Op.stap-doel · 6de leerjaar (G)
3.1.GL6.4
De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen onderzoeken de bouw van sporenplanten en vergelijken die met zaadplanten. Ze leren dat sporenplanten geen bloemen, vruchten of zaden vormen, maar zich voortplanten met sporen. Bij sporenplanten zoals varens en mossen bekijken leerlingen welke plantendelen zichtbaar zijn en hoe deze verschillen van bloeiende zaadplanten. De leraar stimuleert leerlingen om nauwkeurig te observeren en te verwoorden dat niet alle planten dezelfde bouw hebben. Daarbij kan de link gelegd worden met andere manieren waarop planten zich kunnen voortplanten of uitbreiden, zoals via een stek, bol, knol, wortelstok of uitloper. Zo ontdekken leerlingen dat planten op verschillende manieren gebouwd zijn om te groeien, zich te verspreiden of nieuwe planten te vormen.
Voorbeelden:
Voorbeelden:
- De leerling beschrijft dat een varen bladeren heeft, maar geen bloemen, vruchten of zaden vormt.
- De leerling merkt op dat aan de onderkant van varenbladeren vaak kleine hoopjes zitten waarin sporen gevormd worden.
- De leerling vergelijkt een varen met een bloeiende plant en verwoordt dat een bloeiende plant bloemen en zaden kan hebben, terwijl een varen sporen vormt.
- De leerling beschrijft dat mossen eenvoudige sporenplanten zijn die vaak laag bij de grond groeien en geen echte bloemen of zaden hebben.
- De leerling herkent dat sporenplanten zich onderscheiden van zaadplanten door hun voortplanting met sporen.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.1.3 zesde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.1.GL5.6 5de leerjaar · De leerlingen kunnen zaadplanten beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL5.9 5de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen, de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten; de schimmels.
Samen te bekijken (together)
- 3.1.GL6.12 6de leerjaar · De leerlingen kennen de classificatie van organismen: de fauna: de gewervelden: de zoogdieren, de vogels, de reptielen, de amfibieën, de vissen; de ongewervelden: de geleedpotigen: de insecten, de spinachtigen; andere ongewervelden; de flora: de zaadplanten, de sporenplanten; de schimmels; de bacteriën.
- 3.2.GL6.3 6de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
- 3.1.GL6.6 6de leerjaar · De leerlingen kunnen sporenplanten beschrijven op basis van kenmerken: voedingswijze.
- 3.1.GL6.11 6de leerjaar · De leerlingen kunnen organismen classificeren op basis van kenmerken: bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.