Op.stap-doel · jongste kleuter (G)
3.5.GJK.2
De leerlingen kunnen licht en donker onderscheiden en benoemen.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerlingen leren het verschil ervaren en benoemen tussen licht en donker. Ze herkennen situaties waarin er veel licht is, bijvoorbeeld overdag, buiten in de zon of wanneer een lamp brandt. Ze herkennen ook situaties waarin het donker is, bijvoorbeeld ’s nachts, in een donkere hoek, in een verduisterde ruimte of wanneer het licht uit is.
Bij dit doel ligt de nadruk op zintuiglijke ervaring, waarnemen en taal geven. Kleuters hoeven nog niet te verklaren hoe licht ontstaat of hoe schaduw gevormd wordt. Ze leren vooral woorden koppelen aan wat ze zien en ervaren: “Het is licht”, “Het is donker”, “De lamp brandt”, “Het licht is uit.”
Voorbeelden:
Bij dit doel ligt de nadruk op zintuiglijke ervaring, waarnemen en taal geven. Kleuters hoeven nog niet te verklaren hoe licht ontstaat of hoe schaduw gevormd wordt. Ze leren vooral woorden koppelen aan wat ze zien en ervaren: “Het is licht”, “Het is donker”, “De lamp brandt”, “Het licht is uit.”
Voorbeelden:
- De leerlingen benoemen dat het overdag licht is en dat het ’s nachts donker is.
- De leerlingen kijken in de klas wat er gebeurt wanneer de lamp aan en daarna uit wordt gedaan: “Nu is het licht”, “Nu is het donkerder.”
- De leerlingen zoeken samen naar plekken waar het licht is, bijvoorbeeld bij het raam, buiten of onder een lamp.
- De leerlingen zoeken samen naar plekken waar het donkerder is, bijvoorbeeld onder een tafel, in een tentje, in een doos of in een verduisterde hoek.
- De leerlingen vergelijken foto’s of prenten van dag en nacht en benoemen wat licht of donker is.
- De leerlingen ervaren dat je in het licht gemakkelijker dingen ziet dan in het donker.
- De leerlingen gebruiken eenvoudige zinnen: “Het is licht”, “Het is donker”, “Ik zie de lamp”, “De lamp geeft licht.”
- Waarnemen: de leraar laat kleuters ervaren wat er verandert wanneer een lamp aan of uit gaat.
- Verkennen: kleuters zoeken lichte en donkere plekken in de klas of op de speelplaats.
- Sorteren: kleuters sorteren prenten in twee groepen: licht en donker.
- Taal geven: de leraar benoemt consequent wat kleuters ervaren: “Hier is veel licht”, “Daar is het donkerder”, “De lamp maakt licht.”
- Spel: kleuters spelen met een zaklamp in een donkere hoek en benoemen waar het licht valt.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.5.1 derde kleuterklas
Samenhang volgens de bron
Relaties zoals Op.stap ze aanlevert, met type en richting ongewijzigd. Kennisatlas heeft hun betekenis nog niet beoordeeld; ze vormen nog geen bevestigde leerlijn.
Volgt na (after)
- 3.5.GK2.2 2de kleuter · De leerlingen kunnen voorbeelden geven van lichtbronnen.
- 3.5.GK2.3 2de kleuter · De leerlingen kunnen verkennen hoe een schaduw wordt gevormd.
Samen te bekijken (together)
- 3.7.GJK.1 jongste kleuter · De leerlingen kunnen met minstens één zintuig een organisme, een voorwerp, materie, een technisch systeem of natuurkundig verschijnsel verkennen.
- 3.7.GJK.3 jongste kleuter · De leerlingen kunnen eenvoudige vragen stellen over wat ze zien of beleven.
- 3.7.GJK.2 jongste kleuter · De leerlingen kunnen benoemen wat ze zien, ruiken, horen of voelen tijdens een activiteit.
Verplicht samen (mandatoryTogether)
- 6.3.GJK.8 Muzische vorming De leerlingen kunnen licht en donker onderscheiden. (buiten de selectie van Kennisatlas)