Op.stap-doel · 1ste leerjaar (G)
3.2.GL1.2
De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren minimaal twee van de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, landbouwlandschap, zoet water.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen leren dat een biotoop een plaats is waar planten, dieren en andere organismen leven. Ze herkennen een biotoop aan wat er leeft (biotische factoren, zoals bomen, gras, vogels, insecten, vissen) en aan wat niet leeft maar wel belangrijk is voor het leven (abiotische factoren, zoals water, bodem, zand, licht, wind, temperatuur). In het eerste leerjaar volstaat het dat leerlingen enkele duidelijke kenmerken gebruiken om minimaal twee biotopen te herkennen en te benoemen. De leraar vertrekt best vanuit concrete foto’s, prenten, waarnemingen op de speelplaats, een wandeling of herkenbare landschappen.
Voorbeelden:
Voorbeelden:
- De leerling herkent een bos (loofbos en naaldbos) aan biotische factoren zoals bomen, struiken, paddenstoelen, vogels of insecten en aan abiotische factoren zoals schaduw, aarde, bladeren op de bodem en weinig open ruimte.
- De leerling herkent zee en kust aan biotische factoren zoals meeuwen, schelpen, zeewier of krabben en aan abiotische factoren zoals zout water, zand, wind en golven.
- De leerling vergelijkt grasland en zoet water: in grasland ziet de leerling gras, bloemen en insecten; bij zoet water ziet de leerling waterplanten, vissen, eenden of kikkers, samen met water, modder of een oever.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.2.5 zesde leerjaar
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Gaat vooraf (before)
- 3.2.GK3.1 3de kleuter · De leerlingen kunnen veelvoorkomende organismen in hun omgeving benoemen.
Volgt na (after)
- 3.2.GL2.2 2de leerjaar · De leerlingen kunnen aan de hand van hun biotische en abiotische factoren minimaal drie van de volgende biotopen identificeren: grasland, bos, heide, zee en kust, stadslandschap, landbouwlandschap, zoet water.
Samen te bekijken (together)
- 3.2.GL1.3 1ste leerjaar · De leerlingen weten dat organismen leven in een omgeving met andere organismen en daar afhankelijk van zijn.
- 3.1.GL1.1 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen planten beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 4.2.GL1.2 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen in een (afgebeeld) landschap voorbeelden van natuurlijke aspecten tonen.
- 3.1.GL1.2 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen zoogdieren beschrijven op basis van kenmerken: bouw.
- 4.2.GL1.4 1ste leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekken tot natuurlijke aspecten van landschappen: de vegetatie: het loofbos, het naaldbos;
- 3.1.GL1.3 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen vissen beschrijven op basis van kenmerken: bouw.