Op.stap-doel · 6de leerjaar (G)
3.2.GL6.4
De leerlingen kennen diensten die het ecosysteem levert aan de mens.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen leren dat ecosystemen belangrijk zijn voor mensen omdat ze allerlei diensten leveren die het leven mogelijk maken of ondersteunen. Ze ontdekken dat organismen en hun omgeving niet alleen voor elkaar van belang zijn, maar ook voor de mens. Bomen, planten, bodem, water, insecten, schimmels en bacteriën spelen samen een rol in processen zoals luchtzuivering, waterfiltering, bestuiving, voedselproductie, bodemvorming en natuurlijke bestrijding van plagen. De leraar helpt leerlingen om deze diensten te verbinden met de gekende biotopen, zoals bos, grasland, agrarisch landschap, stadslandschap, zoet water en zee en kust.
Belangrijk is dat leerlingen begrijpen waarom die ecosysteemdiensten waardevol zijn. Zo leveren bomen zuurstof en dragen ze bij aan zuivere lucht; bodem en planten helpen water filteren; bijen en andere insecten zorgen voor bestuiving van bloemen en gewassen; en sommige insecten helpen plagen beperken, bijvoorbeeld door bladluizen of rupsen te bestrijden. Dit doel bouwt verder op hun kennis over voedselketens, voedselwebben, biodiversiteit, biotische en abiotische factoren en de onderlinge afhankelijkheid van organismen. In de beginsituatie naar de eerste graad wordt ook expliciet vermeld dat leerlingen ecosysteemdiensten voor de mens kennen en weten dat mensen een positieve en negatieve invloed op ecosystemen kunnen uitoefenen.
Voorbeelden:
Belangrijk is dat leerlingen begrijpen waarom die ecosysteemdiensten waardevol zijn. Zo leveren bomen zuurstof en dragen ze bij aan zuivere lucht; bodem en planten helpen water filteren; bijen en andere insecten zorgen voor bestuiving van bloemen en gewassen; en sommige insecten helpen plagen beperken, bijvoorbeeld door bladluizen of rupsen te bestrijden. Dit doel bouwt verder op hun kennis over voedselketens, voedselwebben, biodiversiteit, biotische en abiotische factoren en de onderlinge afhankelijkheid van organismen. In de beginsituatie naar de eerste graad wordt ook expliciet vermeld dat leerlingen ecosysteemdiensten voor de mens kennen en weten dat mensen een positieve en negatieve invloed op ecosystemen kunnen uitoefenen.
Voorbeelden:
- De leerling legt uit dat bomen de lucht helpen zuiveren. Bomen nemen stoffen op uit de lucht, zorgen voor zuurstof en bieden tegelijk leefplaats en voedsel aan allerlei organismen, zoals vogels, insecten, schimmels en mossen.
- De leerling beschrijft dat bodem en planten water kunnen filteren. Wanneer water door de bodem en tussen plantenwortels stroomt, kunnen bepaalde stoffen worden vastgehouden of afgebroken. Zo helpt een gezonde bodem mee om water zuiverder te maken.
- De leerling legt uit dat bijen en andere insecten bloemen en gewassen bestuiven. Daardoor kunnen veel zaadplanten vruchten en zaden vormen. Dit is belangrijk voor de voortplanting van planten én voor voedselproductie voor mensen.
- De leerling geeft een voorbeeld van biologische bestrijding: een lieveheersbeestje eet bladluizen, waardoor planten minder schade ondervinden. Zo kan een organisme helpen om een plaag op een natuurlijke manier te beperken.
- De leerling legt uit dat een sluipwesp gebruikt kan worden om bepaalde plaaginsecten te bestrijden, bijvoorbeeld bladluizen of rupsen. Zo kan biologische bestrijding helpen om gewassen te beschermen zonder meteen chemische bestrijdingsmiddelen te gebruiken.
- De leerling verbindt ecosysteemdiensten met een biotoop: in een bos zorgen bomen voor luchtzuivering en beschutting; in een agrarisch landschap helpen bestuivers bij de vorming van vruchten en zaden; in of rond zoet water kunnen planten en bodem bijdragen aan filtering van water.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.2.3 zesde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.2.GL5.4 5de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden waarom organismen elkaar en hun omgeving nodig hebben om te overleven.
- 3.2.GL5.7 5de leerjaar · De leerlingen kennen de opbouw van een voedselweb.
- 3.2.GL5.3 5de leerjaar · De leerlingen kunnen een voedselketen opbouwen binnen de gekende biotopen.
- 3.1.GL5.8 5de leerjaar · De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.
- 3.1.GL3.4 3de leerjaar · De leerlingen kunnen schimmels beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
Samen te bekijken (together)
- 3.2.GL6.5 6de leerjaar · De leerlingen weten dat mensen een positieve en negatieve impact kunnen hebben op het ecosysteem.
- 3.2.GL6.6 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden dat omgevingen kunnen veranderen door natuurlijke of menselijke oorzaken.
- 3.1.GL6.6 6de leerjaar · De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.
- 3.2.GL6.7 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden aan de hand van voorbeelden waarom biodiversiteit essentieel is voor het leven op aarde.
- 3.1.GL6.10 6de leerjaar · De leerlingen kunnen bacteriën beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.
Verplicht samen (mandatoryTogether)
- 3.2.GL6.2 6de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: het grasland, het bos, de heide, de zee en de kust, het stadslandschap, het agrarisch landschap, het zoet water, het ecosysteem.