Op.stap-doel · 6de leerjaar (G)

3.2.GL6.1

De leerlingen kennen het volgende begrip: de biodiversiteit.

Discipline
Wetenschap en techniek
Domein
Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop
Subdomein
Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving
Cluster
Begrippen
Route
Gemeenschappelijke doelen (G)
Fase
6de leerjaar
Bron
Op.stap 1.3, momentopname 2 oktober 2026. Oorspronkelijke sleutel a9a963b5-c9af-46b1-8624-f7a1a47b5c3c

Toelichting uit de bron

Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.

De leerlingen leren dat biodiversiteit verwijst naar de verscheidenheid aan leven. Het gaat om de verschillen tussen planten, dieren, schimmels, bacteriën en andere organismen binnen een bepaalde omgeving. Bij dit begrippendoel ligt de nadruk op het kennen en begrijpen van het woord: leerlingen moeten biodiversiteit kunnen verbinden met concrete voorbeelden van veel of weinig verschillende organismen in een biotoop. Voorbeelden:
  • De leerling herkent dat een bloemenweide met verschillende soorten bloemen, insecten, vogels en bodemdieren een grotere biodiversiteit heeft dan een kort gemaaid grasveld met weinig soorten.
  • De leerling legt uit dat een bos met verschillende bomen, struiken, paddenstoelen, insecten, vogels en zoogdieren veel biodiversiteit kan bevatten.
  • De leerling vergelijkt twee omgevingen: in een omgeving met veel verschillende organismen is de biodiversiteit groter dan in een omgeving waar bijna maar één soort voorkomt.
  • De leerling gebruikt het begrip in een zin: “In deze biotoop is veel biodiversiteit, omdat er veel verschillende soorten planten en dieren leven.”
  • De leerling koppelt biodiversiteit aan voedselrelaties: wanneer er veel verschillende organismen zijn, kunnen er ook verschillende voedselketens en voedselwebben ontstaan.
  • De leerling ziet dat biodiversiteit niet alleen over dieren gaat, maar ook over planten, schimmels, bacteriën en andere organismen.

Kennis in de encyclopedie

Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.

Minimumdoelen

  • 3.2.1 zesde leerjaarDe leerlingen kennen de volgende begrippen: de biodiversiteit, het voedselweb, het grasland, het bos, de heide, de zee en de kust, het stadslandschap, het agrarisch landschap, het zoet water, het ecosysteem.Koppeling aangeleverd door de Op.stap-export (/agodi/onderwijsdoelen/opstap/92797); geen onafhankelijk gecontroleerde equivalentie.

Samenhang volgens de bron

Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.

Gaat vooraf (before)

  • 3.2.GL5.7 5de leerjaar · De leerlingen kennen de opbouw van een voedselweb.
  • 3.2.GL5.1 5de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip: het voedselweb.

Samen te bekijken (together)

  • 3.2.GL6.2 6de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: het grasland, het bos, de heide, de zee en de kust, het stadslandschap, het agrarisch landschap, het zoet water, het ecosysteem.
  • 3.1.GL6.12 6de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen: de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten, de sporenplanten; de schimmels; de bacteriën.
  • 3.2.GL6.6 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden dat omgevingen kunnen veranderen door natuurlijke of menselijke oorzaken.
  • 3.2.GL6.3 6de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
  • 3.2.GL6.7 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden aan de hand van voorbeelden waarom biodiversiteit essentieel is voor het leven op aarde.