Op.stap-doel · 4de leerjaar (G)
3.2.GL4.5
De leerlingen kunnen voorbeelden geven van relaties tussen organismen onderling en hun omgeving.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen leren dat organismen in een biotoop op verschillende manieren met elkaar en met hun omgeving verbonden zijn. Ze onderzoeken voorbeelden van voedselrelaties, roofdier-prooirelaties, concurrentie, samenwerking, schuilplaatsen en relaties waarbij één organisme voordeel heeft en een ander organisme nadeel ondervindt. Daarbij kijken ze niet alleen naar wat organismen doen, maar ook naar kenmerken die hen helpen functioneren in hun omgeving. Zo kunnen kleuren een functie hebben: sommige dieren hebben camouflagekleuren waardoor ze minder opvallen voor roofdieren of prooien, terwijl andere kleuren kunnen dienen om soortgenoten te herkennen, vijanden af te schrikken of insecten naar bloemen te lokken. De leraar stimuleert leerlingen om zulke kenmerken telkens te verbinden met de vraag: Hoe helpt dit organisme om te overleven, voedsel te vinden, zich te beschermen of zich voort te planten in deze omgeving?
Voorbeelden:
Voorbeelden:
- Voedselrelatie: een rups eet bladeren van een plant. Daardoor leeft een rups in een omgeving waar geschikte planten groeien en niet bijvoorbeeld in zee.
- Concurrentie: planten die dicht bij elkaar groeien, gebruiken dezelfde ruimte, hetzelfde water en hetzelfde licht. Daardoor kunnen ze met elkaar concurreren om voldoende licht en voedingsstoffen.
- Samenwerking / wederzijds voordeel: een bij haalt nectar uit een bloem en brengt daarbij stuifmeel van de ene bloem naar de andere. De bij vindt voedsel en de bloem wordt geholpen bij de bestuiving.
- Voordeel-nadeelrelatie: luizen leven op het hoofd van een mens en voeden zich daar. De luis heeft voordeel, terwijl de mens hinder kan ondervinden.
- Roofdier-prooi: een spin vangt een vlieg. De spin is het roofdier en de vlieg is de prooi.
- Schuilplaats of nestplaats: een vogel maakt een nest in een hoge boom. De boom biedt een veilige plaats om te broeden en jongen te beschermen.
- Camouflage: een sprinkhaan of rups met een groene kleur valt minder op tussen bladeren en gras. Daardoor kan het dier zich beter beschermen tegen roofdieren.
- Kleur als lokmiddel: felgekleurde bloemen kunnen insecten aantrekken. Zo vinden insecten nectar en kunnen ze tegelijk bijdragen aan de bestuiving.
- Kleur als waarschuwing of bescherming: sommige dieren hebben opvallende kleuren waardoor ze vijanden kunnen afschrikken of waarschuwen dat ze niet makkelijk of veilig te eten zijn.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.2.6 vierde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.2.GL3.2 3de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren minimaal vier van de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, landbouwlandschap, zoet water.
Volgt na (after)
- 6.3.GL5.4 Muzische vorming De leerlingen kennen de volgende begrippen: signaal- en camouflagekleuren. (buiten de selectie van Kennisatlas)
- 6.3.GL5.7 Muzische vorming De leerlingen kunnen de functies van kleuren benoemen en gebruiken. (buiten de selectie van Kennisatlas)
- 3.2.GL5.2 5de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, agrarisch landschap, zoet water.
- 3.2.GL5.4 5de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden waarom organismen elkaar en hun omgeving nodig hebben om te overleven.
Verplicht samen (mandatoryTogether)
- 3.2.GL4.4 4de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren minimaal vijf van de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, landbouwlandschap, zoet water.