Op.stap-doel · 6de leerjaar (G)
3.2.GL6.12
De leerlingen weten dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
Toelichting
De leerlingen leren dat de cel een basisbouwsteen is van levende organismen. Sommige organismen bestaan uit één cel en kunnen toch zelfstandig leven. Andere organismen bestaan uit heel veel cellen. Die cellen werken samen en vormen weefsels en organen, waardoor het organisme kan leven, groeien en functioneren.
Bij dit doel is het belangrijk dat leerlingen begrijpen dat cellen niet alleen bij mensen voorkomen. Ook dieren, planten, schimmels en bacteriën bestaan uit cellen. Zo bouwen leerlingen verder op hun kennis van organismen en op het eerdere inzicht dat organismen opgebouwd zijn uit verschillende delen met een functie.
Voorbeelden:
De leerlingen leren dat de cel een basisbouwsteen is van levende organismen. Sommige organismen bestaan uit één cel en kunnen toch zelfstandig leven. Andere organismen bestaan uit heel veel cellen. Die cellen werken samen en vormen weefsels en organen, waardoor het organisme kan leven, groeien en functioneren.
Bij dit doel is het belangrijk dat leerlingen begrijpen dat cellen niet alleen bij mensen voorkomen. Ook dieren, planten, schimmels en bacteriën bestaan uit cellen. Zo bouwen leerlingen verder op hun kennis van organismen en op het eerdere inzicht dat organismen opgebouwd zijn uit verschillende delen met een functie.
Voorbeelden:
- De leerling weet dat een bacterie een organisme is dat uit één cel bestaat en op zichzelf kan leven.
- De leerling weet dat een mens uit heel veel cellen bestaat. Die cellen werken samen in weefsels en organen.
- De leerling weet dat een kat uit heel veel cellen bestaat. Ook bij een dier werken cellen samen om het organisme te laten leven.
- De leerling weet dat een plant uit veel cellen bestaat. Plantencellen werken samen in delen zoals wortels, stengels, bladeren en bloemen.
- De leerling verwoordt het verschil tussen eencellige en meercellige organismen: “Een bacterie bestaat uit één cel, maar een mens, kat of plant bestaat uit veel cellen.”
- De leerling legt in eenvoudige taal uit dat cellen in een meercellig organisme samenwerken: “Cellen vormen samen weefsels en organen, en die zorgen ervoor dat het organisme kan leven.”
- De leerling verbindt het begrip cel met eerdere doelen over bouw en functie: zoals plantendelen samenwerken, werken ook cellen samen binnen grotere delen van organismen.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.2.12 zesde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.4.GL5.1 5de leerjaar · De leerlingen weten dat alle materie uit deeltjes bestaat.
- 3.4.GL5.2 5de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip: de deeltjes.
Samen te bekijken (together)
- 3.2.GL6.10 6de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip: de erfelijke eigenschappen.