Op.stap-doel · 3de kleuter (G)
3.1.GK3.10
De leerlingen kennen de fasen van de levenscyclus van de plant: kieming, groei, voortplanting, dood.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen leren dat een plant niet zomaar “groter wordt”, maar dat ze verschillende fasen doorloopt. Ze maken kennis met de eenvoudige levenscyclus van een plant: uit een zaadje kan een plantje ontstaan, het plantje groeit, de plant kan bloemen, vruchten of nieuwe zaadjes vormen en op het einde kan de plant verwelken of afsterven. De nadruk ligt nog steeds op concreet waarnemen, ordenen en benoemen. Kleuters hoeven de biologische processen achter elke fase nog niet volledig te begrijpen. Ze leren vooral de fasen herkennen en in een eenvoudige volgorde plaatsen: kieming → groei → voortplanting → dood. De samenhang met classificatie van organismen blijft belangrijk: planten behoren tot de flora. Ze groeien en ontwikkelen anders dan dieren. Bij planten zien kleuters bijvoorbeeld wortels, stengels, bladeren, bloemen, vruchten en zaden. Bij dieren zien ze andere kenmerken, zoals poten, vacht, veren of vleugels. Zo leren ze dat planten een eigen manier van leven en voortplanten hebben.
Voorbeelden:
Voorbeelden:
- De kleuters leggen prenten van de levenscyclus van een plant in de juiste volgorde.
Bijvoorbeeld: zaadje → kiemend zaadje met worteltje → klein plantje → grotere plant met bloem → plant met zaadjes → verwelkte plant.
Ze benoemen eenvoudig: “Eerst is er een zaadje”, “Dan komt er een plantje”, “De plant wordt groter”, “Er komen nieuwe zaadjes”, “De plant gaat dood.” - De kleuters volgen in de klas de groei van een boon, tuinkers of zonnebloem.
Bijvoorbeeld: ze bekijken elke week wat er veranderd is. Eerst zien ze een zaadje, daarna een worteltje of scheutje, vervolgens een stengel en blaadjes. Later kunnen ze bij sommige planten bloemen of zaadjes bekijken.
De leraar gebruikt hierbij de woorden: kieming, groei, zaad, plant, bloem en zaadjes. - De kleuters vergelijken een levende, groeiende plant met een verwelkte of dode plant.
Bijvoorbeeld: ze bekijken een fris plantje met groene blaadjes en daarnaast een plantje dat verdroogd of verwelkt is. Ze verwoorden wat ze zien: “Dit plantje is groen”, “Dit plantje hangt slap”, “De blaadjes zijn bruin”, “Deze plant groeit niet meer.”
Zo maken ze op een eenvoudige manier kennis met de fase dood in de levenscyclus.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.1.4 derde kleuterklas
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.1.GK2.15 2de kleuter · De leerlingen kunnen beschrijven aan de hand van voorbeelden hoe planten groeien en ontwikkelen.
Volgt na (after)
- 3.1.GL4.8 4de leerjaar · De leerlingen kennen het volgende begrip: de levenscyclus.
Samen te bekijken (together)
- 3.7.GK3.2 3de kleuter · De leerlingen kunnen observaties beschrijven.