Op.stap-doel · 3de leerjaar (G)
3.5.GL3.2
De leerlingen kennen aggregatietoestanden: de faseovergangen.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen leren dat materie kan veranderen van toestand. Een stof kan bijvoorbeeld vast, vloeibaar of gasvormig zijn. Wanneer een stof overgaat van de ene toestand naar een andere toestand, spreken we van een faseovergang. In dit doel ligt de focus op drie faseovergangen: smelten, stollen en verdampen.
De nadruk ligt op het kennen en herkennen van de begrippen aan de hand van concrete voorbeelden. Leerlingen leren de juiste woorden gebruiken bij verschijnselen die ze kunnen zien in de klas, thuis of buiten. Ze hoeven dit nog niet te verklaren vanuit het deeltjesmodel, maar leren wel dat temperatuur vaak een rol speelt bij deze veranderingen.
Begrippen
De nadruk ligt op het kennen en herkennen van de begrippen aan de hand van concrete voorbeelden. Leerlingen leren de juiste woorden gebruiken bij verschijnselen die ze kunnen zien in de klas, thuis of buiten. Ze hoeven dit nog niet te verklaren vanuit het deeltjesmodel, maar leren wel dat temperatuur vaak een rol speelt bij deze veranderingen.
Begrippen
- Smelten
Smelten betekent dat een vaste stof vloeibaar wordt. Voorbeelden zijn ijs dat smelt, kaarsvet dat smelt, boter die smelt in de pan of chocolade die smelt. - Stollen
Stollen betekent dat een vloeistof opnieuw vast wordt. Voorbeelden zijn gesmolten kaarsvet dat weer hard wordt, gesmolten chocolade die opnieuw vast wordt of boter die opnieuw stolt wanneer ze afkoelt. - Verdampen
Verdampen betekent dat een vloeistof overgaat naar een gasvormige toestand. Voorbeelden zijn plassen die verdwijnen doordat water verdampt, was die droogt, klei die droogt, planten die water laten verdampen en zweet dat verdampt van de huid.
- De leerling herkent dat ijs smelt wanneer het warmer wordt.
- De leerling benoemt dat boter smelt in een warme pan.
- De leerling herkent dat kaarsvet smelt bij warmte en opnieuw stolt wanneer het afkoelt.
- De leerling benoemt dat chocolade kan smelten en daarna opnieuw kan stollen.
- De leerling herkent dat plassen verdampen wanneer ze na een tijdje verdwijnen.
- De leerling legt uit dat was drogen te maken heeft met water dat verdampt.
- De leerling herkent dat klei droogt doordat water uit de klei verdampt.
- De leerling benoemt dat planten water laten verdampen.
- De leerling koppelt de werking van zweet aan verdamping: zweet verdampt van de huid.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.5.7 vierde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Volgt na (after)
- 4.2.GL4.1 4de leerjaar · De leerlingen kennen het concept waterkringloop: verdamping, condensatie, wolken, neerslag, grondwater, oppervlaktewater.
Samen te bekijken (together)
- 3.4.GL3.2 3de leerjaar · De leerlingen kunnen materie onderzoeken en vergelijken op basis van hun eigenschappen: de thermische geleidbaarheid.
- 3.7.GL3.2 3de leerjaar · De leerlingen kunnen een eenvoudig onderzoek plannen en uitvoeren.
- 3.7.GL3.1 3de leerjaar · De leerlingen kennen deze stappen van een onderzoek: de onderzoeksvraag, de voorspelling, de test, de conclusie.