Op.stap-doel · 6de leerjaar (G)

3.1.GL6.7

De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van voortplantingswijze: ongeslachtelijke voortplanting.

Discipline
Wetenschap en techniek
Domein
Organismen
Subdomein
Classificatie van organismen
Route
Gemeenschappelijke doelen (G)
Fase
6de leerjaar
Bron
Op.stap 1.3, momentopname 2 oktober 2026. Oorspronkelijke sleutel 04b83312-580c-4f38-aaca-75e46aecd3c9

Toelichting uit de bron

Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.

De leerlingen onderzoeken hoe zaadplanten zich ook ongeslachtelijk kunnen voortplanten. Ze leren dat er bij ongeslachtelijke voortplanting geen bestuiving, bevruchting of zaadvorming nodig is. Er ontstaat een nieuwe plant uit een deel van de ouderplant, bijvoorbeeld uit een stek, bol, knol, wortelstok of uitloper. De leraar stimuleert leerlingen om deze vormen van vermeerdering te vergelijken met geslachtelijke voortplanting bij zaadplanten. Zo ontdekken leerlingen dat zaadplanten zich niet alleen via bloemen, vruchten en zaden kunnen voortplanten, maar ook via plantendelen waaruit nieuwe planten groeien.
Voorbeelden: 
  • De leerling beschrijft dat bij ongeslachtelijke voortplanting een nieuwe plant ontstaat uit een deel van één ouderplant.
  • De leerling legt uit dat er bij deze voortplantingswijze geen stuifmeel, stamper, bevruchting of zaad nodig is.
  • De leerling herkent een stek als een afgesneden deel van een plant, bijvoorbeeld een stukje stengel of blad, waaruit wortels en een nieuwe plant kunnen groeien.
  • De leerling beschrijft dat een bol, zoals bij een tulp, narcis of ui, een ondergronds plantendeel is waaruit opnieuw een plant kan groeien.
  • De leerling herkent een knol, zoals bij een aardappel, als een verdikt plantendeel waarin voedsel is opgeslagen en waaruit nieuwe scheuten kunnen ontstaan.
  • De leerling beschrijft dat een wortelstok een ondergrondse stengel is die horizontaal groeit en waaruit op verschillende plaatsen nieuwe scheuten kunnen groeien, bijvoorbeeld bij gember of sommige tuinplanten.
  • De leerling herkent een uitloper als een horizontale stengel die over de grond groeit en waaruit op een andere plaats een nieuwe plant ontstaat, bijvoorbeeld bij aardbeien.
  • De leerling vergelijkt geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten: bij geslachtelijke voortplanting ontstaan zaden na bestuiving en bevruchting, terwijl bij ongeslachtelijke voortplanting nieuwe planten ontstaan uit bestaande plantendelen.
  • De leerling merkt op dat planten zich op deze manier snel kunnen uitbreiden op een plaats, bijvoorbeeld aardbeiplanten die via uitlopers nieuwe plantjes vormen.

Kennis in de encyclopedie

Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.

Minimumdoelen

  • 3.1.3 zesde leerjaarDe leerlingen kunnen organismen classificeren op basis van kenmerken: bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.Koppeling aangeleverd door de Op.stap-export (/agodi/onderwijsdoelen/opstap/92788); geen onafhankelijk gecontroleerde equivalentie.

Samenhang volgens de bron

Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.

Gaat vooraf (before)

  • 3.1.GL5.7 5de leerjaar · De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van voortplantingswijze: geslachtelijke voortplanting.
  • 3.1.GL5.9 5de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen, de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten; de schimmels.
  • 3.1.GL5.10 5de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: de voortplanting, de geslachtelijke voortplanting.
  • 3.1.GL5.11 5de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: de bestuiving, de bevruchting.

Samen te bekijken (together)

  • 3.1.GL6.12 6de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen: de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten, de sporenplanten; de schimmels; de bacteriën.
  • 3.2.GL6.3 6de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
  • 3.1.GL6.11 6de leerjaar · De leerlingen kunnen organismen classificeren op basis van kenmerken: bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.

Verplicht samen (mandatoryTogether)

  • 3.1.GL6.16 6de leerjaar · De leerlingen kunnen onderscheid maken tussen geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
  • 3.1.GL6.14 6de leerjaar · De leerlingen kennen het proces van ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
  • 3.1.GL6.13 6de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip: de ongeslachtelijke voortplanting.