Op.stap-doel · 5de leerjaar (G)
3.2.GL5.2
De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen leren de verschillende biotopen herkennen en vergelijken door systematisch te kijken naar biotische factoren en abiotische factoren. Biotische factoren zijn alle levende elementen in een omgeving, zoals planten, dieren, schimmels en andere organismen. Abiotische factoren zijn niet-levende kenmerken van de omgeving, zoals water, bodem, licht, temperatuur, wind, zand, zoutgehalte, vochtigheid en beschutting. In het vijfde leerjaar leren ze de volledige reeks onderscheiden: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap en zoet water.
Omdat leerlingen in het vijfde leerjaar ook leren over reptielen en zaadplanten, is het zinvol om deze organismengroepen expliciet te verbinden met de verschillende biotopen. Reptielen kunnen bijvoorbeeld voorkomen in warme, droge of beschutte omgevingen, zoals heide, grasland, bosranden of duinen. Zaadplanten komen in vrijwel elke biotoop voor, maar de soorten en hun bouw kunnen verschillen naargelang de omstandigheden: denk aan grassen in grasland, bomen in bossen, helmgras aan de kust, waterplanten bij zoet water of gewassen in agrarisch landschap. Zo leren leerlingen dat organismen verbonden zijn met kenmerken van hun leefomgeving.
Ook hier blijft omgevingsleren belangrijk. De school kan biotopen kiezen of verdiepen in functie van de eigen ligging en geplande extra-murosactiviteiten. Een school kan bijvoorbeeld werken met een nabijgelegen park, bos, landbouwgebied, vijver, beek, heidegebied of kustuitstap.
Voorbeelden:
Omdat leerlingen in het vijfde leerjaar ook leren over reptielen en zaadplanten, is het zinvol om deze organismengroepen expliciet te verbinden met de verschillende biotopen. Reptielen kunnen bijvoorbeeld voorkomen in warme, droge of beschutte omgevingen, zoals heide, grasland, bosranden of duinen. Zaadplanten komen in vrijwel elke biotoop voor, maar de soorten en hun bouw kunnen verschillen naargelang de omstandigheden: denk aan grassen in grasland, bomen in bossen, helmgras aan de kust, waterplanten bij zoet water of gewassen in agrarisch landschap. Zo leren leerlingen dat organismen verbonden zijn met kenmerken van hun leefomgeving.
Ook hier blijft omgevingsleren belangrijk. De school kan biotopen kiezen of verdiepen in functie van de eigen ligging en geplande extra-murosactiviteiten. Een school kan bijvoorbeeld werken met een nabijgelegen park, bos, landbouwgebied, vijver, beek, heidegebied of kustuitstap.
Voorbeelden:
- De leerling herkent heide aan biotische factoren zoals heidestruiken, grassen, insecten, spinnen, vogels en mogelijk reptielen zoals hagedissen, en aan abiotische factoren zoals droge, zandige of voedselarme bodem, veel licht en open ruimte. Hierbij kan de link gelegd worden met reptielen: sommige reptielen hebben warme, zonnige plekken nodig om actief te worden.
- De leerling herkent zee en kust aan biotische factoren zoals helmgras, zeewier, schelpen, krabben, meeuwen en andere kustorganismen, en aan abiotische factoren zoals zout water, zand, wind, golven en duinen. De leerling kan hierbij benoemen dat sommige zaadplanten, zoals helmgras, aangepast zijn aan een zanderige en winderige omgeving.
- De leerling herkent zoet water aan biotische factoren zoals waterplanten, riet, vissen, kikkers, libellen, eenden en andere watergebonden organismen, en aan abiotische factoren zoals zoet water, modder, oevers, vochtigheid en waterdiepte. De leerling vergelijkt dit met zee en kust door het verschil tussen zoet en zout water te benoemen.
- De leerling herkent een agrarisch landschap aan biotische factoren zoals gewassen, graslanden, landbouwdieren, insecten, bodemorganismen en zaadplanten zoals graan, maïs of groenten, en aan abiotische factoren zoals akkers, weiden, bodem, licht, water en menselijke ingrepen.
- De leerling vergelijkt bos, grasland en stadslandschap: in een bos vallen bomen, struiken, schaduw, vochtige bodem en dieren zoals vogels of kleine zoogdieren op; in grasland overheersen grassen, bloemen, insecten en open ruimte; in een stadslandschap zien leerlingen gebouwen, wegen, straatbomen, tuinen, duiven, insecten en planten die zich aan de stad aanpassen.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.2.5 zesde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.2.GL4.4 4de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren minimaal vijf van de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, landbouwlandschap, zoet water.
- 3.2.GL4.5 4de leerjaar · De leerlingen kunnen voorbeelden geven van relaties tussen organismen onderling en hun omgeving.
Volgt na (after)
- 3.2.GL6.3 6de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
- 3.2.GL6.6 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden dat omgevingen kunnen veranderen door natuurlijke of menselijke oorzaken.
- 3.2.GL6.7 6de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden aan de hand van voorbeelden waarom biodiversiteit essentieel is voor het leven op aarde.
- 3.2.GL6.2 6de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: het grasland, het bos, de heide, de zee en de kust, het stadslandschap, het agrarisch landschap, het zoet water, het ecosysteem.
Samen te bekijken (together)
- 3.2.GL5.1 5de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip: het voedselweb.
- 3.1.GL5.3 5de leerjaar · De leerlingen kunnen reptielen beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL5.6 5de leerjaar · De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL5.9 5de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen, de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten; de schimmels.
Verplicht samen (mandatoryTogether)
- 3.2.GL5.3 5de leerjaar · De leerlingen kunnen een voedselketen opbouwen binnen de gekende biotopen.