Op.stap-doel · 6de leerjaar (G)

3.1.GL6.6

De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.

Discipline
Wetenschap en techniek
Domein
Organismen
Subdomein
Classificatie van organismen
Route
Gemeenschappelijke doelen (G)
Fase
6de leerjaar
Bron
Op.stap 1.3, momentopname 2 oktober 2026. Oorspronkelijke sleutel 7bb176aa-cfa9-413d-adfc-7dc399a4bf40

Toelichting uit de bron

Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.

De leerlingen onderzoeken hoe sporenplanten aan voedingsstoffen en energie komen. Ze leren dat sporenplanten, net zoals zaadplanten, zelf voedsel aanmaken via fotosynthese. Daarvoor hebben ze licht, water en koolstofdioxide uit de lucht nodig. Sporenplanten zoals varens en mossen bevatten bladgroen en kunnen daardoor zelf suikers aanmaken. De leraar stimuleert leerlingen om de voedingswijze van sporenplanten te verbinden met hun bouw en leefomgeving: veel sporenplanten groeien op vochtige en schaduwrijke plaatsen, omdat water belangrijk is voor hun groei en voortplanting. Leerlingen vergelijken sporenplanten met zaadplanten en ontdekken dat ze op vlak van voedingswijze gelijkenissen vertonen, maar verschillen in hun voortplantingswijze.  
Voorbeelden:  
  • De leerling beschrijft dat een varen zelf voedsel maakt via fotosynthese.
  • De leerling legt uit dat een varen daarvoor licht, water en koolstofdioxide nodig heeft.
  • De leerling merkt op dat de groene bladeren van een varen bladgroen bevatten en licht kunnen opvangen.
  • De leerling beschrijft dat mossen ook groene plantjes zijn die zelf voedsel kunnen aanmaken.
  • De leerling herkent dat sporenplanten water opnemen uit hun omgeving en vaak groeien op vochtige plaatsen.
  • De leerling vergelijkt een varen met een bloeiende zaadplant en verwoordt dat beide zelf voedsel maken via fotosynthese.
  • De leerling merkt op dat sporenplanten vaak goed groeien in bossen, op vochtige muren, tussen stenen of op schaduwrijke plaatsen.

Kennis in de encyclopedie

Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.

Minimumdoelen

  • 3.1.3 zesde leerjaarDe leerlingen kunnen organismen classificeren op basis van kenmerken: bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.Koppeling aangeleverd door de Op.stap-export (/agodi/onderwijsdoelen/opstap/92788); geen onafhankelijk gecontroleerde equivalentie.

Samenhang volgens de bron

Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.

Gaat vooraf (before)

  • 3.1.GL5.8 5de leerjaar · De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.
  • 3.1.GL5.9 5de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen, de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten; de schimmels.

Samen te bekijken (together)

  • 3.2.GL6.3 6de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
  • 3.1.GL6.4 6de leerjaar · De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
  • 3.2.GL6.4 6de leerjaar · De leerlingen kennen diensten die het ecosysteem levert aan de mens.
  • 3.1.GL6.11 6de leerjaar · De leerlingen kunnen organismen classificeren op basis van kenmerken: bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.
  • 3.1.GL6.5 6de leerjaar · De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: voortplantingswijze.

Verplicht samen (mandatoryTogether)

  • 3.1.GL6.1 6de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip met betrekking tot de classificatie van organismen: de sporenplanten.