Op.stap-doel · 4de leerjaar (G)
3.2.GL4.7
De leerlingen kunnen de voedselpiramide beschrijven door aan te tonen hoe dieren zich voeden met dieren en/of planten.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen leren dat een voedselpiramide toont hoe dieren zich voeden met planten en/of andere dieren. Ze bouwen verder op hun kennis van voedselketens en de rollen van producenten, consumenten en reducenten. In het vierde leerjaar ligt de focus op het beschrijven van eenvoudige voedselrelaties: sommige dieren eten vooral planten, sommige dieren eten andere dieren en sommige dieren eten zowel planten als dieren.
De leraar kan vertrekken vanuit herkenbare voedselrelaties in gekende biotopen, zoals bos, grasland, landbouwlandschap of zoet water. Leerlingen leren daarbij de begrippen herbivoor, carnivoor en omnivoor functioneel gebruiken. Een herbivoor eet planten, een carnivoor eet dieren en een omnivoor eet zowel planten als dieren. De voedselpiramide helpt leerlingen om te zien dat planten aan de basis staan en dat dieren op verschillende niveaus voedsel halen uit planten of andere dieren.
Voorbeelden:
De leraar kan vertrekken vanuit herkenbare voedselrelaties in gekende biotopen, zoals bos, grasland, landbouwlandschap of zoet water. Leerlingen leren daarbij de begrippen herbivoor, carnivoor en omnivoor functioneel gebruiken. Een herbivoor eet planten, een carnivoor eet dieren en een omnivoor eet zowel planten als dieren. De voedselpiramide helpt leerlingen om te zien dat planten aan de basis staan en dat dieren op verschillende niveaus voedsel halen uit planten of andere dieren.
Voorbeelden:
- De leerling beschrijft dat gras gegeten wordt door een konijn en dat het konijn gegeten kan worden door een vos. Het konijn is hier een herbivoor, de vos is een carnivoor.
- De leerling beschrijft een voedselrelatie in het bos: bladeren → rups → vogel. De rups eet plantenmateriaal en de vogel eet de rups.
- De leerling legt uit dat een koe gras eet en dus een herbivoor is.
- De leerling legt uit dat een kat of vos andere dieren eet en dus een carnivoor is.
- De leerling legt uit dat een mens, varken of beer zowel plantaardig als dierlijk voedsel kan eten en dus een omnivoor is.
- De leerling ordent voorbeelden in een eenvoudige voedselpiramide: onderaan staan planten of plantendelen, daarboven planteneters, en daarboven dieren die andere dieren eten.
- De leerling beschrijft dat voedselrelaties kunnen verschillen per biotoop: in een grasland kan gras → sprinkhaan → vogel voorkomen; bij zoet water kan waterplant → klein waterdiertje → vis voorkomen.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.2.5 vierde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.2.GL3.3 3de leerjaar · De leerlingen kennen een voedselketen bestaande uit drie organismen.
- 3.2.GL3.4 3de leerjaar · De leerlingen weten dat een voedselketen start bij flora.
Volgt na (after)
- 3.2.GL5.4 5de leerjaar · De leerlingen kunnen verwoorden waarom organismen elkaar en hun omgeving nodig hebben om te overleven.
- 3.2.GL5.5 5de leerjaar · De leerlingen kunnen voedselketens opnoemen.
- 3.2.GL5.6 5de leerjaar · De leerlingen kunnen voedselketens interpreteren.
- 3.2.GL5.7 5de leerjaar · De leerlingen kennen de opbouw van een voedselweb.