Op.stap-doel · 5de leerjaar (G)
3.1.GL5.9
De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen, de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten; de schimmels.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen bouwen een overzicht op van de classificatie van organismen. Ze leren organismen ordenen in grote groepen en subgroepen op basis van herkenbare kenmerken zoals bouw, voortplantingswijze, voedingswijze en aanpassing aan de leefomgeving. Daarbij onderscheiden ze fauna, flora en schimmels. Binnen de fauna leren ze het verschil kennen tussen gewervelde dieren, die een inwendig skelet met wervelkolom hebben, en ongewervelde dieren, die geen wervelkolom hebben. Ze herkennen binnen de gewervelden de groepen zoogdieren, vogels, reptielen, amfibieën en vissen. Binnen de ongewervelden maken ze kennis met geleedpotigen, waaronder insecten en spinachtigen, en met andere ongewervelden. Binnen de flora herkennen ze de zaadplanten als planten die zich voortplanten via zaden. Schimmels worden als aparte groep benoemd, omdat ze niet tot de dieren of de planten behoren.
Voorbeelden:
Voorbeelden:
- De leerling ordent een hond, merel, kikker, hagedis en forel bij de fauna en herkent ze als gewervelde dieren.
- De leerling legt uit dat zoogdieren, zoals een hond, kat, koe of mens, tot de gewervelden behoren en meestal haren hebben en hun jongen voeden met melk.
- De leerling herkent vogels, zoals een merel, kip of duif, aan veren, vleugels en een snavel.
- De leerling plaatst reptielen, zoals een slang, hagedis of schildpad, bij de gewervelden en beschrijft dat ze vaak een droge, geschubde huid hebben.
- De leerling herkent amfibieën, zoals een kikker of salamander, als dieren die vaak een levensfase in het water en een levensfase op het land hebben.
- De leerling plaatst vissen, zoals een goudvis, forel of haai, bij de gewervelden en beschrijft dat ze in het water leven en kieuwen hebben.
- De leerling herkent insecten, zoals een bij, vlinder, mier of kever, als geleedpotigen met zes poten.
- De leerling herkent spinachtigen, zoals spinnen, teken of schorpioenen, als geleedpotigen met acht poten.
- De leerling geeft voorbeelden van andere ongewervelden, zoals een regenworm, slak, kwal of zeester.
- De leerling plaatst een zonnebloem, appelboom, boon of gras bij de flora en herkent deze als zaadplanten.
- De leerling herkent schimmels, zoals paddenstoelen, gist of broodschimmel, als aparte groep organismen.
- De leerling gebruikt een eenvoudige classificatiesleutel of determinatietabel om organismen stapsgewijs in de juiste groep te plaatsen.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.1.2 zesde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.1.GL4.3 4de leerjaar · De leerlingen kunnen amfibieën beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL4.4 4de leerjaar · De leerlingen kunnen amfibieën beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
- 3.1.GL4.5 4de leerjaar · De leerlingen kunnen flora beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL4.6 4de leerjaar · De leerlingen kunnen flora beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
- 3.1.GL4.7 4de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de insecten, de spinachtigen; de flora; de schimmels.
- 3.2.GL4.10 4de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: koudbloedig, warmbloedig.
Volgt na (after)
- 3.1.GL6.11 6de leerjaar · De leerlingen kunnen organismen classificeren op basis van kenmerken: bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.
- 3.1.GL6.12 6de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen: de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten, de sporenplanten; de schimmels; de bacteriën.
- 3.1.GL6.4 6de leerjaar · De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL6.5 6de leerjaar · De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
- 3.1.GL6.6 6de leerjaar · De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.
- 3.1.GL6.7 6de leerjaar · De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van voortplantingswijze: ongeslachtelijke voortplanting.
- 3.1.GL6.8 6de leerjaar · De leerlingen kunnen bacteriën beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL6.9 6de leerjaar · De leerlingen kunnen bacteriën beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
- 3.1.GL6.10 6de leerjaar · De leerlingen kunnen bacteriën beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.
- 3.1.GL6.3 6de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de classificatie van organismen: het classificeren, de taxonomie.
- 3.2.GL6.8 6de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: de stek, de bol, de knol, de wortelstok, de uitloper.
Samen te bekijken (together)
- 2.4.GL5.39 Wiskunde De leerlingen kennen het begrip: als … dan … [F]. (buiten de selectie van Kennisatlas)
- 3.1.GL5.2 5de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip: de zaadplanten.
- 3.1.GL5.1 5de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de classificatie van organismen: de reptielen, de geleedpotigen.
- 3.2.GL5.8 5de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de meeldraden, het vruchtbeginsel.
- 2.4.GL5.41 Wiskunde De leerlingen kunnen uitdrukkingen met logische begrippen gebruiken in concrete situaties. (buiten de selectie van Kennisatlas)
- 3.2.GL5.9 5de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip: de schubben.
- 3.1.GL5.14 5de leerjaar · De leerlingen kennen de levenscyclus van reptielen.
- 3.1.GL5.3 5de leerjaar · De leerlingen kunnen reptielen beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL5.6 5de leerjaar · De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 2.4.GL5.43 Wiskunde De leerlingen kunnen classificeren volgens meerdere criteria. (buiten de selectie van Kennisatlas)
- 3.2.GL5.2 5de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
- 3.1.GL5.7 5de leerjaar · De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van voortplantingswijze: geslachtelijke voortplanting.