Op.stap-doel · jongste kleuter (G)
3.4.GJK.2
De leerlingen kunnen eigenschappen van materie benoemen op basis van zintuiglijke waarneming.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen leren eigenschappen van materie benoemen door te voelen, vasthouden, kijken en vergelijken. Ze vertrekken vanuit concrete materialen en voorwerpen uit hun leefwereld, zoals hout, steen, zand, papier, stof en glas. De nadruk ligt op zintuiglijke ervaring: leerlingen voelen aan materialen en leren woorden gebruiken om te beschrijven wat ze waarnemen.
Ze ontdekken bijvoorbeeld dat een steen hard en zwaar kan aanvoelen, dat stof zacht kan zijn, dat schuurpapier ruw voelt en dat glas of een gladde steen glad kan aanvoelen. Zo bouwen ze niet alleen woordenschat op, maar leren ze ook bewuster kijken en voelen naar eigenschappen van materialen.
Voorbeelden:
Ze ontdekken bijvoorbeeld dat een steen hard en zwaar kan aanvoelen, dat stof zacht kan zijn, dat schuurpapier ruw voelt en dat glas of een gladde steen glad kan aanvoelen. Zo bouwen ze niet alleen woordenschat op, maar leren ze ook bewuster kijken en voelen naar eigenschappen van materialen.
Voorbeelden:
- De leerling voelt aan verschillende vormen van materie en benoemt eigenschappen die hij of zij voelt: “Dit is hard”, “Dit voelt zacht”, “Dit is ruw” of “Dit is glad.”
- De leerling houdt verschillende vormen van materie vast en benoemt of iets zwaar of licht aanvoelt.
- De leerling voelt aan een steen en benoemt: “De steen is hard” of “De steen is zwaar.”
- De leerling voelt aan een stukje stof en benoemt: “De stof is zacht.”
- De leerling voelt aan schuurpapier, boomschors of een ruwe steen en benoemt: “Dit voelt ruw.”
- De leerling voelt aan glas, een gladde tegel of een gladde steen en benoemt: “Dit voelt glad.”
- De leerling vergelijkt twee materialen: “Deze steen is zwaar, dit papier is licht” of “Deze stof is zacht, dit hout is hard.”
- De leerling sorteert met ondersteuning materialen volgens een gevoelde eigenschap, bijvoorbeeld hard/zacht, ruw/glad of zwaar/licht.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.4.1 derde kleuterklas
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.4.PF3.1 Fase 3 · De leerling kan met ondersteuning taal koppelen aan materie zoals steen, stof, hout, papier en de tactiele ervaring zoals glad, hard, zacht.
- 3.4.PF3.2 Fase 3 · De leerling legt met ondersteuning verbanden tussen verschillende vormen van materie die tot dezelfde categorie (papier, glas, hout, stof) behoren.
Volgt na (after)
- 3.4.GK2.3 2de kleuter · De leerlingen kunnen materie sorteren op basis van een waarneembare eigenschap.
- 3.4.GK2.2 2de kleuter · De leerlingen kunnen materie kiezen in functie van het gebruiksdoel.
Samen te bekijken (together)
- 2.3.GJK.14 Wiskunde De leerlingen kennen de begrippen: zwaarder, lichter [F]. (buiten de selectie van Kennisatlas)
- 2.3.GJK.15 Wiskunde De leerlingen kunnen massa’s vergelijken. (buiten de selectie van Kennisatlas)
- 3.7.GJK.2 jongste kleuter · De leerlingen kunnen benoemen wat ze zien, ruiken, horen of voelen tijdens een activiteit.
- 3.2.GJK.3 jongste kleuter · De leerlingen kunnen met ondersteuning afval sorteren in functionele situaties.
- 2.3.GJK.13 Wiskunde De leerlingen kennen de begrippen: (even) zwaar, (even) licht [F]. (buiten de selectie van Kennisatlas)