Op.stap-doel · 6de leerjaar (G)
3.2.GL6.6
De leerlingen kunnen verwoorden dat omgevingen kunnen veranderen door natuurlijke of menselijke oorzaken.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen leren dat een omgeving of ecosysteem niet altijd hetzelfde blijft. Veranderingen kunnen ontstaan door natuurlijke oorzaken, zoals seizoenen, overstromingen, stormen, bosbranden door blikseminslag of vulkaanuitbarstingen. Ze kunnen ook ontstaan door menselijke oorzaken, zoals ontbossing, te veel verharding, klimaatverandering door broeikasgassen of het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw. De leraar helpt leerlingen om niet alleen voorbeelden te benoemen, maar ook te verwoorden welk gevolg zo’n verandering kan hebben voor organismen, biotopen, voedselketens, biodiversiteit en ecosysteemdiensten.
Voorbeelden:
Voorbeelden:
- De leerling legt uit dat seizoenen een natuurlijke verandering veroorzaken: in de herfst verliezen sommige bomen hun bladeren, in de winter is er minder voedsel voor bepaalde dieren en in de lente beginnen planten opnieuw te groeien.
- De leerling beschrijft dat een overstroming een omgeving sterk kan veranderen: oevers kunnen verdwijnen, planten kunnen beschadigd raken en dieren moeten soms een andere leefplaats zoeken.
- De leerling verwoordt dat een tyfoon of hevige storm bomen kan beschadigen, nesten kan vernielen of een kust- of bosomgeving tijdelijk kan veranderen.
- De leerling legt uit dat een bosbrand door blikseminslag een natuurlijke oorzaak kan zijn waardoor planten en dieren verdwijnen, maar dat er later ook opnieuw groei kan ontstaan.
- De leerling beschrijft dat een vulkaanuitbarsting een landschap plots kan veranderen door lava, as en warmte, waardoor organismen in die omgeving verdwijnen of zich later opnieuw moeten vestigen.
- De leerling legt uit dat ontbossing een menselijke oorzaak is waardoor dieren hun leefplaats, voedselbron of schuilplaats kunnen verliezen.
- De leerling beschrijft dat te veel verharding ervoor kan zorgen dat regenwater minder goed in de bodem trekt, waardoor planten minder groeiruimte krijgen en dieren minder leefgebied vinden.
- De leerling legt uit dat klimaatverandering door broeikasgassen omgevingen kan veranderen, bijvoorbeeld doordat temperatuur, neerslag of droogte veranderen. Daardoor kunnen sommige organismen het moeilijker krijgen in hun biotoop.
- De leerling verwoordt dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw invloed kan hebben op meer organismen dan alleen de plaagsoorten, bijvoorbeeld op insecten, bodemorganismen of dieren die van die organismen afhankelijk zijn.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.2.7 zesde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.2.GL5.2 5de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
- 3.2.GL5.3 5de leerjaar · De leerlingen kunnen een voedselketen opbouwen binnen de gekende biotopen.
- 3.2.GL5.4 5de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden waarom organismen elkaar en hun omgeving nodig hebben om te overleven.
Samen te bekijken (together)
- 3.2.GL6.5 6de leerjaar · De leerlingen weten dat mensen een positieve en negatieve impact kunnen hebben op het ecosysteem.
- 3.1.GL6.12 6de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen: de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten, de sporenplanten; de schimmels; de bacteriën.
- 3.2.GL6.3 6de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
- 3.2.GL6.7 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden aan de hand van voorbeelden waarom biodiversiteit essentieel is voor het leven op aarde.
- 3.2.GL6.1 6de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip: de biodiversiteit.
- 3.2.GL6.4 6de leerjaar · De leerlingen kennen diensten die het ecosysteem levert aan de mens.