Op.stap-doel · 2de kleuter (G)
3.1.GK2.15
De leerlingen kunnen beschrijven aan de hand van voorbeelden hoe planten groeien en ontwikkelen.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen kunnen niet alleen waarnemen dat planten groeien, maar ook eenvoudig uitleggen wat er gebeurt. Ze ontdekken dat een plant meestal begint als een zaadje of klein plantje en dat ze, met de juiste zorg, groter wordt.
De nadruk ligt op herkenbare en zichtbare veranderingen: er komt een worteltje, een stengeltje, blaadjes en soms bloemen of vruchten. De kleuters hoeven de volledige levenscyclus nog niet te kennen, maar ze leren wel vertellen dat planten tijd, water, licht en verzorging nodig hebben om te groeien.
In samenhang met classificatie van organismen wordt duidelijk gemaakt dat planten behoren tot de flora en anders groeien en ontwikkelen dan mensen en dieren. Mensen en dieren bewegen, eten en groeien op een andere manier; planten blijven meestal op één plaats en groeien vanuit een zaadje of plantdeel.
Voorbeelden:
De nadruk ligt op herkenbare en zichtbare veranderingen: er komt een worteltje, een stengeltje, blaadjes en soms bloemen of vruchten. De kleuters hoeven de volledige levenscyclus nog niet te kennen, maar ze leren wel vertellen dat planten tijd, water, licht en verzorging nodig hebben om te groeien.
In samenhang met classificatie van organismen wordt duidelijk gemaakt dat planten behoren tot de flora en anders groeien en ontwikkelen dan mensen en dieren. Mensen en dieren bewegen, eten en groeien op een andere manier; planten blijven meestal op één plaats en groeien vanuit een zaadje of plantdeel.
Voorbeelden:
- De kleuters leggen uit hoe een zaadje uitgroeit tot een plantje.
Bijvoorbeeld: ze zaaien tuinkers, bonen of zonnebloemen in de klas. Nadien vertellen ze: “Eerst was het een zaadje”, “Er komt een worteltje”, “Het plantje krijgt blaadjes”, “Het plantje wordt groter.” - De kleuters vergelijken een klein plantje en een grotere plant.
Bijvoorbeeld: ze bekijken een jonge tomatenplant en een grotere tomatenplant. Ze vertellen wat anders is: de plant is groter, heeft meer blaadjes, een stevigere stengel en misschien al bloemen of tomaatjes. - De kleuters leggen uit wat een plant nodig heeft om te groeien.
Bijvoorbeeld: twee potjes met zaadjes vergelijken: één krijgt water en licht, het andere niet of minder. De kleuters merken op en vertellen: “Dit plantje groeit beter”, “Een plant heeft water nodig”, “Een plant heeft licht nodig.”
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.1.4 derde kleuterklas
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.1.GJK.3 jongste kleuter · De leerlingen kunnen groei en ontwikkeling van organismen waarnemen.
Volgt na (after)
- 3.1.GK3.8 3de kleuter · De leerlingen kennen het volgende begrip: kiemen.
- 3.1.GK3.9 3de kleuter · De leerlingen kennen het volgende begrip: sterven.
- 3.1.GK3.10 3de kleuter · De leerlingen kennen de fasen van de levenscyclus van de plant: kieming, groei, voortplanting, dood.