Op.stap-doel · 6de leerjaar (G)

3.1.GL6.5

De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.

Discipline
Wetenschap en techniek
Domein
Organismen
Subdomein
Classificatie van organismen
Route
Gemeenschappelijke doelen (G)
Fase
6de leerjaar
Bron
Op.stap 1.3, momentopname 2 oktober 2026. Oorspronkelijke sleutel fe311918-3ac9-40ea-92be-c91e566a2981

Toelichting uit de bron

Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.

De leerlingen onderzoeken hoe sporenplanten zich voortplanten. Ze leren dat sporenplanten geen bloemen, vruchten of zaden vormen, maar zich voortplanten met sporen. Bij varens kunnen de sporen bijvoorbeeld ontstaan in kleine sporenhoopjes aan de onderkant van de bladeren. Bij mossen kunnen sporen gevormd worden in sporendoosjes. De leraar stimuleert leerlingen om sporenplanten te vergelijken met zaadplanten: zaadplanten planten zich voort via bloemen, bestuiving, bevruchting, vruchten en zaden, terwijl sporenplanten nieuwe planten kunnen vormen uit sporen. Daarbij ontdekken leerlingen dat sporen heel klein zijn en zich kunnen verspreiden via bijvoorbeeld wind, water of dieren.
Voorbeelden:
  • De leerling beschrijft dat een varen zich niet voortplant met bloemen of zaden, maar met sporen.
  • De leerling merkt op dat er aan de onderkant van varenbladeren kleine bruine of donkere hoopjes kunnen zitten waarin sporen gevormd worden.
  • De leerling legt uit dat sporen zich kunnen verspreiden en op een geschikte plaats kunnen uitgroeien tot een nieuwe plant.
  • De leerling vergelijkt een varen met een bloeiende zaadplant en verwoordt dat een zaadplant zaden vormt, terwijl een varen sporen vormt.
  • De leerling beschrijft dat mossen zich ook met sporen kunnen voortplanten.
  • De leerling herkent bij mos kleine steeltjes met sporendoosjes waarin sporen kunnen zitten.
  • De leerling legt uit dat sporenplanten vaak groeien op vochtige plaatsen, omdat vocht belangrijk is bij hun voortplanting en groei.
  • De leerling gebruikt voorbeelden zoals varen en mos om uit te leggen wat sporenplanten zijn.
  • De leerling maakt onderscheid tussen voortplanting met zaden bij zaadplanten en voortplanting met sporen bij sporenplanten.
Richtinggevende woordenschat: het sporenkapsel

Kennis in de encyclopedie

Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.

Minimumdoelen

  • 3.1.3 zesde leerjaarDe leerlingen kunnen organismen classificeren op basis van kenmerken: bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.Koppeling aangeleverd door de Op.stap-export (/agodi/onderwijsdoelen/opstap/92788); geen onafhankelijk gecontroleerde equivalentie.

Samenhang volgens de bron

Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.

Gaat vooraf (before)

  • 3.1.GL5.7 5de leerjaar · De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van voortplantingswijze: geslachtelijke voortplanting.
  • 3.1.GL5.9 5de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen, de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten; de schimmels.
  • 3.1.GL5.10 5de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: de voortplanting, de geslachtelijke voortplanting.

Samen te bekijken (together)

  • 3.1.GL6.12 6de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen: de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten, de sporenplanten; de schimmels; de bacteriën.
  • 3.2.GL6.3 6de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
  • 3.1.GL6.6 6de leerjaar · De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.

Verplicht samen (mandatoryTogether)

  • 3.2.GL6.8 6de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: de stek, de bol, de knol, de wortelstok, de uitloper.
  • 3.1.GL6.13 6de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip: de ongeslachtelijke voortplanting.
  • 3.1.GL6.1 6de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot de classificatie van organismen: de sporenplanten.
  • 3.1.GL6.15 6de leerjaar · De leerlingen kennen het proces van geslachtelijke voortplanting bij sporenplanten.