De Romeinen
Van een stad aan de Tiber tot een rijk rond de Middellandse Zee, en wat dat betekende voor de mensen in Rome, in Pompeï en in onze streken.
Zo gemarkeerd: een woord dat Op.stap bij dit onderwerp expliciet gebruikt.
Rome begon als een stad op het Italiaanse schiereiland. Eeuwen later beheerste ze een rijk rond de Middellandse Zee, tot aan de Rijn en de Noordzee. Dit artikel volgt die geschiedenis langs de onderwerpen die leerlingen in het tweede en derde leerjaar tegenkomen: de strijd tussen Rome en Carthago, het dagelijks leven in Pompeï, de verovering van Gallië door Caesar, het keizerrijk van Augustus, de Romeinse tijd in onze streken, de plaats van vrouwen zoals Cornelia en het ontstaan van het christendom.
Eerst de grote lijn, zoals een Romein ze zelf samenvatte. De geschiedschrijver Tacitus begint zijn Annalen zo: Rome had in het begin koningen; daarna voerde Brutus de vrijheid en het consulaat in. Wie later langdurig de macht greep, zoals Cinna en Sulla, hield het niet lang vol. De macht van Pompeius en Crassus ging over naar Caesar, die van Lepidus en Antonius naar Augustus. Augustus nam de staat, die uitgeput was door de burgeroorlogen, onder zijn gezag met de titel princeps, ‘de eerste’ (Tacitus, Ann. 1, 1.1–2). Augustus zelf stelde het voor alsof hij de macht teruggaf aan senaat en volk (zie verder) (Res gestae, 34). Na hem regeerden keizers. Een van hen, Constantijn, regeerde in de vierde eeuw en stierf in 337 (Wasson 2013, Constantine I). Dat overzicht is een hulp bij het lezen: de hoofdstukken hieronder gaan telkens over één stuk van die geschiedenis.
Gebruik de inhoudsopgave om meteen naar een onderdeel te gaan. Elk hoofdstuk is zelfstandig leesbaar, en de verbanden tussen de hoofdstukken worden in de tekst aangegeven. Waar het kan, laten we de bronnen uit de tijd zelf aan het woord: Latijnse en Griekse teksten, brieven en schrijfplankjes. Ze staan in een apart kader, met erbij wie ze schreef en wie ze vertaalde.
Van stadstaat tot wereldrijk
Sommige steden slaagden erin hun invloed uit te breiden over steeds grotere gebieden, en dat leidde geregeld tot conflicten. Op.stap verbindt dat met de stadstaten in Mesopotamië, die leerlingen al eerder leren kennen. Rome is daar een duidelijk voorbeeld van (KOV Op.stap 1.3): een stad die begon met haar eigen grondgebied en daarna steeds meer gebieden en volken onder haar gezag bracht. Wanneer een staat zijn macht zo uitbreidt over andere gebieden en volken, spreken we van imperialisme. Het woord komt verderop in dit artikel nog terug, bij Caesar en bij Augustus.
Hoe Rome zelf begonnen was, vertelden de Romeinen met een verhaal over een tweeling die als baby te vondeling werd gelegd en door een dorstige wolvin gevonden werd (Livius, boek 1, 1.4.3–4). De geschiedschrijver Livius vertelt dat verhaal, maar hij zet er zelf een nuchtere uitleg naast:
Uit de tijd zelf
Er zijn mensen die denken dat Larentia, omdat ze haar lichaam aan iedereen prijsgaf, onder de herders ‘wolvin’ genoemd werd. Daaruit zou het verhaal en het wonder zijn ontstaan.
Sunt qui Larentiam volgato corpore lupam inter pastores vocatam putent; inde locum fabulae ac miraculo datum.
Het volledige verhaal, met de kernzinnen van Livius in vertaling, staat in het artikel Bron en bewijs. Het is een verhaal over het begin van Rome, geen verslag ervan.

Rome en Carthago
Rome kwam bij die uitbreiding in botsing met Carthago, een machtige stad aan de Noord-Afrikaanse kust. Tussen beide steden vonden drie oorlogen plaats, de Punische oorlogen: van 264 tot 241, van 218 tot 201 en van 149 tot 146 v.o.t. De laatste oorlog eindigde in 146 v.o.t. met de verwoesting van Carthago (Mark 2018, Punic Wars).
Dat Carthago vernietigd moest worden, vond in Rome lang niet iedereen. De Griekse schrijver Plutarchus vertelt in zijn levensbeschrijving van de Romeinse politicus Cato hoe twee senatoren telkens tegenover elkaar stonden:
Uit de tijd zelf
Bij elke stemming, over welke kwestie ook, voegde Cato er nog iets aan toe: ‘Naar mijn mening moet Carthago vernietigd worden.’ Publius Scipio Nasica daarentegen sloot, telkens als hem om zijn stem gevraagd werd, zijn rede af met deze woorden: ‘Naar mijn mening moet Carthago gespaard worden.’
Plutarchus schreef in het Grieks. De bekende Latijnse zin ‘Carthago delenda est’ staat dus niet in deze tekst; Plutarchus geeft Cato’s woorden in het Grieks (Plutarchus, Cato Maior (Perrin), 27.1).
Hannibal
De bekendste figuur aan Carthaagse kant is de veldheer Hannibal, de aanvoerder van het Carthaagse leger in de tweede oorlog. Livius noemt de oorlog die Hannibal tegen Rome voerde “de meest gedenkwaardige oorlog van allemaal” (Livius, 21.1). Meteen daarna vertelt hij hoe Hannibal als jongen van ongeveer negen jaar gezworen zou hebben dat hij een vijand van het Romeinse volk zou worden zodra hij kon:
Uit de tijd zelf
Men vertelt ook dat Hannibal, ongeveer negen jaar oud, zijn vader Hamilcar op kinderlijke wijze smeekte hem mee te nemen naar Spanje, toen deze na het einde van de Afrikaanse oorlog offerde voor de overtocht van het leger. Hij werd naar het altaar gebracht, raakte de offers aan en werd door een eed gebonden: zodra hij kon, zou hij een vijand van het Romeinse volk zijn.
Fama est etiam Hannibalem annorum ferme novem …
Let op de eerste woorden, fama est: ‘men vertelt’. Livius geeft een verhaal door dat over Hannibal de ronde deed. Hij was er niet bij.
Uitbreiding Twee verhalen over één eed
Dezelfde eed staat ook bij een andere geschiedschrijver, Polybius. Bij hem is het Hannibal zelf die het verhaal vertelt, jaren later, aan koning Antiochus. Hannibal wil de koning daarmee overtuigen dat hij nooit een vriend van Rome zal worden (Polybius 3 (Paton), 3.11.1–8).
Uit de tijd zelf
Hij vertelde dat hij als negenjarige bij het altaar stond toen zijn vader Hamilcar, vlak voor de tocht naar Spanje, aan Zeus offerde. … Zijn vader nam hem bij de hand, leidde hem naar het altaar en liet hem zijn hand op het offerdier leggen en zweren dat hij nooit een vriend van de Romeinen zou zijn.
De twee teksten vertellen bijna hetzelfde, maar op een andere manier. Livius schrijft ‘men vertelt’. Bij Polybius spreekt Hannibal zelf, tegen een koning die hij wil overtuigen. Een goede vraag voor de klas: waarom zou Hannibal dit verhaal juist op dat moment vertellen? Elke bron heeft een verteller en een doel.
In 218 v.o.t. trok Hannibal met zijn leger over de Alpen naar Italië. In 216 v.o.t. versloeg hij de Romeinen bij Cannae, maar in 202 v.o.t. werd hij bij Zama verslagen (Mark 2018, Punic Wars).
Uitbreiding De tocht over de Alpen, zoals Livius erover schrijft
Livius beschrijft de tocht uitgebreid in zijn boek 21. Twee passages laten zien hoe hij werkt.
Op een steile plek versperden rotsen de weg. Livius vertelt hoe de soldaten die rotsen kapot kregen:
Uit de tijd zelf
Ze maakten een enorme stapel hout, en toen er een wind opstak die het vuur goed hielp, staken ze die aan; ze goten azijn over de gloeiende rotsen en maakten ze zo bros.
Of het zo gegaan is, weten we niet: het is het verhaal zoals Livius het vertelt. Even verder geeft hij zelf toe dat de schrijvers het over belangrijke dingen oneens zijn:
Uit de tijd zelf
Hoe groot Hannibals leger was toen hij Italië binnentrok, daarover zijn de schrijvers het volstrekt niet eens. Wie het hoogste cijfer geeft, spreekt van honderdduizend voetsoldaten en twintigduizend ruiters; wie het laagste geeft, van twintigduizend voetsoldaten en zesduizend ruiters. Lucius Cincius Alimentus, die schrijft dat hij door Hannibal gevangen werd genomen, zou het meest gezag hebben, als hij het getal niet door elkaar haalde door de Galliërs en Liguriërs erbij te tellen …
Quantae copiae transgresso in Italiam Hannibali fuerint nequaquam inter auctores constat.
Livius vergelijkt dus zelf zijn bronnen, en hij weegt ze: een schrijver die Hannibal van dichtbij meemaakte, zou meer gezag hebben, maar telt volgens Livius verkeerd. Het verschil tussen de hoogste en de laagste schatting is enorm. De volledige Latijnse tekst staat op The Latin Library.
Dagelijks leven in Pompeï
Met dagelijks leven bedoelen we wat gewone mensen elke dag deden: hoe ze woonden, wat ze aten, hoe ze werkten en met elkaar omgingen. Daarover vertellen de grote geschiedenisboeken van de Romeinen weinig. Voor het dagelijks leven zijn vondsten vaak de beste bron.
De uitbarsting van de Vesuvius
Over het dagelijks leven in een Romeinse stad weten we veel dankzij Pompeï. In 79 o.t. begroef een uitbarsting van de Vesuvius die stad. Daardoor bleven enorm veel sporen van het dagelijks leven bewaard (KOV Op.stap 1.3).
Er bestaat ook een ooggetuigenverslag. Plinius de Jongere beschreef de ramp later in twee brieven aan de geschiedschrijver Tacitus. In de eerste vertelt hij hoe zijn oom, Plinius de Oudere, om het leven kwam. Volgens die brief zag men de wolk boven de berg op de negende dag voor de kalenden van september, dus op 24 augustus (Plinius, Ep., 6.16; 6.20).
Uit de tijd zelf
Hij was in Misenum en voerde persoonlijk het bevel over de vloot. Op de negende dag voor de kalenden van september, omstreeks het zevende uur, wijst mijn moeder hem op een wolk van ongewone grootte en vorm. … Er steeg een wolk op. Voor wie van ver keek, was niet duidelijk uit welke berg; later bleek het de Vesuvius te zijn. Zijn gedaante en vorm kon je met geen boom beter vergelijken dan met een pijnboom.
Nonum Kal. Septembres hora fere septima mater mea indicat ei apparere nubem inusitata et magnitudine et specie.
Volgens het archeologisch park van Pompeï geven de oudste handschriften van de brief die datum eenstemmig. Dat wil niet zeggen dat hij zeker juist is: Plinius kan zich vergist hebben (Zuchtriegel e.a. 2024). In 2018 vonden archeologen in Pompeï een opschrift in houtskool met de datum ‘zestien dagen voor de kalenden van november’, 17 oktober, maar zonder jaar. Het werd eerst voorgesteld als bewijs voor een uitbarsting in oktober 79 (ANSA 2018). Een proef van het park toonde daarna dat zo’n houtskoolopschrift, aangebracht op 17 oktober 2023 op dezelfde muur, tien maanden later nog perfect leesbaar was. Het opschrift kan dus ook uit oktober 78 stammen (Zuchtriegel e.a. 2024). Het jaar 79 staat vast; de dag blijft onderwerp van onderzoek. Houd het in de klas bij het jaar 79.
Uitbreiding Wat Plinius zag: de tweede brief
In zijn tweede brief vertelt Plinius wat hij zelf beleefde toen hij op de vlucht was voor de as (Plinius, Ep., 6.20). Drie korte stukken:
Uit de tijd zelf
Er viel al as, maar nog weinig. Ik keek om: een dikke duisternis dreigde achter ons, die ons als een stroom over het land volgde. … We waren nauwelijks gaan zitten of het werd nacht, niet zoals een nacht zonder maan of met wolken, maar zoals in een gesloten kamer waar het licht is gedoofd. Je hoorde het gejammer van vrouwen, het gehuil van kinderen, het geroep van mannen. De een zocht zijn ouders, de ander zijn kinderen, een derde zijn echtgenote, en ze herkenden elkaar alleen aan de stem.
Uit de tijd zelf
Velen hieven de handen naar de goden, meer nog waren er die meenden dat er nergens meer goden waren en dat dit de eeuwige, laatste nacht van de wereld was.
Uit de tijd zelf
Voor onze nog schrikachtige ogen was alles veranderd, bedekt met een dikke laag as, als met sneeuw.
… mutata omnia altoque cinere tamquam nive obducta.
Plinius schreef deze brieven op vraag van Tacitus (Plinius, Ep., 6.16.1; 6.20.1). Hij zegt er zelf bij dat een brief iets anders is dan een geschiedenis: aliud est epistulam aliud historiam scribere (Plinius, Ep., 6.16.22). Voor de klas is dat een mooie vraag: wat is het verschil tussen iemand die vertelt wat hij beleefde, en iemand die later de geschiedenis opschrijft? De volledige Latijnse tekst van beide brieven staat op The Latin Library.
Een datum als onderzoeksvraag: geen extra leerlingdoel
Het debat over augustus of oktober is een mooi, klein voorbeeld van historisch onderzoek: een geschreven bron (de brief van Plinius) en een archeologische vondst (het houtskoolopschrift) lijken elkaar tegen te spreken. Ze zijn wel niet even sterk: een brief waarvan de oudste handschriften dezelfde dag geven, tegenover een opschrift zonder jaartal (Zuchtriegel e.a. 2024). Laat leerlingen ze dus niet vergelijken als twee even zekere data. Wie de datum opzoekt, vindt ook vaak 24 oktober. Volgens dezelfde publicatie heeft die datum geen basis in de handschriften: ze komt uit een verkeerd gebruik van de handschrifttraditie en is nog geen honderd jaar oud. Dat het houtskoolopschrift niet langer als bewijs voor oktober kan dienen, maakt 24 augustus ook niet zeker (Zuchtriegel e.a. 2024). Leerlingen hoeven de datum niet te kennen. Het jaar 79 volstaat.

Brood, keukens en molens
In Pompeï werden keukens teruggevonden, de ruimtes in een huis waar het eten werd klaargemaakt, met het brood dat er toen gegeten werd (KOV Op.stap 1.3). Ook de productie van dat brood is zichtbaar. In 2023 vond het archeologische park een bakkerij met vier molenstenen dicht bij elkaar. Slaafgemaakten en ezels werden daar opgesloten om graan te malen. De ruimte had alleen kleine ramen hoog in de muur, met ijzeren tralies. In de vloer zitten halfronde inkepingen, waarschijnlijk om de dieren in hun rondjes te leiden en te voorkomen dat ze uitgleden. Dat het om opgesloten slaafgemaakten ging, is de interpretatie van de opgravers op basis van die inrichting. Ze verwijzen naar een gelijkaardige molen in de roman Metamorfosen van Apuleius uit de tweede eeuw, een verhaal en geen ooggetuigenverslag uit Pompeï (Parco Archeologico di Pompei 2023).
Zo beschrijft Apuleius de werkers in die verzonnen molen:
Uit de tijd zelf
Goede goden, wat een mensjes liepen daar rond! Hun hele huid zat vol blauwe striemen, hun geslagen rug was eerder beschaduwd dan bedekt door een gescheurd lapje, sommigen hadden alleen een schamel lendendoekje om. … Hun voorhoofd was gebrandmerkt met letters, hun haar half geschoren, hun voeten geketend.
Dii boni, quales illic homunculi …
Dit is fictie: een roman, geschreven lang na de ondergang van Pompeï. Het fragment toont hoe een Romeinse schrijver zich zo’n molen voorstelde, niet hoe het in de bakkerij van Pompeï toeging (Apuleius, Met. 9, 9.11–12).

Slaafgemaakten
Op.stap vermeldt dat in Pompeï ook overblijfselen van slaafgemaakten werden teruggevonden (KOV Op.stap 1.3). Slaafgemaakten waren mensen die het bezit waren van een ander: hun eigenaar kon hen laten werken, verkopen of straffen. Wees voorzichtig met wat je uit de resten afleidt: aan menselijke resten alleen zie je niet of iemand slaaf was. Daarvoor zijn andere aanwijzingen nodig, zoals de plek of opschriften. De directeur van het park noemde de bakkerij “de meest schokkende kant van de oude slavernij”: mensen werden er met brute kracht gecontroleerd, niet met vertrouwen of met de belofte van vrijlating (Parco Archeologico di Pompei 2023).
Niet elke Romein dacht er hetzelfde over. De schrijver Seneca schreef een brief over de manier waarop je met je slaven omgaat:
Uit de tijd zelf
‘Het zijn slaven.’ Nee, het zijn mensen. ‘Het zijn slaven.’ Nee, huisgenoten. ‘Het zijn slaven.’ Nee, bescheiden vrienden. ‘Het zijn slaven.’ Nee, medeslaven, als je bedenkt dat het lot over jullie beiden evenveel macht heeft. … Dan gaat een gezegde rond dat uit dezelfde hoogmoed komt: zoveel slaven, zoveel vijanden. Wij hebben ze niet als vijanden, wij maken ze tot vijanden.
‘Servi sunt.’ Immo homines.
Dat is één Romeinse stem, geen beschrijving van hoe Romeinen in het algemeen met slaafgemaakten omgingen (Seneca, Ep. 47, 47.1; 47.5). Het gezegde dat hij aanhaalt, ‘zoveel slaven, zoveel vijanden’, laat zien hoe andere Romeinen erover dachten.
Waarom ‘slaafgemaakten’?: geen extra leerlingdoel
Op.stap en de minimumdoelen gebruiken het woord ‘slaafgemaakten’. Het legt de nadruk op wat iemand werd aangedaan, niet op wie iemand was. In bronnen, oudere boeken en vertalingen zoals die van Seneca hierboven kom je ook ‘slaven’ tegen. Hetzelfde begrip kwam al terug bij Mesopotamië.
Wie woonden hier vóór de Romeinen?
Over de mensen die hier vóór de verovering woonden, weten we veel via één bron: het verslag dat Caesar zelf schreef over zijn oorlogen, de Commentarii de bello Gallico. Hij begint zijn verslag zo:
Uit de tijd zelf
Heel Gallië is in drie delen verdeeld. Het ene bewonen de Belgen, het tweede de Aquitaniërs, het derde zij die in hun eigen taal Kelten heten en in de onze Galliërs. Ze verschillen onderling in taal, gewoonten en wetten. … Van hen allemaal zijn de Belgen de dappersten, omdat zij het verst van de beschaving en de verfijning van de Provincie wonen, omdat handelaars er het minst vaak komen en niet binnenbrengen wat de geest week maakt, en omdat ze vlak bij de Germanen wonen, over de Rijn, met wie ze voortdurend oorlog voeren.
Gallia est omnis divisa in partes tres … Horum omnium fortissimi sunt Belgae …
Caesar noemt de bewoners van het noorden Belgae, de Belgen. Voor de bewoners van het derde deel gebruikt hij twee namen: zelf noemen ze zich in hun eigen taal Celtae, Kelten, en de Romeinen noemen hen Galliërs (Caesar, BG, 1.1). Op.stap spreekt over de Kelten als de bevolking die Caesar onderwierp, en Gallië was een groot deel van de Keltische invloedssfeer (KOV Op.stap 1.3). Let ook op de reden die Caesar geeft voor de dapperheid van de Belgen: er komen weinig handelaars, en dus weinig luxe die ‘de geest week maakt’. Dat is een Romeinse verklaring, geen waarneming.
Caesar noemt een hele reeks volken bij naam. Wat hij over hun afkomst schrijft, hoorde hij van de Remi, een stam die zich bij hem had aangesloten (Caesar, BG, 2.3–4):
Uit de tijd zelf
De meeste Belgen stamden af van de Germanen, die lang geleden de Rijn waren overgetrokken en zich om de vruchtbaarheid van het land daar hadden gevestigd, nadat ze de Galliërs die er woonden hadden verdreven. … De Condrusen, Eburonen, Caeroesen en Paemanen, die samen Germanen genoemd worden: naar schatting ongeveer veertigduizend man.
… Condrusos, Eburones, Caerosos, Paemanos, qui uno nomine Germani appellantur …
Het is dus het verhaal van de ene stam over haar buren, opgeschreven door de Romeinse veldheer die tegen die buren vocht.
Kelten, Germanen, Belgen: geen extra leerlingdoel
Deze namen zijn geen nette etiketten voor duidelijk afgebakende volken. We kennen ‘Kelten’, ‘Germanen’ en ‘Belgen’ vooral uit Griekse en Romeinse teksten, en Caesar zelf gebruikt ze niet altijd op dezelfde manier. Alleen voor de Kelten zegt hij dat ze zichzelf zo noemden (Caesar, BG, 1.1). Zeg aan leerlingen dus liever ‘de mensen die hier woonden’ of ‘de stammen die Caesar Belgen noemt’ dan ‘de Belgen waren Kelten’. En de Belgen van Caesar zijn niet zonder meer de voorouders van de inwoners van het huidige België.
Ook de Romeinen zelf vroegen zich af waar zulke namen vandaan kwamen. De geschiedschrijver Tacitus geeft een verklaring voor de naam ‘Germanen’, waarin de Tungri voorkomen, het volk waarnaar Tongeren later genoemd werd:
Uit de tijd zelf
Overigens is de naam Germanië nieuw en pas onlangs ingevoerd: zij die als eersten de Rijn overtrokken en de Galliërs verdreven, de mensen die nu Tungri heten, werden toen Germanen genoemd. Zo is de naam van een volk, niet van een stam, langzaam zegevierend geworden, zodat allen eerst door de overwinnaar, uit angst, en weldra ook door zichzelf met de uitgevonden naam Germanen werden genoemd.
Tacitus geeft een verklaring, geen bewijs. Of ze klopt, weten we niet (Tacitus, Germ., 2.3). Ze zegt ook niet dat de Eburonen en de Tungri hetzelfde volk waren.

Caesar verovert het noorden van Gallië
Ongeveer negentig jaar na de verwoesting van Carthago breidde Rome zijn macht ook naar het noorden uit. Caesar, de Romeinse veldheer die zijn eigen oorlog beschreef, voerde die verovering aan. Het is een volgende stap in het imperialisme van Rome: een gebied dat niet van Rome was, werd met geweld onder Romeins gezag gebracht. In 57 v.o.t. trok Caesar op tegen de Belgen. Zijn verslag beschrijft een reeks veldslagen en belegeringen, waarna de meeste stammen zich onderwierpen (Caesar, BG, boek 2).
Het verzet was daarmee niet voorbij. In de winter van 54 op 53 v.o.t. lag een Romeins leger in winterkwartier bij de Eburonen, die onder het gezag van Ambiorix en Catuvolcus stonden. Caesar legt zelf uit waarom zijn troepen zo verspreid lagen:
Uit de tijd zelf
Omdat het graan dat jaar in Gallië door de droogte schraler was uitgevallen, was hij gedwongen zijn leger anders dan in vorige jaren in winterkwartier te leggen en de legioenen over meer stammen te verdelen. … Eén legioen, dat hij pas ten noorden van de Po had laten aanwerven, en vijf cohorten stuurde hij naar de Eburonen, van wie het grootste deel tussen de Maas en de Rijn woont en die onder het gezag van Ambiorix en Catuvolcus stonden.
… in Eburones, quorum pars maxima est inter Mosam ac Rhenum, qui sub imperio Ambiorigis et Catuvolci erant, misit.
De opstand begon bij die twee leiders. De Romeinse troepen onder de legaten Sabinus en Cotta verlieten hun kamp en werden in een hinderlaag bijna volledig vernietigd (Caesar, BG, 5.24–37). Voor een Romeins publiek was dat een zware nederlaag.
Uitbreiding De nederlaag bij de Eburonen, verteld door Caesar
Caesar vertelt het verhaal in boek 5 van zijn verslag. Hieronder volgt het in het kort, met enkele kernpassages in vertaling. Alles wat hier staat, weten we alleen van Caesar, die er zelf niet bij was: hij had de troepen naar de Eburonen gestuurd (Caesar, BG, 5.24).
De aanval. Ongeveer vijftien dagen nadat de Romeinen in hun winterkwartier waren aangekomen, begon plots een opstand onder leiding van Ambiorix en Catuvolcus. Hun mensen overvielen soldaten die hout gingen halen en vielen het kamp aan. Toen dat mislukte, vroegen ze om een gesprek (Caesar, BG, 5.26).
Ambiorix spreekt. In het gesprek laat Caesar Ambiorix uitleggen waarom hij meedeed. Caesar geeft zijn woorden in de indirecte rede:
Uit de tijd zelf
Wat hij gedaan had bij de aanval op het kamp, had hij niet uit eigen overweging of wil gedaan, maar onder dwang van zijn stam; zijn gezag was zo dat de menigte niet minder macht over hem had dan hij over de menigte. … Voor Galliërs was het niet makkelijk om aan Galliërs iets te weigeren, zeker niet nu het plan om de gemeenschappelijke vrijheid terug te winnen werd opgezet.
… suaque esse eiusmodi imperia, ut non minus haberet iuris in se multitudo quam ipse in multitudinem.
Ambiorix waarschuwt ook dat er Germaanse huurlingen over de Rijn gekomen zijn, en hij belooft de Romeinen een vrije doortocht naar de andere legerkampen (Caesar, BG, 5.27.8–10). Of hij dit echt zo gezegd heeft, weten we niet. In Caesars verhaal is het een list.
Blijven of vertrekken? De Romeinse officieren zijn verbaasd: het was nauwelijks te geloven, schrijft Caesar, dat de kleine en onaanzienlijke stam van de Eburonen op eigen houtje oorlog durfde te voeren tegen het Romeinse volk (Caesar, BG, 5.28.1). Cotta en de hoofdcenturio’s willen in het kamp blijven, Sabinus wil vertrekken (Caesar, BG, 5.28–29). Sabinus haalt zijn slag thuis met de woorden “Wint het maar, als jullie dat willen” (Vincite, si ita vultis), en het leger vertrekt (Caesar, BG, 5.30.1).
De hinderlaag. Onderweg vallen de Eburonen aan. Sabinus probeert nog te onderhandelen:
Uit de tijd zelf
Sabinus beval de krijgstribunen die op dat moment bij hem waren en de hoofdcenturio’s hem te volgen. Toen hij dichter bij Ambiorix gekomen was, kreeg hij het bevel zijn wapens neer te leggen; hij deed het en beval de zijnen hetzelfde te doen. Terwijl ze over voorwaarden onderhandelden en Ambiorix het gesprek opzettelijk liet duren, werd Sabinus langzaam omsingeld en gedood.
Cotta sneuvelt vechtend, met het grootste deel van de soldaten. De soldaat die de adelaar droeg, het embleem van het legioen, gooit die nog naar het kamp. Wie in het kamp overbleef, pleegde zelfmoord. Enkelen ontkwamen naar het kamp van Labienus (Caesar, BG, 5.37).
Let op wie in Caesars verhaal de verkeerde beslissing neemt: Sabinus, niet Caesar zelf. Ook dat is een vraag voor de klas: wie krijgt in een verslag de schuld, en wie schreef het verslag? De volledige Latijnse tekst staat op The Latin Library.
Alles wat we over deze opstand lezen, komt uit het verslag van de veldheer die tegen de Eburonen vocht. Daarom is dit hoofdstuk een sterk voorbeeld van het onderscheid tussen bron en bewijs. Een bron is alles wat uit het verleden overblijft en ons iets kan vertellen: een tekst, een voorwerp, een opgraving. Bewijs wordt een bron pas als je ze gebruikt om een bewering te staven, en als je eerst vraagt wie ze maakte, wanneer en waarom.
Kindvraag
Waren de Belgen echt de dappersten van allemaal?
Kort antwoord voor kinderen
Dat schreef Julius Caesar, de Romeinse legeraanvoerder die tegen hen vocht. Maar Caesar wilde ook graag dat de mensen in Rome dachten dat hij heel sterke vijanden had verslagen. Daarom kunnen we niet zomaar geloven wat hij schreef.
Nuance voor de leerkracht
Een goede aanleiding voor het onderscheid tussen bron en bewijs: wie maakte de bron, wanneer en waarom? Vergelijk het met een sportverslag dat alleen door één ploeg geschreven is. Ook de geograaf Strabo noemt de Belgen de dappersten, maar hij schrijft er zelf bij dat hij dat van anderen heeft (‘zegt men’) (Strabo 4.4 (Jones), 4.4.3).

Augustus: keizer van een wereldrijk
Enkele decennia na Caesars veldtochten kreeg Octavianus in 27 v.o.t. van de senaat de naam Augustus (Res gestae, 34) (Mark 2018, Augustus). Hij regeerde tot zijn dood in 14 o.t. (Mark 2018, Augustus). In zijn eigen verslag van zijn daden, de Res gestae, beschrijft hij hoe hij aan die naam kwam:
Uit de tijd zelf
In mijn zesde en zevende consulaat, nadat ik de burgeroorlogen had gedoofd en met algemene instemming de macht over alles in handen had, droeg ik de staat uit mijn macht over aan het oordeel van senaat en volk van Rome. Als dank daarvoor werd ik bij senaatsbesluit Augustus genoemd. … Sinds die tijd stond ik boven allen in gezag, maar aan macht had ik niet meer dan de anderen die ook in het ambt mijn collega’s waren.
Quo pro merito meo senatus consulto Augustus appellatus sum.
Zo stelt Augustus het zelf voor: hij gaf de macht terug en kreeg in ruil alleen meer aanzien. Of dat de werkelijkheid was, is een andere vraag. Het is het verhaal van de machthebber zelf.
Na een lange reeks burgeroorlogen begon een periode van relatieve politieke stabiliteit in grote delen van het rijk (Mark 2018, Augustus). Die periode noemen we de Pax Romana, de ‘Romeinse vrede’. ‘Vrede’ is daarbij een groot woord: ook onder Augustus voerde Rome oorlogen aan de randen van het rijk, zoals het volgende stuk laat zien. Augustus’ eigen tekst laat zien wat hij onder vrede verstond:
Uit de tijd zelf
De tempel van Janus Quirinus, waarvan onze voorouders wilden dat hij gesloten was wanneer er over het hele rijk van het Romeinse volk, te land en ter zee, vrede door overwinningen was verkregen, en waarvan overgeleverd wordt dat hij sinds de stichting van de stad vóór mijn geboorte in totaal maar twee keer gesloten was: die liet de senaat onder mijn leiding drie keer sluiten.
… cum per totum imperium populi Romani terra marique esset parta victoriis pax …
‘Vrede door overwinningen’: voor Augustus was vrede iets wat je met de wapens verdiende. Onder zijn bewind beheerste Rome grote delen van het Middellandse Zeegebied, maar niet overal op dezelfde manier. Sommige gebieden waren provincies met een Romeinse bestuurder. Elders regeerden koningen die bondgenoot van Rome waren. Egypte, schrijft Augustus, voegde hij aan het rijk toe; Groot-Armenië had hij tot provincie kunnen maken, maar hij gaf het liever aan een koning (Res gestae, 27.1). In Noord-Afrika kreeg koning Juba van Augustus een koninkrijk, en dat gebied hoorde niet bij de provincies (Strabo, Geogr. 17 (Jones), 17.3.7; 17.3.25). Volgens zijn biograaf Suetonius behandelde Augustus zulke koningen als ‘leden en delen van het rijk’ (Suetonius, Aug., 48). Ook dat is imperialisme: Rome bracht steeds meer volken onder zijn gezag en noemde de rust die daarop volgde ‘vrede’.
Hoe die vrede er voor de overwonnenen kon uitzien, schreef Tacitus in zijn boek over Agricola, een Romeinse veldheer in Brittannië. Hij laat een Britse leider, Calgacus, voor de slag een rede houden tegen de Romeinen:
Uit de tijd zelf
Plunderaars van de wereld: toen het land hun ontbrak, nu ze alles hadden verwoest, doorzoeken ze de zee. Is de vijand rijk, dan zijn ze hebzuchtig, is hij arm, dan zijn ze eerzuchtig; noch het Oosten noch het Westen heeft hen verzadigd. … Roven, moorden, stelen noemen ze met een valse naam ‘gezag’, en waar ze een woestenij maken, noemen ze het ‘vrede’.
… atque ubi solitudinem faciunt, pacem appellant.
Die woorden zijn niet woordelijk van Calgacus. Tacitus schreef de rede zelf. Het is dus Romeinse kritiek op Rome, in de mond van een tegenstander (Tacitus, Agr., 30).

De Germanen en de nederlaag van Varus
Romeinse schrijvers gaven de naam Germanen aan verschillende groepen. Vaak ging het om volken ten oosten van de Rijn, maar niet altijd. Caesar spreekt van ‘de Germanen, die over de Rijn wonen’ (Caesar, BG, 1.1), maar hij rekent ook volken ten westen van de rivier, zoals de Eburonen, tot de groep die Germanen genoemd werd (Caesar, BG, 2.4). Tacitus zegt zelfs dat de naam eerst alleen sloeg op de mensen die als eersten de Rijn waren overgetrokken, de latere Tungri (Tacitus, Germ., 2.3). Ook die volken zelf maakten onderscheid. Twee kleine stammen tussen de Eburonen en de Treveren, de Segni en de Condrusi, ‘van Germaanse afkomst en tot de Germanen gerekend’, lieten Caesar weten dat hij niet alle Germanen aan deze kant van de Rijn over één kam mocht scheren: zij hadden Ambiorix niet geholpen (Caesar, BG, 6.32.1). En volgens Tacitus waren de Treveren en de Nerviërs er juist op uit om een Germaanse afkomst te claimen, om zich zo van de Galliërs te onderscheiden (Tacitus, Germ., 28.4). Afkomst was dus ook iets wat je kon opeisen. Taal, afstamming, naam en politieke verbondenheid vielen niet samen met één rivier. ‘Germanen’ betekent in dit artikel daarom: de groepen die Romeinse schrijvers Germanen noemden.
In zijn eigen verslag schrijft Augustus dat hij ook Germanië ‘tot rust bracht’:
Uit de tijd zelf
Van alle provincies van het Romeinse volk die grensden aan volken die ons gezag niet gehoorzaamden, heb ik de grenzen verruimd. Gallië en Spanje, en ook Germanië, voor zover de Oceaan dat omsluit van Gades tot aan de monding van de Elbe, heb ik tot rust gebracht.
… item Germaniam, qua includit Oceanus a Gadibus ad ostium Albis fluminis pacavi.
De werkelijkheid was minder eenvoudig. In 9 o.t. werden drie Romeinse legioenen met hun hulptroepen onder bevel van Varus vernietigd door een Germaanse coalitie onder leiding van Arminius. Rome kreeg daarna geen blijvend gezag over het gebied tussen Rijn en Elbe, al volgden nog Romeinse veldtochten in Germanië, onder meer van Germanicus. Keizer Tiberius riep hem terug: volgens Tacitus zei de keizer dat hij zelf in Germanië meer met overleg dan met geweld bereikt had (Tacitus, Ann. 2, 2.26). Onder Tiberius werd het plan opgegeven om het land tot aan de Elbe te onderwerpen (roemer.nrw, Lower German Limes). De Rijn werd dus niet door één nederlaag de grens. Augustus legerde al sinds omstreeks 19 v.o.t. legioenen aan de linkeroever (roemer.nrw, Lower German Limes), en de Rijn groeide geleidelijk uit tot de grens, met legerplaatsen langs de rivier. Tacitus plaatst de slag in het Teutoburgerwoud (Tacitus, Ann. 1, 1.60), maar de antieke teksten wijzen geen plek aan die we vandaag kunnen terugvinden (Kalkriese, Forschung). Sinds 1989 wordt Kalkriese bij Osnabrück systematisch opgegraven. Daar werden Romeinse troepen zwaar verslagen, en volgens het museum pleit veel ervoor dat dat bij de nederlaag van Varus gebeurde (Kalkriese, Forschung). Een definitief bewijs ontbreekt nog. Ook het verloop is onderwerp van onderzoek: liepen de Romeinen er in een voorbereide hinderlaag, of werd een marskamp overrompeld (idw 2026, Kalkriese)? De biograaf Suetonius vertelt hoe Augustus op het nieuws reageerde:
Uit de tijd zelf
De nederlaag van Varus was bijna rampzalig: drie legioenen werden met hun bevelhebber, legaten en alle hulptroepen afgeslacht. … Zo ontsteld was hij, zegt men, dat hij maandenlang zijn baard en haar liet groeien en soms zijn hoofd tegen de deur stootte, roepend: ‘Quintilius Varus, geef mij mijn legioenen terug!’ En elk jaar hield hij de dag van de ramp als een dag van rouw.
Quintili Vare, legiones redde!
Ook hier staat ‘zegt men’ (ferunt): Suetonius geeft door wat er over Augustus verteld werd (Suetonius, Aug., 23).
Uitbreiding Het slagveld, zes jaar later
De geschiedschrijver Tacitus vertelt hoe een Romeins leger zes jaar na de nederlaag langs het slagveld trok. Het leger kwam in het Teutoburgerwoud, waar de resten van Varus en zijn legioenen volgens de verhalen nog onbegraven lagen (Tacitus, Ann. 1, 1.60).
Uit de tijd zelf
Ze trokken door treurige plaatsen, afschuwelijk om te zien en te herinneren. Het eerste kamp van Varus, met zijn ruime omtrek en zijn afgemeten middenplein, toonde het werk van drie legioenen; daarna zag men aan de half ingestorte wal en de lage gracht dat de al uitgedunde restanten zich daar hadden verschanst. Midden op het veld lagen witte beenderen, verspreid of opgehoopt, zoals men gevlucht was of stand had gehouden. Daarnaast lagen stukken van wapens en paardenbotten, en schedels aan boomstammen genageld.
… medio campi albentia ossa, ut fugerant, ut restiterant, disiecta vel aggerata.
Uit de tijd zelf
Het Romeinse leger dat daar was, begroef zes jaar na de ramp de beenderen van drie legioenen. Niemand wist of hij vreemde overblijfselen of die van de zijnen met aarde bedekte; allen begroeven ze als verwanten en bloedverwanten, terwijl hun woede tegen de vijand toenam, bedroefd en vol wrok.
Tacitus zegt in deze passage niet van wie hij het heeft. Dat de slag bij Kalkriese plaatsvond, haalt niemand uit Tacitus. Het is een sterke aanwijzing uit opgravingen, geen sluitend bewijs (Kalkriese, Forschung) (idw 2026, Kalkriese).
De nederlaag bleef lang in het geheugen. Seneca noemt haar in zijn brief over slaafgemaakten als voorbeeld van hoe snel het lot kan keren: bij de nederlaag van Varus haalde het lot veel jonge mannen uit voorname families, die via het leger senator wilden worden, naar beneden: de een werd herder, de ander hoeder van een hut (Seneca, Ep. 47, 47.10).
Twee bronnen naast elkaar: geen extra leerlingdoel
Augustus’ eigen verslag en het verhaal over Varus zijn samen een sterk voorbeeld van perspectief: wat een machthebber over zijn eigen daden zegt, is niet het hele verhaal. Leg de twee fragmenten (Res gestae 26 en Suetonius 23) naast elkaar en laat leerlingen zoeken wat de ene tekst weglaat. Het verband met onze streken: de Rijn werd de grens van het rijk, en daardoor kwamen onze streken in het achterland van die grens te liggen (zie verder).
Een nieuwe ordening: steden, legerkampen en wegen
Na de verovering organiseerden de Romeinen het gebied in civitates. Dat waren bestuurlijke eenheden, elk met een eigen hoofdplaats. In het oosten van ons land was dat de civitas van de Tungri, met Tongeren als hoofdplaats. De Romeinen noemden de stad Atuatuca Tungrorum.
Tongeren
Tongeren was de hoofdplaats van de civitas van de Tungri: de stad waar het bestuur van het hele gebied zetelde. Hoe Tongeren precies ontstond, is lang een vraag gebleven. Een oudere opvatting zag in de stad een legerkamp of bevoorradingskamp voor de veldtochten van Augustus naar Germanië, waaruit later een burgerlijke stad groeide. In 2008 schreef archeoloog Alain Vanderhoeven dat de bronnen evengoed toelaten dat Tongeren meteen als burgerlijke hoofdplaats werd gesticht, met technische steun en mankracht van het leger (Vanderhoeven 2008a). In een recentere samenvatting gaat hij uit van een stichting rond 10 v.o.t. als hoofdplaats van de civitas (Vanderhoeven 2025).
Romeinse schrijvers kenden de Tungri. Plinius de Oudere, de oom die bij de uitbarsting van de Vesuvius omkwam, noemt hun gebied in zijn Naturalis historia om een opvallende waterbron:
Uit de tijd zelf
De stam van de Tungri in Gallië heeft een beroemde bron, die vol belletjes opwelt en een ijzerachtige smaak heeft, die pas op het einde van de slok merkbaar is. Het water zuivert het lichaam, verdrijft derdedaagse koorts en verlicht stenen. Boven het vuur wordt hetzelfde water troebel en ten slotte rood.
Tungri civitas Galliae fontem habet insignem plurimis bullis stillantem, ferruginei saporis …
Plinius noemt geen plaats. Zijn tekst zegt dus niet waar die bron lag, alleen dat ze in het gebied van de Tungri lag (Plinius, NH 31, 31.12).
De eerste huizen in Tongeren waren volgens Vanderhoevens samenvatting woonstalhuizen: boerderijen waarin mensen en dieren onder één dak woonden. Een grote stadsbrand, die in verband wordt gebracht met de Bataafse Opstand van 69–70 o.t., maakte een einde aan die vroege fase (Vanderhoeven 2025). Wat de Tungri in die opstand deden, vertelt Tacitus; zijn tekst staat verderop, bij ‘Gallo-Romeins’.
Ook zonder vast legerkamp was het leger in Tongeren aanwezig. Uit de civitas kwamen veel hulptroepen van de Tungri, en voor de rekrutering was mogelijk een vast kantoor nodig. Buiten de stadsmuur stonden graanschuren (horrea). Die wijzen op toezicht door een hogere overheid, waarschijnlijk de gouverneur van de provincie Germania Inferior. Oud-soldaten kwamen zich vermoedelijk in de stad vestigen, vooral in de eerste helft van de eerste eeuw, toen veel Tungri aan de Rijn dienden (Vanderhoeven 2008a).
Velzeke
In Velzeke (Zottegem) vond archeoloog Marc Rogge in 1976 de sporen van een Romeins legerkamp. Het is een van de oudste Romeinse militaire sites in het noorden van Gallië, uit de tijd van Augustus. Het kamp lag op een plateau tussen twee beekvalleien, was ongeveer vijf hectare groot en werd beschermd door drie brede grachten, een aarden wal en een houten palissade (Meulemeester 2008).
Hoe weten archeologen hoe oud het kamp is? In de grachten lagen onder meer een zilveren munt (denarius) van Julius Caesar die in 48 v.o.t. geslagen werd, de hals van een vroege wijnamfoor en Italisch tafelaardewerk (terra sigillata). Zulke vondsten wijzen op een vroeg kamp. Let wel: een munt uit 48 v.o.t. in de vulling van een gracht toont alleen dat die vulling van 48 v.o.t. of later is. De gracht zelf kan al eerder gegraven zijn. Een laag uit de tijd van de keizers Tiberius en Claudius bedekt de grachten: toen was het kamp al verlaten (Meulemeester 2008).
Rond het kamp groeide een nederzetting, een vicus. Ze lag op een kruispunt van twee wegen. De ene was een verharde weg die vanuit Bavay, de hoofdplaats van de Nerviërs, naar het noorden liep. De andere verbond Boulogne aan de Noordzee met Keulen aan de Rijn. Vooral in de bloeitijd van het rijk groeide de vicus uit tot een lintdorp langs de weg en het economische en religieuze centrum van de streek (Meulemeester 2008).
Voor Velzeke gebruiken we in dit artikel alleen vondsten uit de tijd zelf: de munt, de amfoor en het aardewerk uit de grachten.

Een netwerk van wegen
Dezelfde weg van Boulogne naar Keulen liep ook langs Tongeren (Vanderhoeven 2008a). Zulke wegen verbonden de hoofdplaatsen van de civitates met elkaar, met de havens aan de kust en met de legerplaatsen aan de Rijn. Samen vormden ze een wegennetwerk: een net van wegen waarlangs je van de ene plaats naar de andere kon reizen, zonder telkens een nieuwe route te moeten zoeken. Ze dienden voor het leger en het bestuur, maar ook voor de handel over lange afstanden: producten die ver van de plek waar ze gemaakt werden, verkocht en gebruikt werden. De amfoor en het Italische aardewerk in Velzeke laten zien dat producten van ver kwamen.
Over de wegen bestaan ook geschreven bronnen. Voor de weg die via Bavay en Tongeren naar Keulen liep, geeft de Peutingerkaart, een oude wegenkaart, de afstanden tussen de plaatsen: van Cambrai tot Keulen 123 leugae, ongeveer 273 kilometer. Langs deze weg bleven de Romeinen afstanden meten in leugae, een maat van ongeveer 2,2 kilometer, in plaats van in Romeinse mijlen. Volgens historicus Jona Lendering verhardden de Romeinen hier een weg die er al was (Livius, Via Belgica).
Volgens Caesar was dat vóór de verovering niet overal zo. Over de Nerviërs, het volk van Bavay, hoorde hij het volgende:
Uit de tijd zelf
Toen Caesar naar hun aard en gewoonten vroeg, hoorde hij dit: handelaars hadden geen toegang tot hen; ze duldden niet dat er wijn of andere luxeproducten werden ingevoerd, omdat ze meenden dat hun geest daardoor verslapte en hun moed afnam; het waren woeste mensen van grote dapperheid …
… nullum esse aditum ad eos mercatoribus …
Het is dezelfde Romeinse gedachte als bij de Belgen hierboven: handel en luxe maken week. Of de Nerviërs echt geen handel dreven, kunnen we uit deze zin niet besluiten. Het is wat Caesar te horen kreeg en wat in zijn verhaal past.
De grens aan de Rijn
De noordgrens van het Romeinse Rijk volgde in onze buurt grotendeels de Rijn. Zo’n bewaakte grens van het rijk, met legerplaatsen erlangs, heet een limes. Het deel in onze buurt, de Neder-Germaanse limes, liep langs de Rijn, onder meer langs Keulen, Nijmegen en Utrecht, tot aan de zee bij Katwijk. In 2021 werd een reeks archeologische vindplaatsen langs die grens erkend als werelderfgoed (NOS 2021).
Onze streken lagen dus niet aan de grens, maar in het achterland ervan. Dat had grote gevolgen. Het leger aan de Rijn moest gevoed en bevoorraad worden. Veel soldaten kwamen uit het achterland: de hulptroepen van de Tungri zijn daar een voorbeeld van (Vanderhoeven 2008a). En de boerderijen in de civitas Tungrorum produceerden waarschijnlijk vooral voor dat leger (Vanderhoeven 2008b).
Leven op het platteland
De meeste mensen woonden niet in een stad, maar op het platteland. Ook daar was de Romeinse tijd een tijd van verandering, maar niet overal op dezelfde manier.
Op de vruchtbare leemgronden in het zuiden van de civitas Tungrorum verschenen de zogenaamde villa’s. Dat waren grote boerderijen waarbij het woongedeelte gescheiden was van de bedrijfsgebouwen. Opvallend is dat die scheiding al vóór de Romeinse verovering een traditie was. Op de zandgronden in het noorden bleven mensen het oudere woonstalhuis gebruiken, met mensen en dieren onder één dak (Vanderhoeven 2008b). Een goed onderzocht voorbeeld is de villa van Rekem-Neerharen, met een hoofdgebouw met badgebouw (pars urbana) en bijgebouwen voor het boerenbedrijf (pars rustica) (Vanderhoeven 2008b).

Wat veranderde er in de voedselproductie, het telen van gewassen en het houden van dieren om voedsel te maken? Archeologen zien een verschuiving naar productie voor de markt: boeren teelden niet meer alleen voor hun eigen gezin, maar ook om te verkopen. Bij het dierlijk bot in de vondsten gaat het rund overheersen. Het aantal graansoorten wordt kleiner: vooral bedekte gerst en spelt, soms ook broodtarwe. De belangrijkste markt was waarschijnlijk het Romeinse leger aan de rijksgrens. Daarnaast waren er groepen in het achterland die hun voedsel kochten in plaats van het zelf te telen (Vanderhoeven 2008b). Dat heeft ook een keerzijde. Vanaf de tweede eeuw zien onderzoekers op de leemgronden erosie (Vanderhoeven 2008b), wellicht een gevolg van het intensieve gebruik van het land.
Achtergrond voor de leerkracht: geen extra leerlingdoel
Dit is een mooi voorbeeld van hoe handel, landschap en landbouw samenhangen: een groot leger op één plek verandert hoe boeren honderden kilometers verder werken. Leerlingen hoeven de graansoorten niet te kennen; het gaat om het verband tussen voedselproductie en de vraag van het leger. Voor de boeren in onze streken is in dit artikel geen tekst uit de tijd gebruikt; wat we hier vertellen, komt uit opgravingen: botten, zaden en de resten van gebouwen.
Gallo-Romeins: oude en nieuwe gewoonten samen
‘Gallo-Romeins’ betekent niet dat de plaatselijke bevolking haar eigen leven inruilde voor een Romeins leven. Op het platteland zie je juist veel continuïteit: de villa’s bouwden voort op een oudere traditie en in het noorden bleef het woonstalhuis in gebruik (Vanderhoeven 2008b). Tegelijk kwamen er nieuwe dingen: steden met een Romeins bestuur, verharde wegen, nieuwe producten zoals wijn en aardewerk uit het zuiden (Meulemeester 2008), en het Latijnse schrift in bestuur en handel. In Tongeren zijn houten schrijfplankjes uit de Romeinse tijd gevonden (GRM, schrijftabletten). Schrift zelf was niet helemaal nieuw in Gallië. Caesar schrijft over de druïden, de priesters van de Galliërs:
Uit de tijd zelf
Ze vinden het niet geoorloofd hun leer op te schrijven, terwijl ze in bijna alle andere zaken, in openbare en private rekeningen, Griekse letters gebruiken.
… publicis privatisque rationibus Graecis litteris utantur.
Dat zegt wel niets over hoeveel mensen hier konden schrijven.
Wanneer mensen uit verschillende culturen met elkaar in contact komen en gewoonten, woorden, voorwerpen of ideeën van elkaar overnemen, spreken we van culturele uitwisseling. Die uitwisseling ging in twee richtingen. Op.stap noemt als voorbeelden van de Gallo-Romeinse cultuur houten vaten, lange broeken en plaatsnamen (KOV Op.stap 1.3). De geograaf Strabo beschrijft hoe de Galliërs zich kleedden:
Uit de tijd zelf
De Galliërs dragen de sagus (een grove mantel), laten hun haar lang groeien en dragen nauwsluitende broeken. In plaats van een tuniek dragen ze gespleten kledingstukken met mouwen, die tot aan de schaamstreek en de billen reiken.
Strabo schrijft over Gallië in het algemeen, niet over onze streken in het bijzonder (Strabo 4.4 (Jones), 4.4.3). Ook houten vaten met hoepels vond een Romeinse schrijver het vermelden waard: Plinius de Oudere schrijft dat men bij de Alpen wijn in zulke vaten bewaarde (Plinius, NH 14 (Bostock-Riley), 14.27). Dat gaat over de Alpen, niet over onze streken.
Ook het leger bracht mensen en gewoonten in beweging: Tungri dienden als hulptroepen aan de Rijn en oud-soldaten vestigden zich in Tongeren (Vanderhoeven 2008a). Zo kom je bij identiteit en integratie. Je identiteit is wie je bent en bij welke groep je jezelf rekent: je familie, je stam, je stad, je land. Integratie is het proces waarbij een persoon of een groep deel wordt van een grotere samenleving, zoals de Tungri die deel werden van het Romeinse Rijk. Die twee kunnen naast elkaar bestaan, maar ze kunnen ook botsen. Tacitus vertelt hoe de Tungri tijdens de Bataafse Opstand moesten kiezen tussen Rome en de opstandelingen. De Bataafse leider Civilis spreekt hen aan:
Uit de tijd zelf
Op hetzelfde ogenblik stortte Civilis zich, gewaagd of afgesproken, in de colonne van de Tungri en riep luid: ‘Wij zijn niet in oorlog gegaan opdat Bataven en Treveren over andere volken zouden heersen. Zulke aanmatiging is ons vreemd. Aanvaard een bondgenootschap: ik kom naar jullie over, als jullie leider of als soldaat, zoals jullie verkiezen.’ De menigte werd bewogen en stak de zwaarden weg, toen Campanus en Iuvenalis, vooraanstaanden van de Tungri, hem de hele stam overleverden.
… accipite societatem: transgredior ad vos, seu me ducem seu militem mavultis.
De Tungri vochten hier eerst aan Romeinse kant, en lieten zich dan overhalen. Het zijn de woorden van Civilis zoals een Romeinse geschiedschrijver ze opschreef. En de tekst zegt niets over de stadsbrand in Tongeren: die kennen we alleen uit de archeologie (Tacitus, Hist. 4, 4.66) (Vanderhoeven 2025).
Kindvraag
Spraken de mensen in Tongeren Latijn?
Kort antwoord voor kinderen
Latijn was de taal van het bestuur, en sommige mensen konden het lezen en schrijven. In Tongeren vonden archeologen houten schrijfplankjes met Latijnse teksten over rechtszaken en bestuur, en zelfs schrijfoefeningen. Wat de mensen thuis spraken, weten we niet zeker. Op de plankjes staan Latijnse, Keltische en Germaanse namen, en dat waren volgens het museum wellicht ook de talen die hier gesproken werden (GRM, schrijftabletten).
Nuance voor de leerkracht
Spreken, lezen en schrijven zijn drie verschillende dingen. Dat er plankjes zijn, zegt niet hoeveel mensen konden schrijven: we hebben vooral bronnen van wie wél schreef. En uit een naam alleen kun je niet afleiden waar iemand vandaan kwam; een Latijnse naam betekent niet dat iemand uit Italië kwam. Latijn leren was ook een keuze en een proces. Tacitus vertelt dat in Brittannië de zonen van vooraanstaande Britten Latijn leerden, en dat wie de taal eerst afwees, er later welsprekend in wilde worden (Tacitus, Agr., 21). Laat de onzekerheid zien in plaats van een stellig antwoord te geven.

Cornelia en de plaats van vrouwen
Romeinse vrouwen hadden niet allemaal dezelfde plaats. Er waren vrijgeboren vrouwen, vrijgelaten vrouwen die eerder slaafgemaakt waren, en slaafgemaakte vrouwen. Voor geen van hen stond het openbare bestuur open. Volgens de jurist Ulpianus waren vrouwen uitgesloten van alle burgerlijke en openbare ambten: ze konden geen rechter worden en geen magistraat (Digesta 50.17, 50.17.2 pr.). In het Romeinse recht stond een volwassen vrouw bovendien onder de voogdij van een man. De jurist Gaius vond de oude reden daarvoor, dat vrouwen lichtzinnig zouden zijn, eerder schijnbaar dan waar: volwassen vrouwen regelden hun zaken zelf (Gaius, Inst. 1, 1.144; 1.190). Een vrijgeboren vrouw met drie kinderen werd van die voogdij bevrijd, een vrijgelaten vrouw pas met vier (Gaius, Inst. 1, 1.194). Voor slaafgemaakte vrouwen telde vooral wat ze opbrachten voor hun eigenaar. De landbouwschrijver Columella vertelt dat hij slaafgemaakte vrouwen op zijn landgoed die drie zonen hadden grootgebracht vrijstelling van werk gaf, en bij meer zonen ook de vrijheid. Hij ziet dat als een manier om het vermogen van de eigenaar te laten groeien (Columella 1.8.19, 1.8.19).
De vrouwen over wie we hieronder het meest lezen, behoren tot wie in de bronnen een naam kreeg of zelf kon schrijven. Ze staan niet voor alle Romeinse vrouwen.
Een van de bekendste Romeinse vrouwen is Cornelia, de moeder van de broers Tiberius en Gaius Gracchus. Ze was een dochter van de Scipio die Hannibal versloeg (Plutarchus, Ti. Gracch., 1). We kennen haar vooral uit de levensbeschrijvingen van haar zonen door Plutarchus:
Uit de tijd zelf
Cornelia nam de kinderen en het landgoed in handen en toonde zich zo bezonnen, zo goed als moeder en zo grootmoedig, dat men vond dat Tiberius geen slechte keuze had gemaakt toen hij verkoos te sterven in plaats van zo’n vrouw. Want toen koning Ptolemaeus aanbood zijn kroon met haar te delen en haar ten huwelijk vroeg, weigerde ze en bleef weduwe. In die toestand verloor ze de meeste van haar kinderen, maar drie bleven in leven … Deze zonen voedde Cornelia met zo veel zorg op dat men vond dat zij hun deugden meer aan hun opvoeding dan aan hun aard te danken hadden.
Volgens Plutarchus bleef ze na de dood van haar man achter met twaalf kinderen. Van haar kinderen overleefden er maar drie: een dochter en de twee zonen (Plutarchus, Ti. Gracch., 1.3–1.5). Plutarchus vermeldt ook dat ze volgens sommigen haar zonen verweet dat de Romeinen haar nog altijd ‘de schoonmoeder van Scipio’ noemden en nog niet ‘de moeder van de Gracchi’ (Plutarchus, Ti. Gracch., 8.5).
Op.stap koppelt Cornelia aan de rol van de vrouw in de Romeinse samenleving en aan sociale spanningen (KOV Op.stap 1.3), en aan identiteit en integratie. Bij Cornelia gaat dat over de vraag wie je bent en hoe anderen je zien. In de bronnen wordt Cornelia vooral genoemd naar de mannen rond haar: als dochter, echtgenote, moeder of schoonmoeder. In het verhaal van Plutarchus wil Cornelia niet langer ‘de schoonmoeder van’ heten, maar ‘de moeder van’: een andere naam, maar nog altijd via haar zonen.
Om welke sociale spanningen ging het? Plutarchus legt het uit. Rome had een deel van het veroverde land als gemeenschappelijk land gehouden, waarop arme burgers tegen een kleine pacht mochten werken. Rijke mannen boden meer en verdrongen hen. Volgens Plutarchus hadden de verdreven armen daarna weinig zin meer in legerdienst, en raakte Italië vol groepen slaafgemaakten uit het buitenland, die de grote landgoederen bewerkten. Tiberius Gracchus nam de zaak op toen hij volkstribuun werd (Plutarchus, Ti. Gracch., 8.1–4). Hij liet een landwet aannemen die beperkte hoeveel staatsland iemand mocht hebben. Toen hij opnieuw tribuun wilde worden, werd hij op het Capitool gedood door een groep tegenstanders onder leiding van Publius Cornelius Nasica (Livius, Periocha 58, 58). De naam van Cornelia’s zoon staat dus voor een strijd over land, armoede en slavernij.
Er bestonden ook brieven van Cornelia zelf. De redenaar Cicero heeft ze gelezen:
Uit de tijd zelf
We hebben de brieven van Cornelia, de moeder van de Gracchen, gelezen: het blijkt dat haar zonen minder op haar schoot dan in het gesprek met hun moeder zijn opgevoed.
legimus epistulas Corneliae matris Gracchorum …
Uitbreiding Wat Romeinse schrijvers over Cornelia vertellen
In de teksten van latere Romeinen verschijnt Cornelia als een voorbeeldige moeder. Elders schrijft Cicero dat Gracchus door de zorg van zijn moeder Cornelia van kinds af onderwezen werd en in de Griekse letteren gevormd (Cicero, Brut., 104).
De bekendste anekdote staat bij Valerius Maximus, die een verzameling gedenkwaardige daden en uitspraken schreef:
Uit de tijd zelf
Cornelia, de moeder van de Gracchen: toen een gastvrouw uit Campanië haar de mooiste juwelen van die tijd liet zien, hield zij haar aan de praat tot haar kinderen van school terugkwamen, en zei: ‘Dit zijn mijn juwelen.’
… et ‘haec’ inquit ‘ornamenta sunt mea’.
Het is een verhaal met een les, geen verslag. Valerius Maximus zegt zelf dat hij het bij een eerdere verzamelaar vond, en één woord in de Latijnse tekst (‘tot’) is een aanvulling van de moderne uitgever omdat de handschriften daar beschadigd zijn (Valerius Maximus 4, 4.4). De teksten hier zijn door mannen geschreven, die haar prijzen als moeder. Wat zij zelf schreef, lezen we er niet in.
Dat er ook Romeinse vrouwen zijn van wie we de eigen woorden wél hebben, toont een houten schrijfplankje uit het fort van Vindolanda in Brittannië, het fort waar ook soldaten van de Tungri lagen (zie verder). Claudia Severa nodigt er Sulpicia Lepidina, die ze ‘zuster’ noemt, uit voor haar verjaardag (Tab. Vindol. 291):
Uit de tijd zelf
Claudia Severa aan haar Lepidina: groeten. Op de derde dag voor de iden van september (11 september), zuster, nodig ik je hartelijk uit voor de feestdag van mijn verjaardag. Doe me het plezier te komen, om de dag aangenamer voor me te maken door je komst. … Ik reken op je, zuster. Vaarwel, zuster, mijn dierbaarste ziel, zo waar ik gezond wil blijven, en gegroet.
… sperabo te soror uale soror anima mea …
De laatste regels staan in een ander handschrift. Volgens de uitgevers schreef Severa die zelf, en zijn ze vrijwel zeker de oudste bekende Latijnse tekst in de hand van een vrouw (Tab. Vindol. 291).
Hoe we over Cornelia lezen: geen extra leerlingdoel
In de tekst van Plutarchus verschijnt Cornelia vooral in verhouding tot anderen: als weduwe, als moeder, als schoonmoeder. Dat zegt iets over de bron. Een goede vraag voor de klas is wat we over Cornelia zelf weten, en wat we alleen via haar man en zonen te weten komen. Het plankje van Claudia Severa is een sterk tegenvoorbeeld: een vrouw die zelf schrijft, over iets alledaags. Sluit aan bij wat leerlingen eerder leerden over vrouwen in de Griekse oudheid.

Het ontstaan van het christendom
Het christendom is de godsdienst van mensen die Jezus volgen als de Christus. Het ontstaan van het christendom vond plaats binnen het Romeinse Rijk, in Judea, aan de oostkant van het rijk. Ook een niet-christelijke Romeinse bron vermeldt die oorsprong. De geschiedschrijver Tacitus legt uit wie de christenen waren:
Uit de tijd zelf
… mensen die om hun schanddaden gehaat waren en die het volk ‘Chrestianen’ noemde. De stichter van die naam, Christus, was onder keizer Tiberius door de procurator Pontius Pilatus terechtgesteld. Het verderfelijke bijgeloof, voor het ogenblik onderdrukt, brak opnieuw uit, niet alleen in Judea, de oorsprong van dat kwaad, maar ook in de stad, waar alles wat gruwelijk of schandelijk is van alle kanten samenstroomt en gevierd wordt.
auctor nominis eius Christus Tiberio imperitante per procuratorem Pontium Pilatum supplicio adfectus erat …
Tacitus vermeldt dus dat de beweging ontstond in Judea en zich van daaruit tot in Rome verspreidde (Tacitus, Ann., 15.44). Hij is geen vriend van de christenen: hij noemt hun geloof een ‘verderfelijk bijgeloof’. Tacitus noemt Pilatus ‘procurator’. Op een opschrift uit Pilatus’ eigen tijd, in 1961 gevonden in Caesarea, heet hij praefectus van Judea; het begin van dat woord is wel door de uitgevers aangevuld (Pilatus-inscriptie).
Ook een joodse geschiedschrijver, Flavius Josephus, vermeldt de familie van Jezus. Hij vertelt dat de hogepriester in Jeruzalem de joodse rechtbank, het sanhedrin, bijeenriep en er ‘de broer van Jezus, die Christus genoemd werd, met name Jakobus’ liet voorleiden (Josephus, Ant. 20.9.1, 20.9.1). Het christelijke boek Handelingen van de Apostelen zegt dat de leerlingen van Jezus voor het eerst ‘christenen’ genoemd werden in de stad Antiochië (Handelingen 11:26, 11:26). Die bronnen plaatsen het begin van de beweging dus in Judea en Jeruzalem, en tonen hoe ze zich verspreidde.
Een tweede, heel andere bron is een briefwisseling tussen Plinius de Jongere, dezelfde die over de Vesuvius schreef, en keizer Trajanus. Plinius wist niet goed wat hij met christenen moest doen en vroeg de keizer om raad. Hij beschrijft wat de ondervraagde christenen hem vertelden:
Uit de tijd zelf
Ze beweerden dat de som van hun schuld of dwaling hierop neerkwam: dat ze gewoon waren op een vaste dag vóór zonsopgang bijeen te komen, om beurtelings een lied voor Christus als voor een god te zingen, en zich door een eed te verbinden, niet tot een of andere misdaad, maar om geen diefstal, roof of overspel te plegen, hun woord niet te breken en een toevertrouwd goed niet te ontkennen wanneer ze erom gevraagd werden.
… carmenque Christo quasi deo dicere secum invicem …
De keizer antwoordt:
Uit de tijd zelf
Men moet hen niet opsporen. Worden ze aangeklaagd en bewezen schuldig, dan moeten ze gestraft worden, maar zo dat wie ontkent christen te zijn, en dat ook in de praktijk laat zien, namelijk door tot onze goden te bidden, vergeving krijgt op grond van berouw, hoe verdacht hij vroeger ook was.
Conquirendi non sunt …
Christen zijn kon dus strafbaar zijn, maar volgens Trajanus moest men niet actief naar christenen zoeken (Plinius, Ep. 10, 10.96–97). Wie wilde, kon ontsnappen door tot de Romeinse goden te bidden.
Constantijn
Een keerpunt kwam met keizer Constantijn. Voor zijn overwinning bij de Milvische brug in 312 (Wasson 2013, Constantine I) werd hij volgens de christelijke schrijver Lactantius in een droom aangespoord om het hemelse teken van God op de schilden te laten aanbrengen:
Uit de tijd zelf
Constantijn werd in een droom aangespoord het hemelse teken van God op de schilden aan te brengen en zo de slag te beginnen. Hij deed wat hem bevolen was: met een dwarse letter X, waarvan de top omgebogen was, tekende hij Christus op de schilden. Met dit teken bewapend nam het leger het zwaard op.
Commonitus est in quiete Constantinus, ut caeleste signum dei notaret in scutis …
Uitbreiding Twee verslagen van één teken
Een andere christelijke schrijver, Eusebius, vertelt het anders. Hij zegt dat Constantijn het hem zelf vertelde, lang nadien en onder ede (Eusebius, Vita Const. 1, 1.28):
Uit de tijd zelf
Hij vertelde dat hij omstreeks de middag, toen de dag al begon te dalen, met eigen ogen een kruis van licht aan de hemel zag, boven de zon, met het opschrift: ‘Overwin hiermee.’ … In zijn slaap verscheen hem de Christus van God met hetzelfde teken dat hij aan de hemel had gezien, en gebood hem een afbeelding van dat teken te maken.
Leg de twee teksten naast elkaar. Bij Lactantius is er alleen een droom, vlak voor de slag, en komt het teken op de schilden. Bij Eusebius is er eerst een kruis van licht aan de hemel, overdag, en pas daarna een droom, en hij plaatst het verhaal bij de tocht naar Rome, niet bij de slag zelf (Lactantius, Mort., 44.5) (Eusebius, Vita Const. 1, 1.28–29). Beide schrijvers waren christenen. Ze vertellen allebei dat zijn overwinning met de God van de christenen te maken had, maar ze zijn het niet eens over hoe. Wat er die dag echt gebeurde, kunnen we niet nagaan.
In 313 kwam in Milaan een regeling tot stand die “zowel de christenen als iedereen” de vrijheid gaf om de godsdienst van hun keuze te volgen (Lactantius, Mort., 48):
Uit de tijd zelf
Toen wij, ik Constantijn Augustus en ik Licinius Augustus, gelukkig in Milaan bijeen waren gekomen en alles bespraken wat het algemeen welzijn en de veiligheid betreft, hebben wij onder de dingen die velen goed zouden doen vooral die geregeld willen zien waarin de eerbied voor de godheid besloten ligt: wij geven zowel aan de christenen als aan iedereen de vrije bevoegdheid om de godsdienst te volgen die ieder gekozen heeft …
… ut daremus et Christianis et omnibus liberam potestatem sequendi religionem quam quisque voluisset …
Die regeling staat bekend als het Edict van Milaan, maar die naam is van later. Lactantius geeft de tekst weer als een brief die keizer Licinius aan een gouverneur liet sturen en openbaar liet aanplakken (Lactantius, Mort., 48.1). In 330 werd Constantinopel ingewijd als nieuwe hoofdstad. Constantijn stierf in 337 (Wasson 2013, Constantine I). Volgens zijn biograaf Eusebius liet hij zich kort voor zijn dood dopen (Eusebius, Vita Const., 4.61–64).
Constantijn gaf de christenen niet alleen vrijheid, maar ook voorrechten. In een brief aan Anulinus, de Romeinse bestuurder van de provincie Afrika, liet hij de geestelijken van de katholieke kerk daar ‘volledig vrijstellen van alle openbare diensten’, zodat ze zich ongestoord aan hun godsdienst konden wijden (Eusebius, HE 10.7, 10.7). Wat later kwam, was een andere stap. In 380 vaardigden de keizers Gratianus, Valentinianus II en Theodosius vanuit Thessalonica een wet uit, gericht aan het volk van Constantinopel. Alle volkeren onder hun gezag moesten het geloof volgen dat de apostel Petrus had overgeleverd, zoals de bisschoppen van Rome en Alexandrië het toen voorhielden. Wie dat deed, mocht zich ‘katholieke christen’ noemen; wie anders geloofde, gold als ketter, en hun bijeenkomsten mochten geen kerken heten (CTh 16.1.2). Die wet ging dus vooral over welk christelijk geloof het juiste was (Hunt 2007). Het woord ‘staatsgodsdienst’ staat niet in de tekst (CTh 16.1.2).

En in onze streken?
Servatius is een bisschop die traditioneel met het Tongeren van de vierde eeuw verbonden wordt. Hoe stevig die band is, staat ter discussie. Wat we weten, komt uit drie soorten gegevens, en daarnaast is er de uitleg van een onderzoeker.
- De overlevering. De oudste verhalen over Servatius staan bij Gregorius van Tours, aan het einde van de zesde eeuw. Volgens Gregorius keerde Servatius uit Rome terug naar de stad Tongeren en trok hij daarna naar Maastricht, waar hij stierf (De la Haye, Servatius).
- Teksten uit de vierde eeuw. Vier teksten uit het midden van de vierde eeuw noemen een bisschop Servatius bij kerkvergaderingen. Twee daarvan noemen hem bisschop ‘van de Tongeren’. Veel historici gaan er daarom van uit dat hij toen al bisschop van Tongeren was (De la Haye, Servatius).
- De archeologie. Onder de basiliek van Tongeren werd een gebouw gevonden dat munten op het einde van de vierde eeuw dateren, maar dat het een christelijke functie had, is niet aantoonbaar. Aan het begin van de zesde eeuw was Maastricht in elk geval bisschopsstad (De la Haye, Servatius).
- Een interpretatie. Historicus Régis de la Haye meent dat de ene vierde-eeuwse tekst met ‘Tongeren’ een vervalsing is (dat nemen volgens hem bijna alle auteurs aan) en de andere waarschijnlijk een latere toevoeging. Hij argumenteert ook dat er halfweg de vierde eeuw in het noorden van Gallië, buiten enkele grote steden, nog geen kerkelijke structuren waren. Hij stelt zijn bijdrage zelf voor als een stand van zaken, niet als een definitieve conclusie (De la Haye, Servatius).
Had Tongeren in de Romeinse tijd een bisschop?: geen extra leerlingdoel
Geef hier geen stellig antwoord, in geen van beide richtingen. Met de teksten en vondsten die we kennen, is niet vast te stellen of Tongeren in de vierde eeuw al een bisschop had. Een wijdverspreide opvatting zegt van wel; De la Haye geeft argumenten van niet (De la Haye, Servatius). Vast staat dat de oudste uitgebreide verhalen over Servatius pas aan het einde van de zesde eeuw werden opgeschreven. Het is een goed voorbeeld om leerlingen te tonen dat een overlevering, een oude tekst, een opgraving en de uitleg van een onderzoeker vier verschillende dingen zijn.

Onrustiger tijden
De lange periode van relatieve rust die we de Pax Romana noemen, bleef niet duren. In de derde eeuw namen de invallen van Germaanse groepen toe. Aan het einde van de derde en het begin van de vierde eeuw kreeg Tongeren een nieuwe, sterke stadsmuur. Die was dik, had opvallend veel torens en omsloot alleen het hoogst gelegen en best verdedigbare deel van de oude hoofdplaats. De stad werd dus kleiner. De muur hoorde bij een groter verdedigingssysteem en lijkt op laat-Romeinse versterkingen in andere steden langs de weg van Boulogne naar Keulen (Vanderhoeven 2008a). Lang na de Romeinse tijd bleef zo’n muur een zichtbaar teken van Romeins gezag.

Verhalen om verder te vertellen
Drie verhalen die op dit artikel voortbouwen. Ze zijn bedoeld als achtergrond en als aanknopingspunt voor eigen leesteksten. Ze breiden de leerlingdoelen niet uit.
Tungri aan de muur van Hadrianus
Uit de civitas Tungrorum kwamen veel hulptroepen. Tacitus vermeldt al twee cohorten Tungri, naast vier van de Bataven, in een veldslag van Agricola in Brittannië (Tacitus, Agr., 36.1). Een eenheid van de Tungri, de eerste cohorte (cohors I Tungrorum), lag in het fort van Vindolanda, vlak bij de latere muur van Hadrianus. Volgens de online editie van de schrijfplankjes was dat in de vroegste perioden van het fort, rond 85–95 o.t. Daar bewaarde de natte bodem honderden houten schrijfplankjes. Daartussen zitten brieven van de bevelhebber van de Tungri, de prefect Iulius Verecundus (RIB, Vindolanda Tablets). Eén plankje is een sterkterapport van de eenheid, dat de uitgevers op ongeveer 92–97 o.t. dateren (Tab. Vindol. 154):
Uit de tijd zelf
18 mei: de sterkte van de eerste cohorte van de Tungri, onder bevel van de prefect Iulius Verecundus: 752 man, waaronder 6 centurio’s. Daarvan zijn er 456 afwezig, onder wie 5 centurio’s; 296 zijn aanwezig. Van hen zijn 15 ziek, 6 gewond en 10 hebben een ooginfectie: 31 samen. Dienstvaardig blijven 265.
… n(umerus) p(urus) [co]h(ortis) i Tungrorum cui praest Iulius Verecundus praef(ectus) …
Ruim de helft van de eenheid was dus elders ingezet, onder meer als lijfwacht van de gouverneur en in een ander fort. De kleinste cijfers zijn moeilijk leesbaar en daardoor onzeker; de grootteorde staat vast (Tab. Vindol. 154). Later, van de late tweede tot de vierde eeuw, vormde dezelfde eenheid het garnizoen van het fort Housesteads aan de muur. Het fort was ingericht voor een regiment van ongeveer 800 voetsoldaten (English Heritage, Housesteads).
Waarom dit verhaal werkt: geen extra leerlingdoel
Het maakt ‘het Romeinse Rijk’ concreet: mensen uit de streek van Tongeren dienden honderden kilometers verder, in een ander klimaat, en schreven brieven die we vandaag nog kunnen lezen. Het sluit aan bij identiteit en integratie: was zo’n soldaat een Tungrer, een Romein, of allebei? Het sterkterapport is ook een goede oefening in lezen: wat leer je uit een lijst met getallen die niet geschreven werd om later gelezen te worden?

Wat de schrijfplankjes van Tongeren vertellen
In Tongeren zelf zijn 85 fragmenten van Romeinse wastafeltjes onderzocht: houten plankjes waarop een laagje bijenwas als schrijfvlak diende. Ze komen uit twee vondstgroepen: 73 uit Broekberg, in de jaren 1930 gevonden op een plaats die in de Romeinse tijd een stortplaats was, en 12 uit een verlaten waterput aan de Beukenbergweg, opgegraven in 2013. Het Gallo-Romeins Museum dateert ze in de eerste tot derde eeuw o.t. (GRM, schrijftabletten). Ze komen dus niet allemaal uit dezelfde tijd. Een koolstofdatering van tien plankjes gaf een te ruime marge, van 50 v.o.t. tot 540 o.t., om bruikbaar te zijn (Lougovaya 2026 (recensie Hartoch)). De was is meestal verdwenen, maar soms drukte de stift door tot in het hout; die krassen in het hout zijn wat onderzoekers bestuderen (GRM, schrijftabletten). Lang golden die sporen als onleesbaar. In 2020 bracht Else Hartoch van het Gallo-Romeins Museum ze opnieuw onder de aandacht, waarna onderzoekers ze ontcijferden (HeritageDaily 2026). Hun lezingen vallen niet altijd samen (Lougovaya 2026 (recensie Hartoch)). Op de plankjes staan Latijnse teksten over juridische en administratieve zaken, naast schrijfoefeningen (GRM, schrijftabletten), en een kladversie van een inscriptie ter ere van Caracalla, die te dateren is op 207 o.t. (Lougovaya 2026 (recensie Hartoch)). Caracalla was toen al medekeizer naast zijn vader (Livius, Caracalla). Die kladversie geeft een vast jaartal voor één tekst, niet voor het hele bestand. De plankjes vermelden ook ambten die in de noordelijke provincies zelden opduiken (HeritageDaily 2026). Er staan Latijnse, Keltische en Germaanse namen op, en een tekst over het pensioen van een veteraan (GRM, schrijftabletten). Uit die namen alleen kun je niet afleiden waar de mensen vandaan kwamen.
Ambiorix: van opstandeling tot ‘eerste Belg’
Op de Grote Markt van Tongeren staat een bronzen standbeeld van Ambiorix, gemaakt door Jules Bertin in 1865–1866 (KIK-IRPA, Ambiorix). Het werd in 1866 ingehuldigd in aanwezigheid van koning Leopold II. Bij de keuze van de held speelde mee dat Caesar Ambiorix veel vaker noemt dan andere leiders, en historici hadden toen al bezwaren tegen de vormgeving van het beeld (VRT NWS 2026).

Robert Nouwen, oud-conservator van het Gallo-Romeins Museum, wijst erop dat België pas na 1830 ontstond en dat Ambiorix daarom moeilijk ‘de eerste Belg’ kan heten. Hij noemt Ambiorix eerder een pragmatische opportunist dan een romantische vrijheidsstrijder (VRT NWS 2026). Ook Caesar zelf rekende de Eburonen tot de groep die “Germanen” genoemd werd (Caesar, BG, 2.4). En wat Ambiorix zegt, lezen we alleen bij Caesar, in de mond van een tegenstander die hem een list laat uithalen (zie de uitbreiding bij Caesar).
Erfgoed en beeldvorming: geen extra leerlingdoel
Het standbeeld zegt meer over de 19de eeuw dan over de oudheid. Dat maakt het een sterk voorbeeld bij erfgoed en identiteit (reflectie en dialoog): waarom kiest een land een held uit het verleden, en wat laat een beeld weg of voegt het toe? Vergelijk het beeld met wat Caesar schrijft, en met wat archeologen niet weten.
Wat we weten en wat onzeker is
- Zeker: de grote lijnen van de Punische oorlogen, de uitbarsting van de Vesuvius in 79, de verovering door Caesar en de opstand van Ambiorix en Catuvolcus, de naam Augustus in 27 v.o.t., de nederlaag van Varus, het legerkamp en de vicus van Velzeke, de laat-Romeinse muur van Tongeren. Dat zijn gegevens uit archeologisch onderzoek en uit primaire bronnen, met de beperkingen die bij zulke bronnen horen.
- Onderwerp van onderzoek: de exacte dag van de uitbarsting (Plinius geeft 24 augustus; een houtskoolopschrift zonder jaar, dat ook uit 78 kan stammen, noemt 17 oktober), of Kalkriese de plaats van de slag tegen Varus is en hoe die slag verliep, hoe Tongeren precies ontstond (Vanderhoeven 2008a) (Vanderhoeven 2025), en of Tongeren in de vierde eeuw al een bisschop had.
- Voorzichtig mee omgaan: wat Romeinse schrijvers over hun tegenstanders zeggen (Hannibal, de Belgen, Ambiorix, de christenen), de woorden die zij hun tegenstanders in de mond leggen (Ambiorix, Calgacus, Civilis), verhalen die ze zelf als overlevering aanduiden (‘men vertelt’), de namen Kelten, Germanen en Belgen, uitspraken over wat ‘de’ bevolking dacht of voelde, en latere beelden zoals het standbeeld van Ambiorix.
- Waar dit artikel geen tekst uit de tijd gebruikt: voor Velzeke, de limes en het leven op het platteland in onze streken is in dit artikel geen geschreven bron uit de Romeinse tijd gebruikt; daar zijn de vondsten zelf de bronnen. Voor de wegen noemen we alleen de afstanden op de Peutingerkaart, via een moderne beschrijving (Livius, Via Belgica). Zulke geschreven bronnen bestaan wel, zoals militaire documenten en schrijfplankjes uit Vindolanda (RIB, Vindolanda Tablets) en uit Tongeren zelf (GRM, schrijftabletten); die moeten per vraag worden opgezocht.
Kaarten

Belgii veteris typus · Abraham Ortelius, 1594
Het ‘oude België’ zoals Abraham Ortelius het zich in de 16de eeuw voorstelde, met de volken die antieke schrijvers vermelden.
Geen kaart uit de Romeinse tijd zelf, maar een reconstructie van 1594. Sterk voorbeeld om met leerlingen te bespreken hoe latere mensen het verleden in beeld brachten.

Tabula Peutingeriana (facsimile) · Romeinse wegenkaart; facsimile door Konrad Miller, 1887–1888 (facsimile)
Een Romeinse wegenkaart: geen kaart op schaal, maar een lange strook met wegen, plaatsen en afstanden.
Te groot om hier te tonen (26.000 pixels breed); open de bron en zoom in op het noordwesten van het rijk.
Verbanden
- Overzicht Oudheid
- Begrip Bron en bewijs
- Begrip Imperialisme
- Verwijst hierheen De Arabische wereld in de middeleeuwen
- Verwijst hierheen Wat doen paleontologen, archeologen en historici?
- Verwijst hierheen De aarde van binnen: lagen, platen, vulkanen en aardbevingen
- Verwijst hierheen Bron en bewijs
- Verwijst hierheen Soorten bronnen
- Verwijst hierheen Contacten tussen samenlevingen in de middeleeuwen
- Verwijst hierheen Emancipatie
- Verwijst hierheen Europa in de vroegmoderne tijd
- Verwijst hierheen De Griekse wereld
- Verwijst hierheen Handel over lange afstanden
- Verwijst hierheen Historisch redeneren
- Verwijst hierheen Imperialisme
- Verwijst hierheen Mesopotamië
- Verwijst hierheen Oudheid
- Verwijst hierheen Rivaliteit en samenwerking na 1945
- Verwijst hierheen Slavernij en slaafgemaakten
- Verwijst hierheen Stadstaat
- Verwijst hierheen Tijd en chronologie
- Verwijst hierheen Vragen stellen over een bron
Bronnen en verdieping
Historische bronnen
- Titus Livius. Ab urbe condita, boek 21 (Latijnse tekst).
- Titus Livius. Ab urbe condita, boek 1 (Latijnse tekst).
- Plutarchus, Bernadotte Perrin (vertaler) (1914). Life of Cato the Elder (Engelse vertaling B. Perrin, Loeb 1914).
- Polybius, W. R. Paton (vertaler) (1922). The Histories, boek 3 (Engelse vertaling W. R. Paton, Loeb 1922).
- Gaius Plinius Caecilius Secundus (Plinius de Jongere). Epistulae, boek 6 (Latijnse tekst).
- Apuleius. Metamorphoses, boek 9 (Latijnse tekst).
- Lucius Annaeus Seneca. Epistulae morales ad Lucilium, boek 5 (brief 47; Latijnse tekst).
- Gaius Iulius Caesar. Commentarii de bello Gallico (Latijnse tekst).
- Publius Cornelius Tacitus. Germania (Latijnse tekst).
- Augustus. Res gestae divi Augusti (Latijnse tekst).
- Publius Cornelius Tacitus. Agricola (Latijnse tekst).
- Gaius Suetonius Tranquillus. De vita Caesarum: Divus Augustus (Latijnse tekst).
- Strabo (1932). Geography, boek 17 (Engelse vertaling H. L. Jones, 1932).
- Publius Cornelius Tacitus. Annales, boek 1 (Latijnse tekst).
- Publius Cornelius Tacitus. Annales, boek 2 (Latijnse tekst).
- Plinius de Oudere, Karl Mayhoff (uitgever, 1906), John Bostock en H. T. Riley (vertalers, 1855) (1906). Naturalis historia, boek 31 (Latijnse tekst Mayhoff 1906, Perseus; Engelse vertaling Bostock en Riley 1855).
- Publius Cornelius Tacitus. Historiae, boek 4 (Latijnse tekst).
- Strabo, Horace Leonard Jones (vertaler) (1923). Geography, boek 4 hoofdstuk 4 (Engelse vertaling H. L. Jones, Loeb 1923).
- Plinius de Oudere, John Bostock en H. T. Riley (vertalers) (1855). Natural History, boek 14 (Engelse vertaling Bostock en Riley, 1855).
- Plutarchus. Life of Tiberius Gracchus (Engelse vertaling, Loeb Classical Library 1921).
- Livius (samenvatting) (2009). Livy, Periochae 56-60 (vertaling Jona Lendering).
- Ulpianus (in de Digesten van Justinianus). Digesta, boek 50 (Latijnse tekst), titel 17: regulae iuris.
- Gaius. Institutiones, commentarius primus (Latijnse tekst).
- Columella (2019). De re rustica 1.8.19 (Latijnse tekst met commentaar).
- Marcus Tullius Cicero. Brutus (Latijnse tekst).
- Valerius Maximus. Facta et dicta memorabilia, boek 4 (Latijnse tekst).
- Publius Cornelius Tacitus. Annales, boek 15 (Latijnse tekst).
- K. C. Hanson, Douglas E. Oakman (vertaling) (2015). Pilate Inscription (Caesarea, AE 1963 nr. 104).
- Flavius Josephus. Antiquitates Judaicae, boek 20, hoofdstuk 9 (Engelse vertaling W. Whiston).
- Lucas (traditioneel). Handelingen 11:26 (World English Bible).
- Eusebius van Caesarea (1890). Historia ecclesiastica, boek 10 (vertaling A. C. McGiffert, 1890).
- Gratianus, Valentinianus II en Theodosius I. Codex Theodosianus 16.1.2 (Cunctos populos), 27 februari 380.
- Gaius Plinius Caecilius Secundus (Plinius de Jongere), Trajanus (briefschrijver in 10.97). Epistulae, boek 10 (Latijnse tekst).
- Lactantius. De mortibus persecutorum (Latijnse tekst).
- Eusebius van Caesarea, Ernest Cushing Richardson (vertaler) (1890). Life of Constantine, boek I (Engelse vertaling E. C. Richardson).
- Eusebius van Caesarea. Life of Constantine, boek IV (Engelse vertaling E. C. Richardson).
- Onbekende schrijver (militair document) (2026). Tab.Vindol. 154. Strength report of the First Cohort of Tungrians.
- Claudia Severa (schrijfster); Severa zet de slotregels zelf (2026). Tab.Vindol. 291. Invitation to a birthday party.
Geraadpleegde literatuur
- Joshua J. Mark (2018). Punic Wars.
- ANSA (2018). Find suggests Pompeii eruption in Oct.
- Parco Archeologico di Pompei (2023). Pompeii: prison bakery emerges.
- Joshua J. Mark (2018). Augustus.
- Museum und Park Kalkriese (Varusschlacht im Osnabrücker Land gGmbH). Forschung (Die Varusschlacht).
- Informationsdienst Wissenschaft (idw) (2026). Persbericht over onderzoek naar Kalkriese (Schröder, Lüttmann), 30 januari 2026.
- Jona Lendering (2020). Chaussée Brunehaut ("Via Belgica").
- roemer.nrw (Noordrijn-Westfalen; het logo verwijst naar het ministerie MHKBG; voorbereiding van de aanvraag door het LVR-Amt für Bodendenkmalpflege im Rheinland). World Heritage Site Lower German Limes.
- Gallo-Romeins Museum Tongeren. Onderzoek naar schriftsporen op Romeinse schrijftabletten.
- Julia Lougovaya (recensent, Universität Heidelberg) (2026). Recensie van: Else Hartoch (ed.), The Writing Tablets of Roman Tongeren (Belgium) and Associated Wooden Finds (Turnhout 2025).
- Jona Lendering. Caracalla.
- Gabriel Zuchtriegel, Chiara Comegna, Fabrizio Conte, Alessandro Russo (2024). La data della distruzione di Pompei: premesse per un dibattito aperto.
- wissen.de (Konradin Mediengruppe). Varusschlacht.
- Alain Vanderhoeven (2008). Tongeren en het Romeinse leger. Vlaanderen. Kunsttijdschrift, jaargang 57.
- Alain Vanderhoeven (2008). Waar hebben we dit nog gehoord? Maatschappelijke ontwikkelingen in de civitas Tungrorum ten tijde van de Romeinse vrede. Vlaanderen. Kunsttijdschrift, jaargang 57.
- Jean-Luc Meulemeester (2008). Een Romeinse legerbasis in Velzeke. Vlaanderen. Kunsttijdschrift, jaargang 57.
- Alain Vanderhoeven (2025). Atuatuca Tungrorum: A brief introduction. In: E. Hartoch (red.), The Writing Tablets of Roman Tongeren (Belgium) and Associated Wooden Finds. Turnhout: Brepols. ISBN 978-2-503-61687-2. doi:10.1484/M.STIA-EB.5.150345.
- NOS (2021). Ook Neder-Germaanse Limes toegevoegd aan Werelderfgoedlijst Unesco.
- E. D. Hunt (2007). Imperial Law or Councils of the Church? Theodosius I and the Imposition of Doctrinal Uniformity.
- Donald L. Wasson (2013). Constantine I.
- VRT NWS (2025). Unieke collectie Romeinse schrijftabletten uit Tongeren werpt nieuw licht op het dagelijks leven 2.000 jaar geleden.
- Régis de la Haye. De historische Servatius. Stand van zaken.
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
- Roman Inscriptions of Britain (RIB Online). Vindolanda Tablets.
- English Heritage. History of Housesteads Roman Fort.
- KIK-IRPA, BALaT. Ambiorix (standbeeld, Grote Markt Tongeren), object 147186.
- Elian Pergola (2026). Mogelijke vestiging van Ambiorix ontdekt in Tongeren-Borgloon: ‘Toch is hij niet de eerste Belg’.
- Mark Milligan (2026). Deciphering Roman writing tablets from Tongeren.
Verder lezen en kijken
- Else Hartoch (red.) (2025). The Writing Tablets of Roman Tongeren (Belgium) and Associated Wooden Finds. Turnhout: Brepols. ISBN 978-2-503-61687-2.
- Edith M. Wightman (1985). Gallia Belgica. London: B. T. Batsford. ISBN 0-7134-4609-9.
- Gallo-Romeins Museum. Gallo-Romeins Museum Tongeren.
- Stad Zottegem. Archeocentrum Velzeke.
Doelen
Op.stap
- 5.1.GL2.9 2de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Rome, Carthago, Hannibal.Het begrip imperialisme wordt hier alleen kort omschreven. Verder in: Imperialisme.
- 5.1.GL2.10 2de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: dagelijks leven, Pompeï, keukens, slaafgemaakten.
- 5.2.GL2.1 2de leerjaarDe leerlingen kunnen het verschil tussen bron en bewijs herkennen.Het begrippenpaar zelf wordt hier niet uitgelegd. Verder in: Bron en bewijs.
- 5.2.GL2.4 2de leerjaarDe leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid en de middeleeuwen herkennen.Andere bronnen uit de oudheid en de middeleeuwen. Verder in: Soorten bronnen.
- 5.2.GL2.9 2de leerjaarDe leerlingen kunnen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden op elementair niveau vergelijken.Het onderscheid tussen perspectieven wordt niet systematisch uitgewerkt. Verder in: Perspectief.
- 5.1.GL3.1 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Caesar, de Kelten.Caesars verovering van de rest van Gallië komt niet aan bod. Verder in: Imperialisme.
- 5.1.GL3.2 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Augustus, Germanen. Verder in: Imperialisme.
- 5.1.GL3.3 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: identiteit en integratie, culturele uitwisseling, Tongeren.De Op.stap-voorbeelden (houten vaten, lange broeken, plaatsnamen) worden alleen genoemd.
- 5.1.GL3.4 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: voedselproductie, handel over lange afstanden, de Pax Romana, Tongeren, Velzeke, Limes, wegennetwerk.
- 5.1.GL3.5 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: identiteit en integratie, Cornelia.De sociale spanningen rond de hervormingen van haar zonen en de rechtspositie van vrouwen worden niet uitgewerkt.
- 5.1.GL3.6 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: ontstaan van het christendom, Constantijn.
- 5.2.GL3.1 3de leerjaarDe leerlingen kunnen het verschil tussen bron en bewijs benoemen.Het begrippenpaar zelf wordt hier niet uitgelegd. Verder in: Bron en bewijs.
- 5.2.GL3.2 3de leerjaarDe leerlingen kunnen typische vragen benoemen om te stellen over aangereikte bronnen: hoe en waarom een bron is gemaakt, wanneer en waar een bron is gemaakt.Typische vragen over bronnen in het algemeen. Verder in: Historische vragen stellen (nog te schrijven).
- 5.2.GL3.3 3de leerjaarDe leerlingen weten wat paleontologen, archeologen en historici doen.Paleontologen en historici; het beroep in het algemeen. Verder in: Wat doen paleontologen, archeologen en historici?.
- 5.2.GL3.4 3de leerjaarDe leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid en de middeleeuwen noemen.Bronnen voor de middeleeuwen. Verder in: Soorten bronnen.
- 5.2.GL4.4 4de leerjaar*De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de prehistorie, de oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd noemen.Bronnen voor de prehistorie, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Verder in: Soorten bronnen.
Minimumdoelen
- 5.1.2 vierde leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.Mesopotamië en de Griekse wereld. Verder in: Mesopotamië, De Griekse wereld.
- 5.2.1 vierde leerjaarDe leerlingen kennen het verschil tussen bron en bewijs.
- 5.2.2 vierde leerjaarDe leerlingen kennen typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen:
- 5.2.3 vierde leerjaarDe leerlingen weten wat paleontologen, archeologen en historici doen.
- 5.2.4 vierde leerjaarDe leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd noemen.
- 5.2.8 vierde leerjaarDe leerlingen kunnen een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden begrijpen.
Over dit artikel
- Geschreven
- 3 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 3 november 2026
- Fout gezien?
- Meld een correctie