Op.stap-doel · 6de leerjaar (+)
3.2.+L6.2
De leerling kan aan de hand van een voedselpiramide beschrijven dat energie telkens gedeeltelijk verloren gaat als warmte.
Toelichting uit de bron
Ongewijzigde brontekst van Op.stap; niet door Kennisatlas als encyclopedische uitleg gecontroleerd.
De leerling leert dat energie in een voedselpiramide niet volledig wordt doorgegeven van het ene niveau naar het volgende. Organismen gebruiken een deel van de opgenomen energie zelf om te bewegen, te groeien en warmte te produceren. Daardoor blijft er minder energie over voor het organisme dat hen opeet. Naarmate je hoger in de voedselpiramide komt, is er dus minder energie beschikbaar. Dat helpt verklaren waarom er meestal veel planten zijn, minder planteneters en nog minder roofdieren bovenaan de voedselpiramide.
De focus ligt hier op het kunnen uitleggen aan de hand van de voedselpiramide. De leerling redeneert vanuit een concreet voorbeeld: planten leggen energie vast, planteneters eten planten, vleeseters eten planteneters. Bij elke stap wordt een deel van de energie gebruikt door het organisme zelf. Slechts een deel komt terecht bij de volgende schakel. Daarom kan een ecosysteem meestal maar een beperkt aantal dieren bovenaan de voedselpiramide dragen.
Voorbeelden:
De focus ligt hier op het kunnen uitleggen aan de hand van de voedselpiramide. De leerling redeneert vanuit een concreet voorbeeld: planten leggen energie vast, planteneters eten planten, vleeseters eten planteneters. Bij elke stap wordt een deel van de energie gebruikt door het organisme zelf. Slechts een deel komt terecht bij de volgende schakel. Daarom kan een ecosysteem meestal maar een beperkt aantal dieren bovenaan de voedselpiramide dragen.
Voorbeelden:
- De leerling legt uit dat planten onderaan de voedselpiramide staan omdat zij de basis vormen voor veel voedselrelaties.
- De leerling legt uit dat een planteneter, zoals een konijn of rups, niet alle energie uit de plant doorgeeft aan een roofdier. Een deel van die energie gebruikt het dier zelf om te bewegen, te groeien en warm te blijven.
- De leerling legt uit dat een roofdier, zoals een vos of vogel, opnieuw een deel van de opgenomen energie zelf gebruikt voor beweging, groei en warmte. Daardoor blijft er minder energie over voor een dier dat nog hoger in de voedselpiramide zou staan.
- De leerling verwoordt: “Bij elke stap wordt een deel van de energie gebruikt voor beweging, groei en warmte. Daarom zijn er minder dieren bovenaan de voedselpiramide.”
- De leerling kan een eenvoudige voedselpiramide toelichten, bijvoorbeeld: gras → konijn → vos. Er is veel gras nodig om meerdere konijnen te voeden, en er zijn meerdere konijnen nodig om één vos te laten leven.
- De leerling legt uit dat energie niet “verdwijnt”, maar dat een deel wordt omgezet en gebruikt, onder andere als warmte.
Kennis in de encyclopedie
Voor dit doel is nog geen artikel of dossier uitgewerkt.
Minimumdoelen
- 3.2.21 zesde leerjaar
Samenhang volgens de bron
De bron vermeldt geen samenhangrelaties.