorige doel waarbij leerlingen voedselketens kunnen opnoemen. Nu verschuift de focus naar redeneren: wat betekent de voedselketen, welke rol heeft elk organisme, en wat zijn mogelijke gevolgen van een verandering? De leraar kan vertrekken vanuit gekende biotopen zoals grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap of zoet water.
Voorbeelden:
- De leerling interpreteert de voedselketen gras → konijn → vos en legt uit: het gras wordt gegeten door het konijn, en het konijn kan gegeten worden door de vos. Als er minder konijnen zijn, vinden vossen mogelijk minder voedsel.
- De leerling interpreteert de voedselketen blad → rups → mees → sperwer en verwoordt dat minder rupsen gevolgen kunnen hebben voor vogels die rupsen eten.
- De leerling interpreteert de voedselketen waterplant → insectenlarve → vis → reiger en legt uit dat veranderingen in waterplanten gevolgen kunnen hebben voor kleine waterdieren, vissen en vogels.
- De leerling bekijkt een voedselketen en duidt aan welke organismen producent of consument zijn. Gras, bladeren of waterplanten staan aan het begin; dieren die planten of andere dieren eten volgen daarna.
- De leerling legt uit dat een voedselketen moet passen bij een biotoop. Waterplant → insectenlarve → vis past bij zoet water, terwijl gras → konijn → vos beter past bij grasland of bosrand.
- De leerling redeneert over een verandering: als er door droogte minder gras groeit, hebben konijnen minder voedsel en kan dat ook gevolgen hebben voor vossen.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.2.6 zesde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.2.GL4.6 4de leerjaar · De leerlingen kennen de rol van organismen in de voedselkringloop: producenten, consumenten, reducenten.
- 3.2.GL4.7 4de leerjaar · De leerlingen kunnen de voedselpiramide beschrijven door aan te tonen hoe dieren zich voeden met dieren en/of planten.
Volgt na (after)
- 3.2.GL6.7 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden aan de hand van voorbeelden waarom biodiversiteit essentieel is voor het leven op aarde.
- 3.2.GL6.20 6de leerjaar · De leerlingen weten dat bijna elke voedselketen start onder invloed van de energie van de zon.
Samen te bekijken (together)
- 3.2.GL5.4 5de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden waarom organismen elkaar en hun omgeving nodig hebben om te overleven.
- 3.2.GL5.7 5de leerjaar · De leerlingen kennen de opbouw van een voedselweb.