Op.stap-doel · 1ste leerjaar (G)
3.2.GL1.3
De leerlingen weten dat organismen leven in een omgeving met andere organismen en daar afhankelijk van zijn.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen ontdekken dat organismen niet los van elkaar leven. Planten, dieren en andere organismen leven samen in een omgeving en hebben elkaar of hun leefomgeving nodig om te kunnen overleven. Ze leren eenvoudige afhankelijkheden herkennen, zoals voedsel zoeken, schuilen, bestuiven of een geschikte plek vinden om te leven. De leraar vertrekt best vanuit herkenbare voorbeelden uit een biotoop, zoals een bos, grasland, tuin, park of waterkant. Zo bouwen leerlingen verder op het vorige doel rond biotopen: ze kijken niet alleen welke organismen waar leven, maar ook hoe die organismen met elkaar verbonden zijn.
Voorbeelden:
Voorbeelden:
- De leerling legt uit dat bijen nectar halen uit bloemen en tegelijk stuifmeel van bloem naar bloem kunnen brengen. Daardoor helpen bijen bij de bestuiving, wat nodig kan zijn voor de voortplanting van de plant.
- De leerling beschrijft dat we in een bos verschillende plantensoorten vinden, zoals bomen, gras en struiken, en ook diersoorten, zoals reeën, uilen en pissebedden. De leerling verwoordt dat die organismen in dezelfde omgeving leven en op verschillende manieren met elkaar verbonden zijn.
- De leerling denkt na over de vraag: Wat gebeurt er wanneer een bepaalde soort wegvalt? Bijvoorbeeld: als er minder bloemen zijn, vinden bijen minder nectar; als er minder bijen zijn, worden sommige bloemen minder goed bestoven. Zo merkt de leerling dat veranderingen bij één organisme gevolgen kunnen hebben voor andere organismen.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.2.6 vierde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.2.GK3.2 3de kleuter · De leerlingen kennen het principe van eten en gegeten worden.
Volgt na (after)
- 3.2.GL2.2 2de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren minimaal drie van de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, landbouwlandschap, zoet water.
- 5.1.GL1.1 1ste leerjaar · De leerlingen weten hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en samenleefden: Afrika (rift-vallei), rechtop lopen, relaties tussen mens-dier-plant, taal.
Samen te bekijken (together)
- 3.1.GL1.1 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen planten beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.1.GL1.2 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen zoogdieren beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 3.2.GL1.2 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren minimaal twee van de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, landbouwlandschap, zoet water.
- 3.1.GL1.3 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen vissen beschrijven op basis van kenmerken: bouw.