Op.stap-doel · 5de leerjaar (G)

3.1.GL5.7

De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van voortplantingswijze: geslachtelijke voortplanting.

Discipline
Wetenschap en techniek
Domein
Organismen
Subdomein
Classificatie van organismen
Route
Gemeenschappelijke doelen (G)
Fase
5de leerjaar
Bron
Op.stap 1.3, momentopname 2 oktober 2026. Oorspronkelijke sleutel c2f0a61b-389d-400f-a2a2-fef21c580fe0

Toelichting uit de bron

Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.

De leerlingen onderzoeken hoe zaadplanten zich geslachtelijk voortplanten via bloemen, bestuiving, bevruchting, vruchtvorming en zaadverspreiding. Ze leggen daarbij de link met de bouw van de bloem: de meeldraden maken stuifmeel aan, de stamper vangt stuifmeel op en in het vruchtbeginsel bevinden zich de zaadbeginsels. De leraar stimuleert leerlingen om aan de hand van concrete bloemen, vruchten en zaden te verwoorden hoe uit een bloem na bestuiving en bevruchting een vrucht met zaden kan ontstaan. Zo ontdekken leerlingen dat zaden kunnen uitgroeien tot nieuwe zaadplanten.
Voorbeelden: 
  • De leerling beschrijft dat de meeldraden stuifmeel vormen en dat dit stuifmeel op de stamper terecht kan komen.
  • De leerling legt uit dat bestuiving kan gebeuren door insecten, wind of andere dieren die stuifmeel van de ene bloem naar de andere brengen.
  • De leerling herkent dat de stamper het vrouwelijke deel van de bloem is en dat onderaan de stamper het vruchtbeginsel zit.
  • De leerling beschrijft dat na bevruchting uit het vruchtbeginsel een vrucht kan ontstaan waarin zaden zitten.
  • De leerling legt het verband tussen bloem, vrucht en zaad, bijvoorbeeld: uit de bloem van een appelboom groeit een appel met zaden.
  • De leerling vergelijkt verschillende vruchten en zaden, zoals een appel, boon, tomaat, kers of zonnebloempit, en merkt op dat zaden op verschillende plaatsen in of aan de vrucht kunnen zitten.
  • De leerling beschrijft dat zaden verspreid kunnen worden door wind, water, dieren of mensen, zodat ze op een nieuwe plaats kunnen kiemen.
  • De leerling legt uit dat uit een zaadje bij geschikte omstandigheden een nieuwe plant kan groeien. 

Kennis in de encyclopedie

Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.

Minimumdoelen

  • 3.1.3 zesde leerjaarDe leerlingen kunnen organismen classificeren op basis van kenmerken: bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.Koppeling aangeleverd door de Op.stap-export (/agodi/onderwijsdoelen/opstap/92788); geen onafhankelijk gecontroleerde equivalentie.

Samenhang volgens de bron

Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.

Gaat vooraf (before)

  • 3.1.GL4.6 4de leerjaar · De leerlingen kunnen flora beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
  • 3.1.GL4.7 4de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de insecten, de spinachtigen; de flora; de schimmels.

Volgt na (after)

  • 3.1.GL6.11 6de leerjaar · De leerlingen kunnen organismen classificeren op basis van kenmerken: bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.
  • 3.1.GL6.12 6de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen: de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten, de sporenplanten; de schimmels; de bacteriën.
  • 3.1.GL6.5 6de leerjaar · De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.
  • 3.1.GL6.7 6de leerjaar · De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van voortplantingswijze: ongeslachtelijke voortplanting.
  • 3.1.GL6.13 6de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip: de ongeslachtelijke voortplanting.
  • 3.1.GL6.14 6de leerjaar · De leerlingen kennen het proces van ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
  • 3.1.GL6.15 6de leerjaar · De leerlingen kennen het proces van geslachtelijke voortplanting bij sporenplanten.
  • 3.1.GL6.16 6de leerjaar · De leerlingen kunnen onderscheid maken tussen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
  • 3.2.GL6.8 6de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: de stek, de bol, de knol, de wortelstok, de uitloper.

Samen te bekijken (together)

  • 3.2.GL5.10 5de leerjaar · De leerlingen kennen de functie van de verschillende delen van een bloem: kelkbladeren, kroonbladeren, stamper, vruchtbeginsel, meeldraden.
  • 3.2.GL5.11 5de leerjaar · De leerlingen weten dat organismen opgebouwd zijn uit verschillende delen die elk een functie hebben en vaak samenwerken om het organisme te laten leven.
  • 3.1.GL5.9 5de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen, de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten; de schimmels.

Verplicht samen (mandatoryTogether)

  • 3.2.GL5.8 5de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de meeldraden, het vruchtbeginsel.
  • 3.1.GL5.12 5de leerjaar · De leerlingen kennen het belang van insecten bij de bestuiving van zaadplanten.
  • 3.1.GL5.13 5de leerjaar · De leerlingen kennen het proces van geslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
  • 3.1.GL5.10 5de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: de voortplanting, de geslachtelijke voortplanting.
  • 3.1.GL5.11 5de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: de bestuiving, de bevruchting.