Op.stap · oorspronkelijke discipline

Aardrijkskunde

Topografie

Topografisch referentiekader

  • 4.1.GK2.1 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen water, land en de polen op de wereldbol observeren.
  • 4.1.GK3.1 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de naam van: de rivier de Nijl.
  • 4.1.GK3.2 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen water, land en de polen op de wereldbol aanduiden.
  • 4.1.GL1.1 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ligging van de werelddelen observeren.
  • 4.1.GL2.1 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ligging van de werelddelen observeren.
  • 4.1.GL3.1 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ligging van de oceanen observeren.
  • 4.1.GL3.2 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: de werelddelen: Afrika, Antarctica, Azië, Europa, Oceanië, Noord-Amerika en Zuid-Amerika;
  • 4.1.GL3.3 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ligging van plaatsen uit de actualiteit en uit de geschiedenis observeren.
  • 4.1.GL4.1 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: de Grote Oceaan, Atlantische Oceaan en Indische Oceaan;
  • 4.1.GL4.2 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ligging van plaatsen uit de actualiteit en uit de geschiedenis observeren.
  • 4.1.GL5.1 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: Egypte, Congo;
  • 4.1.GL5.2 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: de Verenigde Staten van Amerika;
  • 4.1.GL5.3 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: Australië;
  • 4.1.GL5.4 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: China, Israël;
  • 4.1.GL5.5 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: Turkije;
  • 4.1.GL5.6 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ligging van plaatsen uit de actualiteit en uit de geschiedenis observeren.
  • 4.1.GL6.1 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: Marokko, Zuid-Afrika;
  • 4.1.GL6.2 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: Canada, Mexico;
  • 4.1.GL6.3 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: Brazilië, Argentinië;
  • 4.1.GL6.4 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: Nieuw-Zeeland;
  • 4.1.GL6.5 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: India, Japan, Iran;
  • 4.1.GL6.6 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: een aantal grote rivieren: de Amazone;
  • 4.1.GL6.7 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: een aantal bergketens: Himalaya;
  • 4.1.GL6.8 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: de hoogste berg ter wereld: Mount Everest.
  • 4.1.GL6.9 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ligging van plaatsen uit de actualiteit en uit de geschiedenis observeren.
  • 4.1.GK3.3 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de naam van: België;
  • 4.1.GK3.4 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de naam van: een plaatselijke rivier;
  • 4.1.GL1.2 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: België.
  • 4.1.GL1.3 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: Noordzee;
  • 4.1.GL1.4 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: een plaatselijke rivier.
  • 4.1.GL3.4 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: de eigen regio;
  • 4.1.GL3.5 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: de Belgische provincies;
  • 4.1.GL3.6 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: de gemeenschappen;
  • 4.1.GL3.7 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: Schelde, Maas en IJzer;
  • 4.1.GL3.8 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: een aantal regio's van België: kuststreek, Ardennen;
  • 4.1.GL3.9 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ligging van de Belgische provincies met hun hoofdplaatsen observeren.
  • 4.1.GL4.3 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: de Belgische provincies met hun hoofdplaatsen;
  • 4.1.GL4.4 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: de gewesten;
  • 4.1.GL4.5 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: een aantal regio's in België: Kempen, Hoge Venen;
  • 4.1.GL1.5 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: de schoolgemeente;
  • 4.1.GL2.2 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ligging van bekende plaatsen in de schoolgemeente observeren.
  • 4.1.GL2.3 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: eventuele deelgemeenten, en buurgemeenten;
  • 4.1.GL2.4 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ligging van de buurlanden van België observeren.
  • 4.1.GL3.10 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: de buurlanden van België;
  • 4.1.GL3.11 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: Middellandse Zee;
  • 4.1.GL4.6 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ligging van de landen van de Europese Unie observeren.
  • 4.1.GL4.7 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: de vulkaan: de Etna.
  • 4.1.GL5.7 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: landen van de Europese Unie, evenals het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zwitserland, Rusland;
  • 4.1.GL5.8 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ligging van de hoofdsteden van de landen van de Europese Unie observeren.
  • 4.1.GL5.9 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: een aantal grote rivieren: de Seine, de Donau, de Rijn;
  • 4.1.GL5.10 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: een aantal bergketens: Alpen, Pyreneeën, Oeral;
  • 4.1.GL6.10 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de naam en de ligging van: landen van de Europese Unie en hun hoofdsteden, evenals het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zwitserland, Rusland en hun hoofdsteden;

Relatieve en absolute ligging

  • 4.1.PF2.1 Fase 2 (P)De leerling verkent ruimtelijke begrippen in eigen context.
  • 4.1.PF3.1 Fase 3 (P)De leerling kan met ondersteuning taal koppelen aan (spel)opdrachten met ruimtelijke begrippen.
  • 4.1.GJK.1 jongste kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot relatieve ligging: binnen, buiten, in, uit;
  • 4.1.GK2.2 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot relatieve ligging: voor, achter, boven, onder, hoog, laag;
  • 4.1.GK2.3 2de kleuter (G)De leerlingen verkennen de volgende begrippen met betrekking tot relatieve ligging: dichtbij, veraf, opzij, tussen, naast, midden.
  • 4.1.GK3.5 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot relatieve ligging: dichtbij, veraf, opzij, tussen, in, uit, naast, midden;
  • 4.1.GL1.6 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen de volgende begrippen met betrekking tot relatieve ligging verkennen: het noorden, het oosten, het zuiden, het westen.
  • 4.1.GL2.5 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot relatieve ligging: de hoofdwindrichtingen, het noorden, het oosten, het zuiden, het westen, N, O, Z, W;
  • 4.1.GL3.12 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot relatieve ligging: de tussenwindrichtingen, het noordoosten, het zuidoosten, het zuidwesten, het noordwesten, NO, ZO, ZW, NW.
  • 4.1.+L6.1 6de leerjaar (+)De leerlingen kunnen illustreren dat er een verschil is tussen 'onder, boven, links, rechts' en 'het zuiden, het noorden, het westen, het oosten'
  • 4.1.GK3.6 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot absolute plaatsbepaling: de straatnaam en het huisnummer;
  • 4.1.GK3.7 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot absolute plaatsbepaling: de Noordpool, de Zuidpool.
  • 4.1.GL2.6 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot absolute plaatsbepaling: de thuisgemeente en de postcode, de schoolgemeente en de postcode;
  • 4.1.GL3.13 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de volgende begrippen met betrekking tot absolute plaatsbepaling verkennen: de evenaar, het noordelijk halfrond, het zuidelijk halfrond.
  • 4.1.GL4.8 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot absolute plaatsbepaling: de nulmeridiaan, de evenaar, het noordelijk halfrond, het zuidelijk halfrond, het oostelijk halfrond, het westelijk halfrond.
  • 4.1.GL5.11 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de volgende begrippen verkennen: Noordpoolcirkel en Zuidpoolcirkel.
  • 4.1.GL6.11 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen parallellen/breedtecirkels die het klimaat afbakenen: Steenbokskeerkring, Kreeftskeerkring; Noordpoolcirkel en Zuidpoolcirkel.

Aardrijkskundige kennis

Aarde en atmosfeer

  • 4.2.GK2.1 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen elementen met betrekking tot de aarde en haar atmosfeer observeren.
  • 4.2.GK3.1 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot kenmerken van de aarde en haar atmosfeer: het land, het water, de lucht, de rots, de grot, het zand.
  • 4.2.GL1.1 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen de aanwezigheid van water in de schoolgemeente illustreren.
  • 4.2.GL2.1 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de aanwezigheid van water in verschillende hoedanigheden illustreren.
  • 4.2.GL3.1 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot kenmerken van de aarde en haar atmosfeer: 'de blauwe planeet';
  • 4.2.GL3.2 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot kenmerken van de aarde en haar atmosfeer: het zoet en zout water;
  • 4.2.GL4.1 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het concept waterkringloop: verdamping, condensatie, wolken, neerslag, grondwater, oppervlaktewater.
  • 4.2.GL3.3 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot kenmerken van de aarde en haar atmosfeer: de atmosfeer.
  • 4.2.GL6.1 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de aarde en haar atmosfeer: het zuurstofgas, de koolstofdioxide.
  • 4.2.GL6.2 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de rol van de atmosfeer voor leven op aarde.
  • 4.2.GL4.2 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot kenmerken van de aarde en haar atmosfeer: de verschillende lagen van de aarde en hun relatieve temperatuur.
  • 4.2.GL4.3 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de kenmerken, oorzaken en gevolgen van vulkanen: waarom vulkanen uitbarsten: magma, lava, vulkaanpijp, krater;
  • 4.2.GL4.4 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de kenmerken, oorzaken en gevolgen van vulkanen: hoe vulkanen het landschap en menselijke activiteiten (landbouw, toerisme) kunnen beïnvloeden: aswolk, mineralen.
  • 4.2.GL5.1 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen het belang van delfstoffen vanuit verschillende perspectieven: economie, politiek, duurzaamheid.
  • 4.2.GL5.2 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de kenmerken, oorzaken en gevolgen van aardbevingen: voorbeelden van platen, plaatgrens, principe van platentectoniek; epicentrum, seismische golven, beving; de magnitude van een aardbeving;
  • 4.2.GL5.3 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de kenmerken, oorzaken en gevolgen van aardbevingen: voorbeelden van aardbevingen, ligging en mogelijke effecten: naschok, tsunami, aardverschuiving;
  • 4.2.GL5.4 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de kenmerken, oorzaken en gevolgen van aardbevingen: verwoesting;
  • 4.2.GL5.5 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de kenmerken, oorzaken en gevolgen van aardbevingen: inspanningen om schade door aardbevingen te anticiperen en te beperken: technieken bij constructie van gebouwen om schokken op te vangen, monitoren en preventief evacueren.
  • 4.2.GL5.6 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de ruimtelijke spreiding van aardbevingen, vulkanen en bergketens in verband brengen met de ligging van plaatgrenzen: de Ring van Vuur; patroon van vulkanen in het Middellandse Zeegebied waaronder de Etna.
  • 4.2.GL6.3 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een geologische structuur herkennen.
  • 4.2.GL6.4 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen fossielen herkennen als instrumenten om de ouderdom van lagen te bepalen.
  • 4.2.+L5.1 5de leerjaar (+)De leerlingen kunnen een voorbeeld geven van een gesteente, een sediment en een mineraal.
  • 4.2.+L6.1 6de leerjaar (+)De leerlingen verkennen de indeling van de geschiedenis van de Aarde in geologische tijdperken.

Landschappen

  • 4.2.PF3.1 Fase 3 (P)De leerling kan met ondersteuning taal koppelen aan natuurlijke en menselijke aspecten in eigen leefwereld of op eigen (vakantie)foto's.
  • 4.2.GJK.1 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen natuurlijke aspecten in (afgebeelde) landschappen observeren.
  • 4.2.GJK.2 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen menselijke aspecten in (afgebeelde) landschappen observeren.
  • 4.2.GL1.2 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen in een (afgebeeld) landschap voorbeelden van natuurlijke aspecten tonen.
  • 4.2.GL1.3 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen in een (afgebeeld) landschap voorbeelden van menselijke aspecten tonen.
  • 4.2.GL3.4 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: stedelijk, landelijk;
  • 4.2.GL3.5 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen van elementen in het (afgebeelde) landschap de functie van menselijke infrastructuur benoemen.
  • 4.2.GL6.5 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen specifieke natuurlandschappen identificeren op basis van de aanwezigheid van overwegend natuurlijke aspecten.
  • 4.2.GL6.6 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen specifieke cultuurlandschappen identificeren op basis van de aanwezigheid van overwegend menselijke aspecten.
  • 4.2.GK2.2 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen: de reliëfvorm: de berg;
  • 4.2.GK2.3 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen: de helling: omhoog, omlaag;
  • 4.2.GK3.2 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen: de reliëfvorm: de heuvel, de vallei;
  • 4.2.GK3.3 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen: de helling: steil, zacht;
  • 4.2.GL3.6 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: vlakte, plateau, heuvelland, gebergte.
  • 4.2.GL3.7 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen, inclusief de vorming en het proces ervan: het reliëf: de bergketen, het zeeniveau, de horizonlijn, de hoogte, het hoogteverschil.
  • 4.2.GL5.7 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen het volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen: het relief: de hellingsgraad;
  • 4.2.GK2.4 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen: het water: de zee, het strand, de plas;
  • 4.2.GK3.4 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen: het water: de oceaan, de rivier, de beek, de vijver;
  • 4.2.GL4.5 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen, inclusief de vorming en het proces ervan: de riviervorming en -processen: de bron, de typische kenmerken van beneden-, midden- en bovenloop van rivieren, het eroderen, het afzetten, de waterval, de meander, het estuarium, de delta;
  • 4.2.GL4.6 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen, inclusief de vorming en het proces ervan: de riviervorming en -processen: de smeltende ijskappen en gletsjers;
  • 4.2.GL6.7 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen, inclusief de vorming en het proces ervan: de kustprocessen en de gerelateerde landvormen en habitats: de golfslag, de kustlijn, de landtong, de kiezel, de zandduin, het koraalrif, de kusthabitat.
  • 4.2.GK2.5 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekken tot natuurlijke aspecten van landschappen: de vegetatie: de boom, het bos, het gras, de weide;
  • 4.2.GK3.5 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekken tot natuurlijke aspecten van landschappen: de vegetatie: het grasland, het riet, het gazon;
  • 4.2.GL1.4 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekken tot natuurlijke aspecten van landschappen: de vegetatie: het loofbos, het naaldbos;
  • 4.2.GL6.8 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekken tot natuurlijke aspecten van landschappen: de vegetatie en het verband met de bodem, vegetatietype en klimaat: de woestijn, de woestijnvorming, de steppe, de savanne, het regenwoud.
  • 4.2.GK3.6 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen: de bodem: vruchtbaar, zanderig, rotsachtig.
  • 4.2.GL2.2 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot natuurlijke aspecten van landschappen, inclusief de vorming en het proces ervan: de bodem: het zand, de klei, de leem, steenachtig.
  • 4.2.GK2.6 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: het wonen: het huis, de tuin;
  • 4.2.GK3.7 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: het wonen: het appartement;
  • 4.2.GL1.5 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: het wonen: het rijhuis, het vrijstaand huis, het appartementsgebouw, de stad.
  • 4.2.GL6.9 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: het wonen: de verstedelijking, de open ruimte, de ruimtelijke ordening;
  • 4.2.GK2.7 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de transportinfrastructuur: de straat;
  • 4.2.GK3.8 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de transportinfrastructuur: de weg, de bus, het spoor, de trein;
  • 4.2.GL2.3 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de transportinfrastructuur: de snelweg, het kanaal, de (lucht)haven;
  • 4.2.GL5.8 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de impact van de hellingsgraad op de transportinfrastructuur illustreren.
  • 4.2.GK2.8 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de landbouw: de boerderij, de stal, de koe, het schaap, het varken;
  • 4.2.GK3.9 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de landbouw: de akker, het gewas;
  • 4.2.GL3.8 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de landbouw: de akkerbouw, de veeteelt, de gemengde landbouw, de tuinbouw, de glastuinbouw.
  • 4.2.GL3.9 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de landbouwprocessen: irrigatie;
  • 4.2.GL3.10 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de verwerking en de distributie van gewassen;
  • 4.2.GL5.9 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de impact van de hellingsgraad op de landbouw illustreren.
  • 4.2.GL5.10 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de landbouw: de intensieve landbouw, de duurzame landbouw;
  • 4.2.GL5.11 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de landbouw: de voedselbewaring, -verwerking en -distributie;
  • 4.2.GK2.9 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de industrie: de fabriek;
  • 4.2.GK3.10 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de industrie: de werkplaats;
  • 4.2.GK2.10 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de handel en diensten: de winkel;
  • 4.2.GK3.11 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de handel en diensten: de markt, de bakkerij;
  • 4.2.GL1.6 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de handel en diensten: het kantoor, de bank, het winkelcentrum;
  • 4.2.GL5.12 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de handel en diensten: de opslagfaciliteiten voor grondstoffen, materialen en goederen.
  • 4.2.GK2.11 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de recreatie en het toerisme: de zee, het park;
  • 4.2.GK3.12 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de recreatie en het toerisme: het zwembad, de bibliotheek.
  • 4.2.GL2.4 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: de recreatie en het toerisme: het sportterrein, de entertainmentfaciliteit.
  • 4.2.GL4.7 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: het water als hulpbron: de dam, het reservoir, de waterkracht;
  • 4.2.GL4.8 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: het water als hulpbron: de vervuiling van waterhabitats;
  • 4.2.GL5.13 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: het menselijk gebruik van natuurlijke hulpbronnen: de duurzaamheid;
  • 4.2.GL6.10 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot infrastructuur en hun interactie met landschappen: het kustbeheer: de golfbrekers;

Indicatoren

  • 4.2.GL4.9 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot bevolking: de bevolkingsdichtheid
  • 4.2.GL4.10 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot bevolking: patronen van bevolkingsspreiding in een land of regio;
  • 4.2.GL4.11 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot bevolking: manieren om de diversiteit van de bevolking te beschrijven: de etniciteit, de religie, de leeftijd.
  • 4.2.GL4.12 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen verklarende factoren die verandering in bevolkingsaantallen beïnvloeden: migratie; geboortecijfer; industrialisatie en verstedelijking.
  • 4.2.GL6.11 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen vergelijkingen maken binnen en tussen landen door middel van aardrijkskundige indicatoren: bevolkingsaantal; bevolkingsdichtheid;
  • 4.2.GL5.14 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen het concept welvaart.
  • 4.2.GL5.15 5de leerjaar (G)De leerlingen weten dat er verschillende niveaus van welvaart zijn.
  • 4.2.GL6.12 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen vergelijkingen maken binnen en tussen landen door middel van aardrijkskundige indicatoren: welvaartsniveau.
  • 4.2.GL6.13 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen vergelijkingen maken binnen en tussen landen door middel van aardrijkskundige indicatoren: oppervlakte;

Weer en klimaat

  • 4.2.GK3.13 3de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot weersverschijnselen: de temperatuur; de neerslag; de bewolking; de wind.
  • 4.2.GK3.14 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen de relatie tussen bewolking en neerslag beschrijven.
  • 4.2.GL1.7 1ste leerjaar (G)De leerlingen weten dat het weer beschreven wordt op basis van kenmerken van de temperatuur, de neerslag, de bewolking en de wind.
  • 4.2.GL2.5 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen het verband tussen patronen in weersverschijnselen en de seizoenen illustreren.
  • 4.2.GL3.11 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot klimaatspecifieke en extreme weersverschijnselen: de hittegolf;
  • 4.2.GL3.12 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot klimaatspecifieke en extreme weersverschijnselen: de sneeuwstorm;
  • 4.2.GL3.13 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot klimaatspecifieke en extreme weersverschijnselen: de waterbom.
  • 4.2.GL4.13 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot klimaatspecifieke en extreme weersverschijnselen: de orkaan, de tyfoon;
  • 4.2.GL4.14 4de leerjaar (G)De leerlingen weten dat het weer beschreven wordt op basis van kenmerken van de windrichting en de windsnelheid.
  • 4.2.GL5.16 5de leerjaar (G)De leerlingen weten dat het weer beschreven wordt op basis van kenmerken van luchtdruk en windkracht.
  • 4.2.GL5.17 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorbeelden geven van hoe reliëf en seizoensgebonden oceaantemperaturen het weer beïnvloeden: luchtdruk, landmassa.
  • 4.2.GL4.15 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen het verschil tussen weer en klimaat.
  • 4.2.GL4.16 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de kenmerken van de belangrijkste klimaatzones: polair.
  • 4.2.GL4.17 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de kenmerken van de belangrijkste klimaatzones: tropisch.
  • 4.2.GL4.18 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de kenmerken van de belangrijkste klimaatzones: gematigd.
  • 4.2.GL6.14 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen het concept vegetatietype.
  • 4.2.GL6.15 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de relatie tussen de ligging van de breedtecirkels en klimaatzones: polair.
  • 4.2.GL6.16 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de relatie tussen de ligging van de breedtecirkels en klimaatzones: tropisch.
  • 4.2.GL6.17 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de relatie tussen de ligging van de breedtecirkels en klimaatzones: gematigd.

Kosmografie

  • 4.2.GK2.12 2de kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de aarde, de maan, de zon, de sterren.
  • 4.2.GL1.8 1ste leerjaar (G)De leerlingen kennen de zon als ster.
  • 4.2.GL2.6 2de leerjaar (G)De leerlingen weten dat de aarde een planeet is.
  • 4.2.GL4.19 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de namen van de planeten binnen ons zonnestelsel.
  • 4.2.GL4.20 4de leerjaar (G)De leerlingen verkennen het verschil tussen een planeet en een exoplaneet.
  • 4.2.GL5.18 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen kenmerken en verschijnselen van het heelal: planetenstelsel.
  • 4.2.GL5.19 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen kenmerken en verschijnselen van het heelal: zonnestelsel.
  • 4.2.GL5.20 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen kenmerken en verschijnselen van het heelal: sterren.
  • 4.2.+L5.2 5de leerjaar (+)De leerlingen kennen kenmerken en verschijnselen van het heelal: sterrenstelsel.
  • 4.2.PF3.2 Fase 3 (P)De leerling kan de seizoenen koppelen aan typische zintuiglijke ervaringen in hun leefwereld.
  • 4.2.GJK.3 jongste kleuter (G)De leerlingen kennen de volgende begrippen: de dag en de nacht.
  • 4.2.GJK.4 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen het ritme van dag en nacht herkennen.
  • 4.2.GK3.15 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen de beweging van de aarde om haar as tonen met behulp van een wereldbol.
  • 4.2.GL1.9 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen de plaats van de zon gedurende de dag observeren.
  • 4.2.GL3.14 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de duur en de richting van de beweging van de aarde om haar as.
  • 4.2.GL3.15 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen het ritme van dag en nacht uitleggen.
  • 4.2.GL4.21 4de leerjaar (G)De leerlingen kennen de relatie tussen de beweging van de aarde en dag/nacht, tijdszones.
  • 4.2.GK3.16 3de kleuter (G)De leerlingen verkennen de namen van de seizoenen.
  • 4.2.GK3.17 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen het ritme van de seizoenen in de directe omgeving herkennen.
  • 4.2.GL2.7 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de kenmerken van de seizoenen.
  • 4.2.GL2.8 2de leerjaar (G)De leerlingen kennen de namen en de begin- en einddatum van de seizoenen.
  • 4.2.GL5.21 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de duur en de richting van de beweging van de aarde rond de zon.
  • 4.2.GL6.18 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen het burgerlijk jaar en het schrikkeljaar in verband brengen met de beweging van de aarde rond de zon, rekening houdend met de schuine stand van de aardas.
  • 4.2.GL6.19 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de seizoenen in verband brengen met de beweging van de aarde rond de zon, rekening houdend met de schuine stand van de aardas.
  • 4.2.GL3.16 3de leerjaar (G)De leerlingen kennen de duur van de beweging van de maan om de aarde.
  • 4.2.GL3.17 3de leerjaar (G)De leerlingen weten dat we de maan in verschillende gestalten zien.
  • 4.2.GL5.22 5de leerjaar (G)De leerlingen kennen de maanfasen: volle maan, nieuwe maan, eerste kwartier, laatste kwartier.
  • 4.2.GL5.23 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de maanfasen in verband brengen met de beweging van de maan rond de aarde.
  • 4.2.GL6.20 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de getijden: eb, vloed, laagwater, hoogwater.
  • 4.2.GL6.21 6de leerjaar (G)De leerlingen kennen de eclipsen: zonsverduistering, maansverduistering.
  • 4.2.GL6.22 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de getijden in verband brengen met de beweging van de maan rond de aarde.
  • 4.2.GL6.23 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de eclipsen in verband brengen met de beweging van de maan rond de aarde.

Aardrijkskundige vaardigheden, onderzoek en denken

Ruimtelijke vaardigheden

  • 4.3.GK3.1 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen een ruimtelijke indeling van een kamer en een buitenruimte beschrijven door observatie en geheugen.
  • 4.3.GL2.1 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: zichzelf in de werkelijke ruimte oriënteren met behulp van verschillende methoden: plattegrond;
  • 4.3.GL3.1 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardijkskundige vaardigheden: zichzelf oriënteren met behulp van verschillende methoden: kaart;
  • 4.3.GL4.1 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een route op een analoge kaart uitvoeren.
  • 4.3.GL4.2 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardijkskundige vaardigheden: zichzelf oriënteren met behulp van verschillende methoden: kompas;
  • 4.3.GL4.3 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardijkskundige vaardigheden: zichzelf oriënteren met behulp van verschillende methoden: zon;
  • 4.3.GK2.1 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen een wereldbol herkennen als een verkleinde weergave van de aarde.
  • 4.3.GK2.2 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een wereldbol identificeren.
  • 4.3.GK3.2 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een wereldbol lokaliseren.
  • 4.3.GL1.1 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een wereldbol lokaliseren.
  • 4.3.GJK.1 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen een foto en een tekening herkennen als een verkleinde weergave van een werkelijke ruimte.
  • 4.3.GJK.2 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen elementen op een foto of tekening van een ruimte herkennen.
  • 4.3.GK3.3 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen een geobserveerde ruimte weergeven door middel van een eenvoudige tekening of schets.
  • 4.3.GL1.2 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen elementen op een luchtfoto identificeren.
  • 4.3.GL4.4 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekkingen tot aardrijkskundige vaardigheden: landschappen schetsen om menselijke en natuurlijke aspecten schematisch weer te geven;
  • 4.3.GL5.1 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: satellietbeelden hanteren;
  • 4.3.GK2.3 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen een maquette herkennen als een verkleinde weergave van een werkelijke ruimte.
  • 4.3.GK3.4 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een maquette identificeren.
  • 4.3.GL1.3 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen zelf een maquette van een voor hen bekende omgeving maken.
  • 4.3.GL1.4 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen een maquette oriënteren op basis van herkenningspunten in de werkelijke ruimte.
  • 4.3.GL1.5 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een maquette lokaliseren.
  • 4.3.GL1.6 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen bij een eigen maquette een legende met symbolen maken.
  • 4.3.GK3.5 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen een plattegrond herkennen als een verkleinde en vereenvoudigde weergave van een ruimte.
  • 4.3.GL1.7 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een plattegrond identificeren.
  • 4.3.GL1.8 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een plattegrond lokaliseren.
  • 4.3.GL1.9 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen de legende bij een plattegrond verkennen.
  • 4.3.GL2.2 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen zelf een plattegrond maken van een voor hen bekende omgeving.
  • 4.3.GL2.3 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een plattegrond oriënteren op basis van herkenningspunten in de werkelijke ruimte.
  • 4.3.GL2.4 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een plattegrond identificeren.
  • 4.3.GL2.5 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een plattegrond lokaliseren.
  • 4.3.GL2.6 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een route op een plattegrond van een bekende omgeving uitvoeren.
  • 4.3.GL2.7 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen bij een eigen plattegrond een legende met symbolen maken.
  • 4.3.GL2.8 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een legende bij een plattegrond hanteren.
  • 4.3.GL3.2 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een route op een plattegrond uitstippelen.
  • 4.3.GK3.6 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen een kaart herkennen als een tekening waarop de naam en de ligging van plaatsen staat.
  • 4.3.GL1.10 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een analoge en digitale kaart lokaliseren.
  • 4.3.GL2.9 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een analoge en digitale kaart lokaliseren.
  • 4.3.GL3.3 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief oriëntatie, windrichtingen;
  • 4.3.GL3.4 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een analoge en digitale kaart lokaliseren.
  • 4.3.GL3.5 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen het werken met een legende verkennen.
  • 4.3.GL4.5 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief werken met legende, oriëntatie, (tussen)windrichtingen;
  • 4.3.GL4.6 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een route op een analoge kaart uitstippelen.
  • 4.3.GL4.7 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: werken met register;
  • 4.3.GL4.8 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: werken met vakcoördinaten;
  • 4.3.GL5.2 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: verschillende soorten kaarten gebruiken: staatkundig;
  • 4.3.GL5.3 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: verschillende soorten kaarten gebruiken: natuurkundig;
  • 4.3.GL5.4 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: verschillende soorten kaarten gebruiken: thematisch;
  • 4.3.GL6.1 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: verschillende soorten kaarten gebruiken: staatkundig;
  • 4.3.GL6.2 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: verschillende soorten kaarten gebruiken: natuurkundig;
  • 4.3.GL6.3 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: verschillende soorten kaarten gebruiken: thematisch;
  • 4.3.GL6.4 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: een klein gebied in kaart brengen met behulp van cartografische technieken: generaliseren, symboliseren, oriënteren, schaal aanbrengen;
  • 4.3.+L5.1 5de leerjaar (+)De leerlingen kunnen werken met schaal.
  • 4.3.GL4.9 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een route op een digitale routeplanner uitvoeren.
  • 4.3.GL4.10 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen een route met een digitale routeplanner uitstippelen.

Aardrijkskundig onderzoek

  • 4.3.PF2.1 Fase 2 (P)De leerling verkent weersverschijnselen met alle zintuigen.
  • 4.3.PF2.2 Fase 2 (P)De leerling drukt zich uit over ervaringen met weersverschijnselen.
  • 4.3.PF3.1 Fase 3 (P)De leerling legt met ondersteuning een verband tussen de weersverschijnselen en de actie die erbij hoort.
  • 4.3.PF3.2 Fase 3 (P)De leerling kan met ondersteuning taal koppelen aan ervaringen met weersverschijnselen.
  • 4.3.GJK.3 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen weersverschijnselen observeren.
  • 4.3.GK2.4 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen geobserveerde weersverschijnselen voorstellen door middel van pictogrammen.
  • 4.3.GK2.5 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen een neerslagvorm observeren: regen;
  • 4.3.GK2.6 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen een neerslagvorm observeren: sneeuw;
  • 4.3.GK3.7 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen een neerslagvorm observeren: hagel;
  • 4.3.GK3.8 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen een neerslagvorm observeren: mist.
  • 4.3.GL1.11 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen het weer beschrijven op basis van de geobserveerde temperatuur, de neerslag, de bewolking en de wind.
  • 4.3.GL2.10 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen op verschillende momenten observaties van weersverschijnselen weergeven.
  • 4.3.GL3.6 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundig onderzoek: gegevens uit weersvoorspellingen gebruiken: temperatuur, neerslag, windrichting en bewolking.
  • 4.3.GL4.11 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundig onderzoek: instrumenten gebruiken om neerslag (pluviometer) te meten;
  • 4.3.GL4.12 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de thermometer gebruiken om de temperatuur te meten.
  • 4.3.GL4.13 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundig onderzoek: observaties en instrumenten gebruiken om windrichting (vlaggen, bomen, rook, windvaan) te meten;
  • 4.3.GL4.14 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundig onderzoek: observaties en instrumenten gebruiken om windsnelheid (anemometer) te meten;
  • 4.3.GL3.7 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: aardrijkskundige staafgrafieken bespreken.
  • 4.3.GL4.15 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: aardrijkskundige lijngrafieken bespreken.
  • 4.3.GL5.5 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: klimatogrammen lezen.
  • 4.3.+L6.1 6de leerjaar (+)De leerlingen kunnen kwantitatieve gegevens die in de omgeving van de school zijn verzameld registreren.
  • 4.3.+L6.2 6de leerjaar (+)De leerlingen kunnen kwantitatieve gegevens die in de omgeving van de school zijn verzameld onderzoeken.
  • 4.3.+L6.3 6de leerjaar (+)De leerlingen kunnen kwantitatieve gegevens die in de omgeving van de school zijn verzameld presenteren.

Aardrijkskundig denken

  • 4.3.GJK.4 jongste kleuter (G)De leerlingen kunnen een actueel ruimtelijk vraagstuk bespreken in termen van gevolgen en relatieve meting.
  • 4.3.GK2.7 2de kleuter (G)De leerlingen kunnen een actueel ruimtelijk vraagstuk bespreken in termen van gevolgen en relatieve meting.
  • 4.3.GK3.9 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen een actueel ruimtelijk vraagstuk bespreken in termen van gevolgen en relatieve meting.
  • 4.3.GK3.10 3de kleuter (G)De leerlingen kunnen ideeën genereren om actuele ruimtelijke problemen op te lossen met behulp van relatieve ruimtelijke begrippen.
  • 4.3.GL1.12 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 1ste jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: ruimtelijke posities, relaties en contrasten;
  • 4.3.GL2.11 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 2e jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: ruimtelijke posities, relaties en contrasten;
  • 4.3.GL3.8 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 3de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: ruimtelijke posities, relaties en contrasten;
  • 4.3.GL4.16 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 4de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: ruimtelijke posities, relaties en contrasten;
  • 4.3.GL5.6 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 5de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: ruimtelijke posities, relaties en contrasten;
  • 4.3.GL6.5 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: ruimtelijke posities, relaties en contrasten;
  • 4.3.GL1.13 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen de onmiddellijke gevolgen van eigen handelingen op de eigen leefomgeving toelichten.
  • 4.3.GL2.12 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de onmiddellijke gevolgen van eigen handelingen in de leefomgeving voorstellen onder de vorm van als-dan-relaties.
  • 4.3.GL3.9 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de gevolgen van een gebeurtenis voor de aarde en de mensen vaststellen.
  • 4.3.GL4.17 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen de gevolgen van een gebeurtenis voor de aarde en de mensen vaststellen.
  • 4.3.GL5.7 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen illustreren hoe wat mensen nu en hier doen gevolgen heeft, voor later en voor anderen elders op de aarde.
  • 4.3.GL5.8 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen illustreren hoe een gebeurtenis zowel aspecten met betrekking tot de planeet, de mensen en de welvaart kan beïnvloeden.
  • 4.3.GL6.6 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen illustreren hoe wat mensen nu en hier doen gevolgen heeft, voor later en voor anderen elders op de aarde.
  • 4.3.GL6.7 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen illustreren hoe een gebeurtenis zowel aspecten met betrekking tot de planeet, de mensen en de welvaart kan beïnvloeden.
  • 4.3.GL1.14 1ste leerjaar (G)De leerlingen kunnen vanuit kennis over een specifieke duurzaamheidskwestie duurzame keuzes in de leefomgeving toelichten.
  • 4.3.GL2.13 2de leerjaar (G)De leerlingen kunnen vanuit kennis over een specifieke duurzaamheidskwestie duurzame keuzes in de eigen leefomgeving toelichten.
  • 4.3.GL3.10 3de leerjaar (G)De leerlingen kunnen vanuit kennis over een specifieke duurzaamheidskwestie debatteren over waarom ze al dan niet willen bijdragen aan een duurzame wereld.
  • 4.3.GL4.18 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen vanuit kennis over een specifieke duurzaamheidskwestie debatteren over waarom ze al dan niet willen bijdragen aan een duurzame wereld.
  • 4.3.GL5.9 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen in het kader van een specifieke duurzaamheidskwestie actiecompetent aan een duurzame wereld bijdragen.
  • 4.3.GL6.8 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen in het kader van een specifieke duurzaamheidskwestie actiecompetent aan een duurzame wereld bijdragen.
  • 4.3.GL4.19 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 4de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: interactie op verschillende schalen;
  • 4.3.GL5.10 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 5de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: interactie op verschillende schalen;
  • 4.3.GL6.9 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: interactie op verschillende schalen;
  • 4.3.GL4.20 4de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 4de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: verandering in de tijd, inclusief de toekomst.
  • 4.3.GL5.11 5de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 5de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: verandering in de tijd, inclusief de toekomst.
  • 4.3.GL6.10 6de leerjaar (G)De leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: verandering in de tijd, inclusief de toekomst.