Op.stap-doel · 6de leerjaar (G)

3.2.GL6.5

De leerlingen weten dat mensen een positieve en negatieve impact kunnen hebben op het ecosysteem.

Discipline
Wetenschap en techniek
Domein
Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop
Subdomein
Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving
Cluster
Relatie tussen organismen en hun omgeving
Route
Gemeenschappelijke doelen (G)
Fase
6de leerjaar
Bron
Op.stap 1.3, momentopname 2 oktober 2026. Oorspronkelijke sleutel 18a36a5f-d120-4033-8d13-5edde77ae297

Toelichting uit de bron

Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.

De leerlingen leren dat mensen ecosystemen kunnen ondersteunen of verstoren. Ze ontdekken dat menselijke keuzes gevolgen hebben voor organismen, biotopen, voedselketens, biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Een positieve impact betekent dat mensen bijdragen aan gezonde leefomgevingen, meer biodiversiteit, zuivere lucht, betere waterhuishouding of minder afval. Een negatieve impact betekent dat menselijke activiteiten ecosystemen onder druk zetten, bijvoorbeeld door vervuiling, verlies aan leefgebied, klimaatverandering of het gebruik van schadelijke stoffen.
De leraar helpt leerlingen om niet alleen voorbeelden op te sommen, maar ook te verwoorden waarom iets positief of negatief is voor een ecosysteem. Zo maken leerlingen de verbinding met eerdere doelen rond biotopen, biotische en abiotische factoren, ecosysteemdiensten, voedselwebben, biodiversiteit, sporenplanten, bacteriën, schimmels, fauna en flora. 
Voorbeelden:
  • Groene daken hebben een positieve impact omdat ze extra leefruimte kunnen bieden aan planten, insecten en andere kleine organismen. Ze kunnen ook bijdragen aan verkoeling en wateropvang in een stadslandschap.
  • Groene speelplaatsen hebben een positieve impact omdat ze meer ruimte bieden aan bomen, struiken, gras, bloemen en dieren. Zo wordt de speelplaats ook een kleine leefomgeving waarin leerlingen biodiversiteit kunnen waarnemen.
  • Natuurgebieden beschermen heeft een positieve impact omdat organismen daar een veilige leefplaats vinden en voedselrelaties, voortplanting en schuilmogelijkheden behouden blijven.
  • Bomen planten heeft een positieve impact omdat bomen leefplaatsen bieden, schaduw geven, bijdragen aan luchtkwaliteit en voedsel of beschutting kunnen bieden aan dieren.
  • Recycleren en afval vermijden heeft een positieve impact omdat er minder afval in de natuur terechtkomt en minder grondstoffen nodig zijn. Dat helpt om ecosystemen minder te belasten.
  • Groene energie heeft een positieve impact wanneer ze helpt om het gebruik van fossiele brandstoffen te verminderen en zo de druk op ecosystemen en klimaat te verkleinen.
  • Plasticsoep heeft een negatieve impact omdat plastic in zee en wateromgevingen terechtkomt en schadelijk kan zijn voor dieren en andere organismen.
  • Bomen kappen heeft een negatieve impact omdat organismen hun leefplaats, voedselbron of schuilplaats kunnen verliezen. Het kan ook invloed hebben op bodem, waterhuishouding en biodiversiteit.
  • Fossiele brandstoffen gebruiken heeft een negatieve impact omdat dit bijdraagt aan de opwarming van de aarde, waardoor leefomgevingen kunnen veranderen en organismen onder druk kunnen komen te staan.
  • Pesticiden gebruiken heeft een negatieve impact wanneer ze niet alleen plaagorganismen treffen, maar ook nuttige organismen zoals bestuivers, bodemorganismen of natuurlijke vijanden van plagen kunnen schaden.

Kennis in de encyclopedie

Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.

Minimumdoelen

  • 3.2.4 zesde leerjaarDe leerlingen weten dat mensen een positieve en negatieve impact kunnen hebben op het ecosysteem.Koppeling aangeleverd door de Op.stap-export (/agodi/onderwijsdoelen/opstap/92801); geen onafhankelijk gecontroleerde equivalentie.

Samenhang volgens de bron

Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.

Gaat vooraf (before)

  • 3.2.GL5.4 5de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden waarom organismen elkaar en hun omgeving nodig hebben om te overleven.
  • 3.2.GL4.8 4de leerjaar · De leerlingen kennen de betekenis van de stappen binnen de ladder van Lansink: preventie, hergebruik, sorteren, recycleren, verbranden, storten.
  • 3.2.GL4.9 4de leerjaar · De leerlingen kunnen beschrijven waarom afval sorteren, recycleren en hergebruiken belangrijk is voor een duurzame samenleving.

Samen te bekijken (together)

  • 3.2.GL6.6 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden dat omgevingen kunnen veranderen door natuurlijke of menselijke oorzaken.
  • 3.2.GL6.3 6de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
  • 3.2.GL6.7 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden aan de hand van voorbeelden waarom biodiversiteit essentieel is voor het leven op aarde.
  • 3.2.GL6.4 6de leerjaar · De leerlingen kennen diensten die het ecosysteem levert aan de mens.

Verplicht samen (mandatoryTogether)

  • 3.2.GL6.2 6de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: het grasland, het bos, de heide, de zee en de kust, het stadslandschap, het agrarisch landschap, het zoet water, het ecosysteem.