Op.stap-doel · 5de leerjaar (G)
3.2.GL5.3
De leerlingen kunnen een voedselketen opbouwen binnen de gekende biotopen.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen bouwen verder op hun voorkennis uit de vorige leerjaren. Ze weten al dat organismen leven in een biotoop, dat er biotische factoren en abiotische factoren zijn, en dat organismen op verschillende manieren met elkaar en met hun omgeving verbonden zijn. In het vierde leerjaar kwamen begrippen zoals voedselketen, voedselkringloop, voedselpiramide, producenten, consumenten en reducenten aan bod; ook leerden leerlingen voorbeelden geven van relaties tussen organismen onderling en hun omgeving.
In het vijfde leerjaar zetten leerlingen een stap verder: ze gebruiken hun kennis over de gekende biotopen — grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap en zoet water — om binnen zo’n biotoop een voedselketen op te bouwen. Ze leren dat een voedselketen meestal start bij een plant of ander organisme dat voedsel/energie levert aan andere organismen. Daarna volgen dieren die planten eten en dieren die andere dieren eten. De nadruk ligt op het correct ordenen van organismen en het verwoorden van de voedselrelatie: wie wordt door wie gegeten?
Belangrijk is dat leerlingen voedselketens niet los zien van de biotoop. Een voedselketen moet passen bij de omgeving waarin de organismen leven. Een voedselketen met waterplanten, larven, vissen en een reiger past bijvoorbeeld bij zoet water, terwijl een voedselketen met gras, sprinkhaan, hagedis en roofvogel beter kan passen bij grasland of heide. Daarbij kunnen leerlingen linken leggen met wat ze in het vijfde leerjaar leren over reptielen en zaadplanten. Zaadplanten kunnen een belangrijke start vormen in voedselketens, terwijl sommige reptielen, zoals hagedissen, een plaats kunnen innemen als consument die bijvoorbeeld insecten eet.
Voorbeelden:
In het vijfde leerjaar zetten leerlingen een stap verder: ze gebruiken hun kennis over de gekende biotopen — grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap en zoet water — om binnen zo’n biotoop een voedselketen op te bouwen. Ze leren dat een voedselketen meestal start bij een plant of ander organisme dat voedsel/energie levert aan andere organismen. Daarna volgen dieren die planten eten en dieren die andere dieren eten. De nadruk ligt op het correct ordenen van organismen en het verwoorden van de voedselrelatie: wie wordt door wie gegeten?
Belangrijk is dat leerlingen voedselketens niet los zien van de biotoop. Een voedselketen moet passen bij de omgeving waarin de organismen leven. Een voedselketen met waterplanten, larven, vissen en een reiger past bijvoorbeeld bij zoet water, terwijl een voedselketen met gras, sprinkhaan, hagedis en roofvogel beter kan passen bij grasland of heide. Daarbij kunnen leerlingen linken leggen met wat ze in het vijfde leerjaar leren over reptielen en zaadplanten. Zaadplanten kunnen een belangrijke start vormen in voedselketens, terwijl sommige reptielen, zoals hagedissen, een plaats kunnen innemen als consument die bijvoorbeeld insecten eet.
Voorbeelden:
- De leerling bouwt een voedselketen in een grasland: gras → sprinkhaan → hagedis → roofvogel. De leerling verwoordt dat het gras gegeten wordt door de sprinkhaan, dat de hagedis de sprinkhaan eet en dat de roofvogel de hagedis kan vangen.
- De leerling bouwt een voedselketen in een bos: blad van een boom → rups → mees → sperwer. De leerling legt uit dat de rups bladeren eet, dat de mees rupsen eet en dat de sperwer kleine vogels kan vangen.
- De leerling bouwt een voedselketen bij zoet water: waterplant → larve van een insect → vis → reiger. De leerling benoemt dat organismen in deze voedselketen afhankelijk zijn van de waterbiotoop.
- De leerling bouwt een voedselketen in een heidegebied: heideplant → insect → hagedis → slang of roofvogel. Hierbij kan de link gelegd worden met reptielen en met abiotische factoren zoals open ruimte, zon en droge bodem.
- De leerling bouwt een voedselketen in een agrarisch landschap: graanplant → muis → uil. De leerling legt uit dat een zaadplant of landbouwgewas de start kan vormen van een voedselketen in een landbouwomgeving.
- De leerling controleert of een voedselketen past bij de biotoop. Bijvoorbeeld: zeewier → garnaal → vis → meeuw past bij zee en kust, maar niet bij een bosbiotoop.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.2.6 zesde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.2.GL4.4 4de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren minimaal vijf van de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, landbouwlandschap, zoet water.
Volgt na (after)
- 3.2.GL6.3 6de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
- 3.2.GL6.4 6de leerjaar · De leerlingen kennen diensten die het ecosysteem levert aan de mens.
- 3.2.GL6.6 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden dat omgevingen kunnen veranderen door natuurlijke of menselijke oorzaken.
- 3.2.GL6.7 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden aan de hand van voorbeelden waarom biodiversiteit essentieel is voor het leven op aarde.
- 3.2.GL6.20 6de leerjaar · De leerlingen weten dat bijna elke voedselketen start onder invloed van de energie van de zon.
Samen te bekijken (together)
- 3.2.GL5.4 5de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden waarom organismen elkaar en hun omgeving nodig hebben om te overleven.