Onderwerp · Geschiedenis · ook: Aardrijkskunde
Contacten tussen samenlevingen in de middeleeuwen
Vikingen op de rivieren van het Frankische rijk, een Noorman die een Frankisch gebied kreeg, en in Spanje christenen, joden en moslims die naast en tegen elkaar leefden.
Zo gemarkeerd: een woord dat Op.stap bij dit onderwerp expliciet gebruikt.
Dit artikel gaat over mensen die elkaar in de middeleeuwen tegenkwamen terwijl ze uit verschillende samenlevingen kwamen. Het eerste deel speelt zich af in het noorden: zeevaarders uit het noorden die kloosters overvielen, de handelsplaats Dorestad plunderden en Parijs belegerden, maar ook handel dreven, verdragen sloten en gebied kregen van de Frankische koning. Het tweede deel speelt zich af in Spanje en Portugal, op het Iberisch Schiereiland: in Al-Andalus leefden moslims, joden en christenen naast elkaar, en later werd het land stap voor stap veroverd door christelijke koninkrijken.
Waar het kan, laten we de mensen van toen zelf spreken: monniken die jaarboeken bijhielden, een dichter die het beleg van Parijs meemaakte, een Noorman die zijn leven vertelde aan een Engelse koning, de opschriften op de muren van het Alhambra en de denker Maimonides. Die passages staan in een apart kader, met de vertaling erbij. Let wel: over de Vikingen spreken bijna alleen hun tegenstanders, en over Rollo vooral één schrijver die een eeuw later leefde. Dat zeggen we telkens erbij.
Interculturele contacten
Wanneer mensen uit verschillende samenlevingen elkaar ontmoeten, met elk hun eigen taal, godsdienst en gewoonten, spreken we van interculturele contacten. Zulke contacten kunnen vreedzaam zijn: handel, een gesprek aan een koninklijk hof, leraars en leerlingen die elkaars boeken lezen. Ze kunnen ook gewelddadig zijn: een overval, een beleg, een verovering, een gedwongen bekering. Vaak is het allebei tegelijk. In dit artikel zie je dezelfde mensen soms plunderen en dan weer onderhandelen.
Voor Al-Andalus is over die vraag een lange discussie. Sommige schrijvers beschrijven het islamitische Spanje als een plaats van volmaakte harmonie, anderen als een plaats van alleen maar lijden. De historicus Mark R. Cohen meent dat beide voorstellingen op ‘historische mythes’ berusten (Cohen 2007). Dat is een goede houding voor het hele artikel: kijk naar wat de bronnen echt vertellen, en verwacht niet dat contact altijd goed of altijd slecht was.
Hoe dit artikel is opgebouwd: geen extra leerlingdoel
Het artikel heeft twee delen die bij verschillende leerjaren horen. De Vikingen, Dorestad, Rollo en de belegering van Parijs vormen het eerste deel; Al-Andalus, de moskee van Cordoba, het Alhambra, Maimonides, de conversos en de Reconquista het tweede. De twee delen hangen niet rechtstreeks samen, maar ze laten dezelfde vragen zien: hoe leefden mensen met nieuwkomers of buren met een andere godsdienst, hoe sloten ze afspraken, en wie schreef het verhaal op?
Vikingen
Wij noemen de zeevaarders uit het noorden die in de achtste, negende en tiende eeuw de kusten en rivieren van West-Europa bezochten vandaag Vikingen. De mensen van toen gebruikten dat woord in de bronnen van dit artikel niet. De Frankische jaarboeken spreken van Noormannen (Nordmanni) of Denen (Dani). Een Engelse kroniek schrijft over ‘heidense mannen’: mensen die niet christelijk waren. Een Noorman die bij de Engelse koning op bezoek kwam, zei dat hij ‘het noordelijkst van alle Noormannen’ woonde (Annales Bertiniani, a. 834, 845) (Angelsaksische Kroniek, a. 793) (Alfreds Orosius (Bosworth 1859), I.1, § 13).
Bijna alles wat we over hen in geschreven bronnen lezen, komt van christelijke monniken en geestelijken: de mensen die ze overvielen of met wie ze onderhandelden. Zelf lieten de Vikingen uit die tijd weinig tekst na; voor dit artikel is geen bron in hun eigen taal gebruikt. Houd dat in je achterhoofd bij elk fragment hieronder.
Een overval op een klooster
Een van de bekendste vermeldingen staat in de Angelsaksische Kroniek, een jaarboek dat in Engeland werd bijgehouden. Bij het jaar 793 beschrijft de kroniek een overval op de kerk van Holy Island, het eiland dat ook Lindisfarne heet, in het noorden van Engeland:
Historische bron
Dat jaar verschenen er vreselijke voortekens boven het land van de Northumbriërs … en kort daarna, op de zesde dag vóór de iden van januari van datzelfde jaar, richtten de verschrikkelijke invallen van heidense mannen grote verwoesting aan in de kerk van God op Holy Island, met roof en moord.
De schrijver noemt de overvallers geen Vikingen en ook geen Denen, maar ‘heidense mannen’. Voor hem was het belangrijkste dat ze geen christenen waren en een kerk aanvielen. De voortekens die hij eerst vermeldt, horen bij zijn manier van vertellen: een ramp kondigt zich aan.
Een vloot op de Seine
In de jaarboeken van het Frankische rijk duiken de Noormannen in de jaren 830 en 840 steeds vaker op. De Jaarboeken van Sint-Bertijn, opgesteld aan het hof van de Frankische koningen, vertellen bij het jaar 845:
Historische bron
Een zeer strenge winter. In maart voeren honderdtwintig schepen van de Noormannen de Seine op. Ze verwoestten alles aan beide oevers en drongen Parijs binnen zonder dat iemand hen tegenhield. Toen Karel hen wilde tegemoet treden, maar inzag dat zijn mannen het niet aankonden, hield hij hen tegen met enkele afspraken en een geschenk van zevenduizend pond, en overtuigde hij hen om terug te keren.
Een ander jaarboek, dat van de abdij van Fulda in het oosten van het rijk, vertelt hetzelfde in één zin: de Noormannen kwamen per schip tot bij Parijs en vertrokken in vrede, nadat ze van de koning en van de inwoners veel geld hadden gekregen (Annales Fuldenses, a. 845, p. 35). Twee bronnen uit verschillende delen van het rijk zeggen dus hetzelfde. Dat is een sterke aanwijzing dat het zo gebeurd is. Het laat ook iets zien over het contact: de koning vocht niet, hij betaalde. Een vloot die zilver kreeg om te vertrekken, kon later terugkomen.
Een Noorman aan het hof van koning Alfred
Niet elk contact was een overval. De Engelse koning Alfred liet een oude wereldgeschiedenis in het Oud-Engels vertalen en voegde er het verhaal van een bezoeker aan toe. Die bezoeker heette Ohthere, en hij vertelde over zijn leven in het hoge noorden (Alfreds Orosius (Bosworth 1859), I.1, § 13–15). Volgens de negentiende-eeuwse uitgever Joseph Bosworth was het werk waarschijnlijk rond 890 klaar.
Historische bron
Ohthere vertelde zijn heer, koning Alfred, dat hij het noordelijkst van alle Noormannen woonde. … Hij was een zeer rijk man in de bezittingen waarin hun rijkdom bestaat, namelijk in wild. Toen hij bij de koning kwam, had hij zeshonderd tamme herten van eigen fok. … Hun inkomsten komen vooral uit de schatting die de Finnen hun betalen, in dierenhuiden, vogelveren, walvisbeen en scheepstouwen van walvis- en robbenhuid.
Hier spreekt een Noorman als gast van een christelijke koning. Hij vertelt over zijn dieren, over wat de Finnen, een ander volk uit het noorden, hem moesten afgeven, en over de goederen waarmee hij rijk werd. Dat zijn spullen om te verhandelen. Dezelfde Angelsaksische Kroniek die de overval van 793 beschrijft, noteert bij het jaar 878 ook dat koning Alfred peetvader werd bij het doopsel van de Deense leider Guthrum (Angelsaksische Kroniek, a. 878). Vijanden konden dus bondgenoten en geloofsgenoten worden.
“Droegen de Vikingen helmen met hoorns?”
Kort antwoord voor kinderen
Daarover zeggen de bronnen in dit artikel niets. De schrijvers van toen vertellen over schepen, over plunderingen, over zilver en over afspraken, maar niet over helmen.
Nuance voor de leerkracht
De vraag komt vaak terug. Dit artikel gebruikt alleen geschreven bronnen en geen opgegraven wapens of helmen, en kan ze dus niet beantwoorden. Laat leerlingen liever ontdekken wat de jaarboeken wél vertellen, en zoek voor uitrusting een museumbron.
Dorestad
Een handelsplaats aan de rivier
Dorestad was een handelsplaats in de vroege middeleeuwen, op de plek van het huidige Wijk bij Duurstede in Nederland. Tussen 1967 en 1977 hebben archeologen daar grote opgravingen gedaan; de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gaf de resultaten uit in een reeks boeken, waarvan het laatste deel in 2015 verscheen (Van Es e.a. 2015).
De Frankische jaarboeken noemen Dorestad een emporium, een handelsplaats, en spreken over de Friese negotiatores, de kooplieden, die er woonden (Annales Bertiniani, a. 834, 863). Vikingschepen kwamen er volgens de jaarboeken via de monding van de Rijn (Annales Fuldenses, a. 850, p. 39). Richard Hodges schrijft in een bespreking, in navolging van de onderzoeker Van Es, dat Dorestad een doorvoerhaven was, een plaats waar goederen werden overgeladen en verhandeld, en geen plaats waar ze vooral gemaakt werden. Hij noemt de opgraving de grootste reddingsopgraving ooit in Nederland, met volgens hem ongeveer 35 hectare onderzocht terrein en drie kilometer kades (Hodges 2011).
Getallen over Dorestad: geen extra leerlingdoel
De cijfers over de omvang van Dorestad verschillen naargelang de bron. Hodges spreekt van opgravingen ‘over elf jaar’; de Rijksdienst noemt de periode 1967–1977. Gebruik in de klas de periode van de Rijksdienst en noem het oppervlak alleen met de naam erbij (‘volgens Hodges’). Getallen die je op het internet vindt, zoals een havenlengte van anderhalve kilometer of de vondst van wijnkruiken, hebben we niet in een betrouwbare bron teruggevonden en laten we weg. Een wijdverspreide kinderpagina over Dorestad bevat bovendien een fout; die is hier niet gebruikt.
Aanvallen op Dorestad
Een rijke handelsplaats aan een rivier was ook een doelwit. De Jaarboeken van Sint-Bertijn noemen Deense aanvallen op Dorestad in 834, 836 en 837 (Annales Bertiniani, a. 834, 836, 837). Over de eerste schrijven ze:
Historische bron
Ondertussen kwam er een vloot van Denen naar Friesland en verwoestte een deel ervan. Vandaar kwamen ze via Utrecht bij de handelsplaats die Dorestad heet en plunderden alles. Sommige mensen doodden ze, andere voerden ze gevangen weg, en een deel van de plaats staken ze in brand.
In 837 vielen de Noormannen ‘zoals gewoonlijk’ Friesland binnen. Op Walcheren overvielen ze de mensen, ze eisten er schatting, en daarna kwamen ze bij Dorestad, waar ze ook tribuut eisten. Toen de keizer dat hoorde, haastte hij zich naar Nijmegen, de burcht dicht bij Dorestad, en bij het nieuws van zijn komst trokken de Noormannen meteen weg (Annales Bertiniani, a. 837, p. 13). Ook in 857 en 863 vermelden de jaarboeken aanvallen; in 863 werden daarbij veel Friese kooplieden gedood (Annales Bertiniani, a. 857, 863).
Lees goed wat er staat: plunderen, doden, gevangen nemen, een deel in brand steken, geld eisen. De jaarboeken schrijven niet dat Dorestad met de grond gelijk werd gemaakt. ‘Tribuut’ of ‘schatting’ is geld of goed dat je moet afgeven omdat een sterkere partij het eist.
Rorik, een Noorman in dienst van de koning
Het jaarboek van Fulda vertelt over Rorik, een Noorman die Dorestad bestuurde voor de Frankische koning. Hij had het al onder keizer Lodewijk samen met zijn broer in leen gehad: hij mocht er het gezag uitoefenen in ruil voor trouw aan de keizer. Later werd hij van verraad beschuldigd en gevangengezet, maar hij ontsnapte. Bij het jaar 850 schrijft het jaarboek wat er toen gebeurde:
Historische bron
Hij verzamelde een flinke bende Denen en begon aan piraterij. … Hij kwam via de monding van de Rijn naar Dorestad, nam het in en hield het bezet. En omdat Lotharius hem niet kon verdrijven zonder verlies voor zijn eigen mensen, werd hij, na overleg met de raad en via gezanten, weer in trouw aangenomen, op voorwaarde dat hij de belastingen en de andere zaken van de koninklijke schatkist trouw zou behartigen en de piratenaanvallen van de Denen zou tegenhouden.
Dat is een merkwaardige afspraak. De koning kon Rorik niet verslaan, dus maakte hij hem tot zijn man: de Deen moest voortaan de belastingen innen en andere Denen tegenhouden. De schrijver voegt eraan toe dat Rorik ‘ten onrechte, zo gaat het verhaal’ van verraad beschuldigd was (Annales Fuldenses, a. 850, p. 39). Zelfs een monnik in Fulda twijfelde dus aan de officiële versie. In 857 voerde Rorik, ‘die over Dorestad gezag had’, met toestemming van koning Lotharius een vloot naar het land van de Denen en nam daar een gebied in bezit (Annales Fuldenses, a. 857, p. 47). In 863 trokken Deense aanvallers op raad van Rorik weer weg (Annales Bertiniani, a. 863).
Waarom Dorestad verdween
Dorestad bestaat niet meer als grote handelsplaats. Waarom niet? De aanvallen van de Noormannen zijn goed gedocumenteerd, maar of ze de oorzaak waren, is onder historici niet zeker. Hodges vat in zijn bespreking de mening samen van Coupland, een van de auteurs van een recente bundel over Dorestad: volgens Coupland ging de handelsplaats al na 840 achteruit, onder meer omdat de stroom Arabisch zilver toen naar de Oostzee ging, en was Dorestad in 863 al enkele jaren ‘dood’ (Hodges 2011).
“Kun je Dorestad nog bezoeken?”
Kort antwoord voor kinderen
De handelsplaats lag waar nu Wijk bij Duurstede ligt, in Nederland. Archeologen hebben er lang gegraven en veel gevonden.
Nuance voor de leerkracht
Of en waar er vandaag iets te zien is (een museum, een reconstructie in het landschap), hebben we niet nagegaan. Kijk zelf na voor je het de klas belooft.
Rollo de Noorman
In de negende eeuw voeren Noormannen geregeld de Seine op. Later vestigde een groep van hen zich blijvend aan de Seine, in het gebied dat de naam Normandië kreeg. Hun leider heette Rollo. Over hem bestaat een beroemd verhaal, maar dat verhaal komt bijna helemaal uit één bron. Daarom maken we hier een duidelijk onderscheid tussen wat die bron vertelt en wat schrijvers uit Rollo’s eigen tijd zeggen.
Wat Dudo vertelt
Dudo van Saint-Quentin schreef ruim een eeuw na de feiten een boek over de zeden en daden van de eerste hertogen van Normandië (Dudo, De moribus). Hij schreef het voor die hertogen zelf, de nakomelingen van Rollo. Volgens Dudo sloot de Frankische koning Karel een overeenkomst met Rollo de Noorman, aan het riviertje de Epte. De aartsbisschop van Rouen, Franco, bemiddelde. Rollo kreeg land, trouwde volgens Dudo met de dochter van de koning en liet zich dopen (Dudo, De moribus, II.28–29).
Het bekendste stuk is een scène die je met kinderen goed kunt naspelen, op voorwaarde dat je erbij zegt wie ze vertelt. Bij het sluiten van de overeenkomst moest Rollo de voet van de koning kussen, als teken dat hij het land van hem ontving:
Historische bron
De bisschoppen zeiden tot Rollo, die de voet van de koning niet wilde kussen: ‘Wie zo’n geschenk ontvangt, moet met een kus de voet van de koning vragen.’ En hij: ‘Nooit zal ik mijn knieën buigen voor de knieën van wie dan ook, en nooit kus ik iemands voet.’ Onder aandringen van de Franken beval hij een van zijn krijgers de voet van de koning te kussen. Die greep meteen de voet, bracht hem naar zijn mond en kuste hem terwijl hij rechtop bleef staan, zodat de koning achterover viel. Er klonk groot gelach en veel rumoer onder het volk.
Zo vertelt Dudo het, ongeveer een eeuw later, aan het hof van Rollo’s nakomelingen. Het verhaal laat zien hoe trots en ongebogen de stichter van hun familie was. Of het zo gebeurd is, kunnen we niet nagaan.
Uitbreiding Het verhaal van Rollo volgens Dudo
Deze navertelling volgt boek II, hoofdstuk 28 en 29 van Dudo’s werk, in de Latijnse uitgave van Jules Lair uit 1865 (Dudo, De moribus, II.28–29, p. 168–169). De Latijnse tekst komt uit een gescande uitgave en is nog niet tegen de paginascan nagelezen; de vertaling is voorzichtig.
Het aanbod. De Frankische koning Karel wil vrede met Rollo en de Noormannen die de Seine-vallei in hun macht hebben. Franco, de aartsbisschop van Rouen, gaat als bemiddelaar heen en weer. De koning biedt Rollo land aan, maar dat volstaat niet, want het land is verwaarloosd. In Dudo’s verhaal krijgt de koning te horen:
Historische bron
Rollo kan geen vrede met u sluiten, want het land dat u hem wilt geven, is door geen ploeg bewerkt. … Geef hem een gebied waarmee hij zich van voedsel en kleren kan voorzien … zodat hij en zijn opvolgers dat land, van het riviertje de Epte tot aan de zee, voor altijd als bezit en eigen goed houden.
De overeenkomst. Koning en Noormannen komen samen aan de Epte, bij Saint-Clair. Rollo krijgt het land tussen de Epte en de zee. Volgens Dudo krijgt hij ook Gisla, de dochter van de koning, als vrouw.
De voetkus. Rollo weigert de voet van de koning te kussen en laat een van zijn krijgers het doen, die de koning daarbij omver laat vallen (zie het fragment hierboven).
Het doopsel. Daarna laat Rollo zich dopen. In Dudo’s verhaal wordt de Noorman zo een christelijke heer die het land voor de koning houdt en beschermt.
Een woord bij het vertellen. Dudo schreef om de hertogen van Normandië te eren. Dat de koning een dochter Gisla had die met Rollo trouwde, hebben we in geen enkele andere bron gevonden. Vertel het daarom als ‘zo staat het in het boek van Dudo’, niet als een feit.
Wat tijdgenoten schreven
Uit Rollo’s eigen tijd zijn maar enkele korte vermeldingen bekend. Een ervan staat in de jaarboeken van Flodoard, een priester in Reims die in dezelfde jaren leefde. Bij het jaar 927 schrijft hij over een ontmoeting met de Frankische koning Karel:
Historische bron
En daar vertrouwde de zoon van Rollo zich aan Karel toe en bevestigde de vriendschap.
Dat ene zinnetje zegt meer dan je zou denken. Rollo had een zoon, die zich onder de bescherming van de koning stelde en een vriendschap bevestigde, dus een afspraak die al bestond. Rollo en zijn familie waren in de jaren 920 machthebbers die met de Frankische koning onderhandelden (Flodoard, Annales, a. 927).
De historicus Robert Helmerichs is hard voor Dudo. Hij schrijft dat Dudo’s verhaal ‘geen enkel controleerbaar feit over Rollo’ bevat, en dat de overeenkomst geen indruk maakte op de schrijvers van die tijd (Helmerichs, ORB Rollo). Dat is het oordeel van één onderzoeker, maar het past bij wat we zelf zien: de bronnen uit de tijd zeggen weinig, het mooie verhaal komt later.
Het jaar 911 en Saint-Clair-sur-Epte: geen extra leerlingdoel
In veel boeken staat dat Rollo en koning Karel in 911 het ‘verdrag van Saint-Clair-sur-Epte’ sloten. Dat jaartal en die naam hebben we voor dit artikel niet in een bron uit die tijd teruggevonden. De plaats aan de Epte, het huwelijk met Gisla en de voetkus komen uit Dudo. Helmerichs verwijst naar een oorkonde van koning Karel uit 918 waarin land wordt genoemd dat de koning aan ‘de Noormannen van de Seine, namelijk Rollo en zijn gezellen’ had gegeven (Helmerichs, ORB Rollo). Die oorkonde hebben we zelf nog niet gelezen. Wat je met zekerheid kunt vertellen: Noormannen vestigden zich aan de Seine, hun leider heette Rollo, en hij en zijn zoon sloten afspraken met de Frankische koning.
“Waarom gaf de koning land aan de Vikingen?”
Kort antwoord voor kinderen
De koning kon de Noormannen niet verdrijven. Door hun land te geven, maakte hij van vijanden mensen die dat land voor hem moesten beschermen. Zo deed een andere koning het al eerder met Rorik in Dorestad.
Nuance voor de leerkracht
Dat is een redenering die past bij het verhaal van Rorik in de jaarboeken van Fulda, waar het zo uitdrukkelijk staat. Voor Rollo hebben we zo’n tekst uit de tijd zelf niet; Dudo stelt het voor als een geschenk van de koning in ruil voor vrede.
De belegering van Parijs
Abbo was erbij
In 885 kwam opnieuw een grote vloot van Noormannen de Seine op, tot voor Parijs. Wat er gebeurde, weten we van een ooggetuige: Abbo, een monnik van de abdij van Saint-Germain-des-Prés. Volgens de uitgever van zijn werk was hij er vanaf het begin bij. Hij schreef er ruim tien jaar later een lang gedicht over in het Latijn, De oorlogen van de stad Parijs (Abbo, Bella Parisiacae urbis).
Een stad die door een vijandelijk leger omsingeld wordt, zodat niemand er nog vrij in of uit kan, is belegerd. Die gebeurtenis heet de belegering van Parijs. Abbo begint met de vloot, en hij overdrijft graag:
Historische bron
Dit waren de gruwelijke offers die de wreden u brachten: zevenhonderd hoge schepen, behalve de kleinere, zo talrijk dat niemand ze kon tellen; in de volkstaal noemt men ze ‘barken’.
Zevenhonderd is Abbo’s getal, geen telling. Een dichter die zijn stad wil eren, maakt de vijand groot. Wat Abbo daarna vertelt, is wel opvallend: voor er gevochten werd, werd er gepraat. De leider van de Noormannen, Sigefred, ging naar de bisschop van Parijs, Gauzlin.
Historische bron
Sigefred ging naar het huis van de voortreffelijke herder. Hij was koning alleen in naam, maar hij leidde zijn makkers. Met gebogen hoofd begon hij tot de bisschop: ‘O Gauzlin, heb medelijden met uzelf en met uw kudde. Ga niet ten onder; luister naar wat wij zeggen, wij vragen het u. Sta ons slechts toe voorbij deze stad te trekken. Wij zullen haar nooit aanraken, en we zullen proberen uw eer en die van Odo en de zijnen te bewaren.’ … De bisschop gaf hierop een antwoord vol trouw: ‘Deze stad is ons toevertrouwd door Karel, onze keizer.’
De Noormannen vroegen dus om voorbij de stad te mogen trekken. De bisschop weigerde, omdat hij de stad voor de keizer moest bewaren. Daarna beschrijft het gedicht de gevechten. ‘Herder’ en ‘kudde’ zijn woorden voor de bisschop en zijn gelovigen. Odo noemt Sigefred in één adem met de bisschop: ook hij had dus gezag in de stad.
Hulp uit het oosten
Het jaarboek van Fulda bevestigt dat het beleg in 886 nog liep. In februari werd een leger van de Oost-Franken naar Parijs gestuurd. De Noormannen, die in hun versterkingen van alles genoeg hadden, wilden of durfden de strijd niet aan te gaan. Ondertussen stierven Hugo en Gauzlin, ‘op wie alle hoop van de Galliërs tegen de Noormannen gevestigd was’ (Annales Fuldenses, a. 886, p. 104). De bisschop uit Abbo’s gedicht overleed volgens een noot van de uitgever op 16 april 886.
Hoe het beleg afliep, hebben we in de bronnen voor dit artikel niet gelezen. Daarom vertellen we het hier niet. Wat de bronnen wel tonen: de verdedigers hielden lang stand, ze wachtten op hulp van de keizer, en ook tijdens een beleg werd er onderhandeld.
“Wie heeft gewonnen?”
Kort antwoord voor kinderen
Dat is een goede vraag, en het antwoord staat niet in de bronnen die we voor dit artikel gelezen hebben. We weten dat Parijs zich lang verdedigde en dat er hulp kwam van een leger uit het oosten. Hoe het precies eindigde, zoeken we nog uit.
Nuance voor de leerkracht
Liever eerlijk ‘dat weten we (nog) niet’ dan een afloop die in de klas als feit blijft hangen. Het is een mooie gelegenheid om te zeggen dat historici ook niet alles weten en verder zoeken.
Abbo als bron: geen extra leerlingdoel
Abbo is een ooggetuige, maar hij is geen neutrale verslaggever. Hij schrijft als monnik van een abdij bij Parijs, in dichtvorm, en hij wil de verdedigers eren. Het Latijn is zo moeilijk dat de uitgave tussen de regels uitleg geeft bij de woorden. Sommige verzen zijn zo duister dat we ze niet vertalen. Vergelijk hem met het jaarboek van Fulda: dat is korter en droger, maar het bevestigt dezelfde namen en dezelfde tijd. Een eerdere tocht van de Noormannen naar Parijs, in 845, staat in het hoofdstuk over de Vikingen. Voor het werken met zulke verschillende stemmen zie het artikel over bron en bewijs.
Al-Andalus
Een islamitisch rijk in Europa
Het tweede deel van dit artikel speelt in het zuiden van Europa. Een groot deel van het Iberisch Schiereiland, het huidige Spanje en Portugal, stond in de middeleeuwen eeuwenlang onder islamitisch bestuur. Dat gebied heette in het Arabisch al-Andalus. Op.stap schrijft Al-Andaluz; in dit artikel gebruiken we de gangbare spelling Al-Andalus. Mark Cohen spreekt van ‘islamitisch Spanje’ (Cohen 2007).
Wie er woonde? Moslims, joden en christenen. Volgens UNESCO weerspiegelt de stad Córdoba ‘duizenden jaren bewoning door verschillende culturele groepen: Romeins, Visigotisch, islamitisch, joods en christelijk’ (UNESCO Córdoba). Hoe die groepen met elkaar leefden, is de grote vraag van dit deel. Hoe de islam ontstond en zich verspreidde, staat in het artikel over de Arabische wereld in de middeleeuwen.
Córdoba, zetel van een kalief
Wat een kalief was, legt het artikel over de Arabische wereld uit; hier volstaat: een islamitische heerser van hoge rang. In 929 maakte Abd al-Rahman III Córdoba tot de zetel van een onafhankelijk kalifaat. Volgens UNESCO werden er zo’n driehonderd moskeeën en ontelbare paleizen en openbare gebouwen gebouwd, die moesten wedijveren met de pracht van Constantinopel, Damascus en Bagdad (UNESCO Córdoba).
Buiten de stad lieten de kaliefen in het midden van de tiende eeuw een nieuwe paleisstad bouwen, Medina Azahara. Ze werd in het begin van de elfde eeuw verwoest, raakte vergeten, en werd pas in de vroege twintigste eeuw teruggevonden. Volgens UNESCO is nog maar ongeveer een tiende ervan opgegraven (UNESCO Medina Azahara).
Samenleven: christenen, joden en moslims
Op.stap geeft als voorbeeld bij dit onderwerp de samenwerking tussen christenen, joden en moslims in Al-Andalus (KOV Op.stap 1.3). Er zijn daar zeker voorbeelden van. Volgens de Jewish Encyclopedia, een oude Joodse encyclopedie van het begin van de twintigste eeuw, werd Córdoba een centrum van Joodse geleerdheid, en was de jood Hasdai ibn Shaprut minister van financiën onder kalief Abd al-Rahman III (Jewish Encyclopedia, Cordova). Een jood kon dus een hoog ambt hebben aan het hof van een islamitische heerser.
Historici gebruiken voor dat samenleven het Spaanse woord convivencia: christenen, joden en moslims die ‘min of meer vreedzaam’ samenleefden. Mark Cohen wijst erop dat sommigen er een ‘utopie van de godsdiensten’ van maken en anderen een tijd van ‘louter lijden’, en dat beide voorstellingen op mythes berusten. Hij beschrijft de positie van joden onder de islam als een door de wet voorgeschreven regeling van achterstelling: ze hadden niet dezelfde rechten als moslims. Toch noemt hij het islamitische Spanje van het midden van de tiende tot het midden van de twaalfde eeuw een tijd van bloei (Cohen 2007).
Hoe snel een oud beeld kan ontstaan, zie je bij Michael Friedländer, die in 1904 een vertaling van Maimonides inleidde. Hij schreef dat de kaliefen van Spanje ‘vriendelijke gevoelens koesterden’ voor hun Joodse onderdanen, die op voet van gelijkheid met hun moslimburgers naar rijkdom en eer mochten dingen. Met de komst van nieuwe, strengere heersers, de Almoraviden en de Almohaden, ‘verduisterde de horizon opnieuw’ (Maimonides, Gids der verwarden (Friedländer 1904), inleiding, p. xv–xvi). Dat is precies het soort mooie voorstelling waarvoor Cohen waarschuwt.
Wat hier niet staat: geen extra leerlingdoel
Over de precieze regels voor joden en christenen onder islamitisch bestuur (wat ze moesten betalen, wat ze niet mochten) hebben we voor dit artikel geen bron gelezen die het uitlegt; die regels laten we daarom weg. Ook een beroemde brief van Hasdai ibn Shaprut gebruiken we niet: de vertaling is beschermd, de brief noemt Córdoba niet, en het antwoord erop is omstreden. Hoe de moslims naar het schiereiland kwamen, hoort bij het artikel over de Arabische wereld.
De moskee van Córdoba
In Córdoba staat de grote moskee, die Op.stap de moskee van Cordoba noemt. Een moskee is het gebedshuis van moslims. UNESCO noemt het gebouw ‘een uitzonderlijk voorbeeld van de religieuze bouwkunst van de islam’ (UNESCO Córdoba).
Wanneer de bouw precies begon, hebben we niet in een betrouwbare bron teruggevonden; daarom noemen we geen jaartal. Wel weten we wat er later gebeurde. In de dertiende eeuw, onder koning Ferdinand III van Castilië, werd de grote moskee van Córdoba een kathedraal, een christelijke kerk (UNESCO Córdoba). Dat gebeurde nadat Ferdinand III de stad in 1236 veroverd had (Jewish Encyclopedia, Cordova). Daarover meer in het hoofdstuk over de Reconquista.
Eén gebouw vertelt zo twee geschiedenissen: die van de kaliefen, en die van de christelijke koningen die de stad overnamen en het gebouw een nieuwe bestemming gaven.
“Is het nu een moskee of een kerk?”
Kort antwoord voor kinderen
Het werd gebouwd als moskee. In de dertiende eeuw maakten de christelijke koningen er een kathedraal van, een grote kerk. Toch noemen de mensen die het werelderfgoed beschermen het nog altijd een van de mooiste voorbeelden van islamitische gebouwen.
Nuance voor de leerkracht
De vraag nodigt uit om na te denken over hoe een gebouw van betekenis kan veranderen als een stad een nieuwe heerser krijgt. Vermijd stellige uitspraken over hoe het gebouw vandaag precies gebruikt wordt; daarvoor hebben we de officiële site van het monument nog niet geraadpleegd.
Het Alhambra
Een paleis van de Nasriden
In het zuiden van het schiereiland lag het koninkrijk Granada, bestuurd door een familie die de Nasriden heet. Hun paleisstad op een heuvel boven Granada is het Alhambra. Volgens UNESCO is het de enige bewaarde paleisstad uit de islamitische periode en het beste voorbeeld van Nasridische kunst, zowel in de bouw als in de versiering. Bij het Alhambra hoort de Generalife, uit de dertiende en veertiende eeuw. Het water voor tuinen en fonteinen kwam via een waterbouwkunde die in Al-Andalus al bestond (UNESCO Alhambra).
Volgens de Spaanse geleerde Pascual de Gayangos, die in 1842 een geschiedenis van de Nasriden schreef, verscheen de stichter van de familie, Ibn al-Ahmar, in 1232 als heerser. Toen hij provincies verloor aan de christelijke koning Ferdinand van Castilië, kon hij de rest alleen houden door diens vazal te worden. Hij beloofde Ferdinand te dienen met vijfhonderd ruiters, de vergaderingen van het koninkrijk Castilië bij te wonen zoals andere leenmannen, en elk jaar een schatting te betalen van ongeveer de helft van zijn inkomsten (Jones en Gayangos 1842). Een islamitische vorst die een christelijke koning dient: ook dat is een intercultureel contact, en geen vriendelijk.
Wat er op de muren staat
De muren van het Alhambra zijn bedekt met Arabische opschriften. Gayangos vertaalde ze in 1842 voor een platenboek van Owen Jones en Jules Goury, die het Alhambra in de jaren 1830 hadden getekend. Eén korte zin komt overal terug. Volgens Gayangos is het de bekende leus van de koningen van Granada (Jones en Gayangos 1842):
Historische bron
En er is geen overwinnaar dan God.
Wâ la ghâlib illa allah
Rond een fontein in de Leeuwenhof staat een gedicht dat het paleis en het water prijst:
Historische bron
Gezegend zij Hij die imam Mohammed een verblijf gaf dat in schoonheid alle andere verblijven overtreft. … Zie die vaste massa parel, die rondom glinstert en haar buien van regenboogbellen door de lucht verspreidt.
Het gedicht prijst God, die ‘imam Mohammed’, de heer van het paleis, dit verblijf gaf. Wie het gedicht van de fontein schreef, zegt Gayangos niet; dat laten we dus open. De opschriften tonen hoe de vorsten gezien wilden worden: dankbaar tegenover God, en heer van een paleis dat alle andere overtrof.
Na 1492 kwam het Alhambra in handen van de christelijke koningen. Volgens UNESCO ontving het koninklijk huis er sindsdien de meest vooruitstrevende ontwerpen voor paleisarchitectuur (UNESCO Alhambra): de nieuwe heersers bouwden er verder.
Een jaartal voor het Alhambra: geen extra leerlingdoel
Op het internet circuleren jaartallen voor het begin van de bouw van het Alhambra. In de bronnen die we lazen, geeft UNESCO alleen de dertiende en veertiende eeuw voor de Generalife, en geen jaartal voor de paleizen. Houd het daarom in de klas bij ‘de paleizen van de Nasriden, de laatste moslimvorsten van Granada’. De afbeeldingen bij de opschriften staan in het platenboek van Owen Jones en Jules Goury; die platen zelf hebben we nog niet bekeken.
Maimonides
Een leven op de vlucht
Maimonides was een Joodse filosoof, rechtsgeleerde en arts. Op.stap wijst erop dat hij in Al-Andalus, Marokko en Egypte leefde, dus in de Arabische wereld van de middeleeuwen (KOV Op.stap 1.3). Zijn leven toont hoe een jood in islamitische landen kon opklimmen, en hoe hij er ook moest vluchten.
Volgens de Stanford Encyclopedia of Philosophy werd hij in 1138 in Córdoba geboren; oudere uitgaven geven 1135 (Seeskin, SEP Maimonides) (Maimonides, Gids der verwarden (Friedländer 1904), inleiding). In 1148 vielen de Almohaden het land binnen, nieuwe en strenge islamitische heersers. Zij stelden niet-moslims voor de keuze: bekering, ballingschap of de dood. De familie van Maimonides vertrok. In 1160 kwam ze aan in Fez, in Marokko; in 1166 trok Maimonides verder naar Fustat in Egypte. Daar werd hij beroemd als arts. Hij voltooide er in 1168 een uitleg bij de Misjna, een oude verzameling Joodse wetten en voorschriften, en in 1190 zijn bekendste boek, de Gids der verwarden. Hij stierf in Fustat in 1204 (Seeskin, SEP Maimonides).
Over die zwerftocht schreef Maimonides zelf, in het nawoord bij zijn uitleg van de Misjna:
Historische bron
Want de hemel had bepaald dat wij verbannen werden, en wij werden dus van plaats naar plaats gejaagd. Zo moest ik aan de commentaar werken terwijl ik over land reisde of de zee overstak.
Arts aan het hof in Egypte
In Egypte werd Maimonides arts in dienst van het hof. In een brief aan Samuel ibn Tibbon, die zijn werk in het Hebreeuws vertaalde, beschreef hij zijn dag. Friedländer citeert de brief in zijn inleiding:
Historische bron
Ik woon in Egypte, in Fustat; de koning woont in Caïro. … Ik moet hem elke dag vroeg in de ochtend bezoeken. … En ik vind de wachtkamers vol joden en niet-joden, edelen en gewone mensen.
Een joodse arts bij een islamitische heerser, met een wachtkamer vol mensen van alle godsdiensten en standen: dat is samenleven in de praktijk. Volgens Friedländer kreeg Maimonides veel eerbewijzen van de vizier al-Fadil en werd hij voorgesteld aan het hof van Saladin (Maimonides, Gids der verwarden (Friedländer 1904), inleiding, p. xxiv–xxv). Dat laatste is Friedländers weergave uit 1904. Dat Maimonides de lijfarts van Saladin zelf was, zoals je soms leest, hebben we in geen bron bevestigd gevonden.
Denken met Grieken, moslims en joden
Maimonides schreef de Gids der verwarden in het Arabisch, in Hebreeuwse letters (Maimonides, Gids der verwarden (Friedländer 1904)). Hij schreef het boek voor een leerling die de filosofie had leren kennen en daardoor in de war was geraakt over zijn geloof. Zo begint het:
Historische bron
Mijn beste leerling, sinds je besloot uit een ver land naar mij te komen en onder mijn leiding te studeren, dacht ik hoog over je dorst naar kennis. … Ik merkte dat je daarover het een en ander van anderen had geleerd, en dat je in verwarring en onzekerheid verkeerde; toch zocht je een oplossing. … Je afwezigheid bracht mij ertoe dit werk voor jou te schrijven, en voor wie zijn zoals jij, hoe weinig het er ook zijn.
Waar haalde Maimonides zijn ideeën? In het voorwoord van een ander werk, de Acht hoofdstukken over goed leven, schrijft hij dat hij ze verzamelde uit de woorden van de Joodse wijzen en uit die van de filosofen, ‘oude en recente’:
Historische bron
… want men moet de waarheid aanvaarden, van welke bron ze ook komt.
Volgens de vertaler Gorfinkle bedoelt Maimonides met de oude filosofen vooral de Grieken, zoals Socrates, Plato en Aristoteles, en met de recente de islamitische denkers al-Farabi, Ibn Sina en al-Ghazali (Maimonides, Acht hoofdstukken (Gorfinkle 1912), voorwoord, p. 35–36, noot). De Stanford Encyclopedia schrijft dat zijn denken sterk beïnvloed was door een vorm van de filosofie van Aristoteles die in islamitische kringen wortel had geschoten (Seeskin, SEP Maimonides). Een joodse denker die in het Arabisch schrijft, Griekse filosofen leest via islamitische geleerden en in het Hebreeuws vertaald wordt: zo reisden ideeën tussen samenlevingen.
“Waarom moest Maimonides vluchten?”
Kort antwoord voor kinderen
Toen hij een jongen was, kwamen er nieuwe, strenge heersers in zijn land. Zij wilden dat iedereen moslim werd. Wie dat niet wilde, moest weggaan. De familie van Maimonides trok weg, eerst naar Marokko en later naar Egypte.
Nuance voor de leerkracht
De bron (Stanford Encyclopedia) noemt drie keuzes: bekering, ballingschap of de dood. Voor jonge kinderen volstaat ‘bekeren of weggaan’. Dat sommige joden zich toen voor de schijn bekeerden, staat in het hoofdstuk over de conversos.
Brieven die hier ontbreken: geen extra leerlingdoel
Maimonides schreef ook brieven over joden die gedwongen waren zich te bekeren, onder meer in 1172 aan de joden van Jemen (Maimonides, Gids der verwarden (Friedländer 1904), inleiding, p. xxiv). Een vrije vertaling van die brieven hebben we niet gevonden; ze worden hier daarom niet geciteerd. De vertaling van de Acht hoofdstukken is van Joseph Gorfinkle (1912); omdat we zijn sterfjaar nog niet kennen, citeren we er maar één zin uit.
De Reconquista
Een lange verovering
Vanuit het noorden van het Iberisch Schiereiland breidden christelijke koninkrijken hun gebied in de loop van de middeleeuwen uit naar het zuiden, ten koste van de islamitische rijken. Dat lange proces noemen we de Reconquista, een Spaans woord dat ‘herovering’ betekent. Het woord vat eeuwen samen waarin niet alleen gevochten werd: er werden ook verdragen gesloten, er werd schatting betaald en er waren vazallen, zoals de vorsten van Granada.
Een paar momenten uit de bronnen van dit artikel:
- In 1236 veroverde koning Ferdinand III van Castilië Córdoba (Jewish Encyclopedia, Cordova). In de dertiende eeuw werd de grote moskee een kathedraal (UNESCO Córdoba).
- Rond dezelfde tijd werd Ibn al-Ahmar, de stichter van de Nasridische familie in Granada, volgens Gayangos een vazal van Ferdinand, die hem schatting betaalde en ruiters leverde (Jones en Gayangos 1842).
- Op 2 januari 1492 gaf Granada zich over aan Ferdinand en Isabella, na een beleg van bijna een jaar. Tijdens dat beleg bouwden de belegeraars een eigen kampstad, Santa Fe (Jones en Gayangos 1842). Daarmee kwam Granada, het rijk van de Nasriden, in christelijke handen.
Drie maanden later, op 31 maart 1492, vaardigden Ferdinand en Isabella in Granada het bevel uit dat alle joden hun koninkrijken moesten verlaten (Uitwijzingsedict 1492, § 7). Daarover gaat het volgende hoofdstuk.
Wat hier niet staat: geen extra leerlingdoel
Andere bekende momenten uit de Reconquista, zoals de verovering van Toledo en de slag bij Las Navas de Tolosa, en de voorwaarden waaronder Granada zich overgaf, hebben we voor dit artikel niet in een geopende bron nagelezen; ze zijn daarom weggelaten. Dat ‘Reconquista’ een latere naam is die het verhaal kleurt (wie ‘herovert’, vindt dat het land van hem was), is een redenering die je met leerlingen kunt maken; een wetenschappelijke bron die dat uitwerkt, hebben we voor dit artikel nog niet gelezen. Gayangos schreef zijn historische schets in 1842; hij noemt zijn eigen bronnen, Spaanse kroniekschrijvers uit de vijftiende eeuw.
Conversos
Joden die christen werden
Ook in de christelijke koninkrijken woonden joden. In 1391 werden joden wreed vervolgd, en door die vervolgingen en door de preken van de predikant Vicente Ferrer lieten velen zich dopen. Zulke bekeerlingen heetten in Spanje conversos, ‘bekeerden’ (Jacobs en Kayserling, Marano).
Die conversos waren geen eenvormige groep. Volgens de Jewish Encyclopedia waren sommigen onverschillig tegenover elk geloof, bleven anderen in het geheim joodse gebruiken volgen, en waren nog anderen overtuigde christenen geworden (Jacobs en Kayserling, Marano). Het lemma is van rond 1906 en gebruikt daarnaast een ander, ouder woord voor deze groep; in dit artikel houden we het bij conversos, het woord dat ook Op.stap gebruikt.
Volgens dezelfde encyclopedie waren de conversos de rechtstreekse aanleiding voor twee dingen: de invoering van de inquisitie in Spanje, een kerkelijke rechtbank die moest nagaan of de bekeerden echt christen waren, en de uitwijzing van de joden (Jacobs en Kayserling, Marano).
Het bevel van 1492
Het bevel van 31 maart 1492 zegt zelf waarom de koning en de koningin de joden wegstuurden. Volgens hen waren er slechte christenen die terugvielen in joodse gebruiken, en de oorzaak daarvan lag in de omgang van die christenen met de joden. Sinds 1480 was in Toledo de scheiding van joden en christenen bevolen, en de inquisitie was al twaalf jaar aan het werk (Uitwijzingsedict 1492, § 2). Het edict vat het samen in één zin:
Historische bron
… waarvan de grote oorzaak de omgang was tussen de joden en deze christenen.
Het bevel was streng. Alle joden moesten uiterlijk eind juli van dat jaar de koninkrijken verlaten, op straffe van de dood en het verlies van al hun bezit (Uitwijzingsedict 1492, § 4). Tot dan stonden ze onder bescherming en mochten ze hun bezit verkopen en meenemen, behalve goud, zilver en munten (Uitwijzingsedict 1492, § 5). Volgens de Jewish Encyclopedia liet het bevel het aantal joden dat zich liet dopen sterk stijgen (Jacobs en Kayserling, Marano).
Let op wie hier spreekt. Het edict is een tekst van de vorsten zelf. Het legt de schuld bij de joden en zegt niets over wat de joden ervan vonden. Het is een bron over wat de koning en de koningin wilden en hoe ze het rechtvaardigden, niet over wat er echt aan de hand was.
Gedwongen bekering, ook elders
Gedwongen of halfgedwongen bekeringen kwamen niet alleen in christelijk Spanje voor. Toen de Almohaden in de twaalfde eeuw Al-Andalus veroverden, moesten joden en christenen kiezen tussen de islam en emigratie of de dood (Seeskin, SEP Maimonides). Friedländer schrijft, op basis van Joodse kronieken, dat velen zich toen voor een tijd uiterlijk bekeerden (Maimonides, Gids der verwarden (Friedländer 1904), inleiding, p. xvi–xviii). Hetzelfde patroon zie je dus aan twee kanten: een minderheid die door de heersers onder druk wordt gezet om van godsdienst te veranderen, en mensen die zich laten bekeren om te kunnen blijven.
“Waarom lieten mensen zich dopen als ze dat niet wilden?”
Kort antwoord voor kinderen
Omdat ze anders bedreigd werden, of hun land moesten verlaten. Wie zich liet dopen, mocht blijven wonen waar zijn familie woonde. Maar ook dan werden de bekeerden soms gewantrouwd.
Nuance voor de leerkracht
Niet iedereen werd gedwongen; sommige conversos werden overtuigde christenen. Maak het verhaal niet eenduidiger dan de bronnen. Hoeveel mensen zich lieten dopen, hebben we niet in een betrouwbare bron teruggevonden; noem geen aantallen.
Wat hier niet staat: geen extra leerlingdoel
Aantallen conversos of uitgewezen joden laten we weg, omdat we ze niet in een geopende bron vonden. Ook latere regels die bekeerlingen en hun nakomelingen uitsloten van ambten, horen hier niet bij zolang we er geen bron voor gelezen hebben. Het edict van 1492 is hier gelezen in een moderne Engelse vertaling die beschermd is; daarom staat er maar één korte zin uit. Een eigen vertaling naar het Spaanse origineel volgt later.
Wat we weten en wat onzeker is
- Zeker: dat Noormannen in de negende eeuw Dorestad en Friesland aanvielen en tribuut eisten, dat ze in 845 tot in Parijs voeren en geld kregen om te vertrekken, dat een Noorman als Rorik Dorestad in dienst van de Frankische koning bestuurde, dat Parijs in 885–886 belegerd werd, dat Rollo en zijn zoon in de jaren 920 met de Frankische koning onderhandelden. Dat staat in jaarboeken uit de tijd zelf, die elkaar op die punten bevestigen. Voor het tweede deel: dat Córdoba in 929 de zetel van een kalifaat werd, dat de moskee in de dertiende eeuw een kathedraal werd, dat het Alhambra de paleisstad van de Nasriden was, hoe het leven van Maimonides verliep, dat Granada in 1492 viel en dat de joden in hetzelfde jaar het bevel kregen te vertrekken.
- Uit één partij: bijna alles over de Vikingen komt van christelijke monniken die hen vreesden. Het edict van 1492 geeft alleen de redenen van de vorsten. De opschriften van het Alhambra tonen hoe de Nasriden zichzelf zagen.
- Voorzichtig mee omgaan: het verhaal van Rollo, de voetkus, de dochter Gisla en het jaartal 911. Dat komt van Dudo, die een eeuw later voor Rollo’s nakomelingen schreef. Ook Abbo’s zevenhonderd schepen zijn een dichtersgetal. De Latijnse teksten in dit artikel komen uit gescande uitgaven en zijn nog niet allemaal tegen de pagina nagelezen; de vertalingen zijn van Kennisatlas.
- Waarover historici verschillen: of de Vikingen de neergang van Dorestad veroorzaakten of dat veranderende handel de belangrijkste oorzaak was; en hoe vreedzaam het samenleven in Al-Andalus was. Mark Cohen noemt zowel het beeld van volmaakte harmonie als dat van louter lijden een mythe.
- Nog niet beantwoord in dit artikel: hoe het beleg van Parijs afliep, wanneer de bouw van de moskee van Cordoba en van het Alhambra begon, het geboortejaar van Maimonides (1135 of 1138), de precieze regels voor joden en christenen onder islamitisch bestuur, aantallen conversos, en de oorkonde van 918 waarin Rollo genoemd zou worden.
Kaarten
Europe about 888 (Shepherd, Historical Atlas) · Historical Atlas door William R. Shepherd (1871-1934); individuele cartograaf niet vastgesteld, 1911
Europa rond 888, het jaar waarin het Karolingische rijk definitief uiteenviel; Parijs ligt in het West-Frankische koninkrijk, Friesland aan de Noordzee.
Toont waar Parijs, Friesland en Utrecht lagen en dat het Frankische rijk in 888 in meerdere koninkrijken verdeeld was. Dorestad staat er niet op. Bijschrift mag niet beweren dat de kaart de vikingroutes toont: die staan er niet op.
Spain in 1150 (Shepherd, Historical Atlas) · Historical Atlas door William R. Shepherd (1871-1934); individuele cartograaf niet vastgesteld, 1911
Spanje in 1150: het zuiden staat onder de Almohaden, het noorden is verdeeld onder christelijke koninkrijken; de jaartallen tussen haakjes geven veroveringen door christelijke vorsten.
Toont de Almohaden (het jaar waarin Maimonides' familie Córdoba verliet is 1148) en de christelijke verovering van onder meer Toledo (1085) volgens de legende. Het jaartal 1085 voor Toledo staat op de kaart, maar is niet door een tweede bron bevestigd: niet in de tekst overnemen zonder bron. Combineren met de kaart van 910 voor 'de Reconquista in beeld'.
Spain in 910 (Shepherd, Historical Atlas) · Historical Atlas door William R. Shepherd (1871-1934); individuele cartograaf niet vastgesteld, 1911
Spanje in 910: het grootste deel van het schiereiland hoort bij het emiraat Córdoba; christelijke koninkrijkjes liggen in het noorden.
Toont Al-Andalus op zijn uitbreiding in de 10de eeuw, met Córdoba, Sevilla en Granada. Let op: de legende noemt 'Emirate of Cordova'; kalifaat werd het pas in 929 (UNESCO). Combineren met de kaart van 1150.
Verbanden
- Gelijktijdig Europa in de middeleeuwen
- Verdieping De Arabische wereld in de middeleeuwen
- Begrip Handel over lange afstanden
- Begrip Bron en bewijs
- Vergelijking De Romeinen
- Voortwerking Europa in de vroegmoderne tijd
- Verwijst hierheen De Arabische wereld in de middeleeuwen
- Verwijst hierheen Handel over lange afstanden
Bronnen en verdieping
Historische bronnen
- Angelsaksische Kroniek (verschillende kopiisten, 9de-12de eeuw) (1996). The Anglo-Saxon Chronicle (Engelse vertaling J. Ingram / J. A. Giles).
- Anoniem (jaar 830-835), Prudentius van Troyes (835-861), Hincmar van Reims (861-882) (1883). Annales Bertiniani (Jaarboeken van Sint-Bertijn), uitgave G. Waitz, MGH Scriptores rerum Germanicarum 5 (Latijnse tekst). Hahn, Hannover (uitgave G. Waitz).
- Rudolf van Fulda (tot 863), Meginhard (Mainzer voortzetting, 864-887) (1891). Annales Fuldenses sive Annales regni Francorum orientalis, uitgave F. Kurze, MGH Scriptores rerum Germanicarum 7 (Latijnse tekst). Hahn, Hannover (uitgave F. Kurze).
- Koning Alfred de Grote (vertaling van Orosius, met verhaal van Ohthere, ca. 890), Joseph Bosworth (uitgever en vertaler) (1859). King Alfred's Anglo-Saxon version of the Compendious history of the world by Orosius (Oud-Engelse tekst met Engelse vertaling door J. Bosworth).
- Dudo van Saint-Quentin (schreef ruim een eeuw na de feiten, in opdracht van het hof van Normandië) (1865). Dudo van Saint-Quentin, De moribus et actis primorum Normanniae ducum, uitgave J. Lair (Latijnse tekst). Uitgave J. Lair.
- Flodoard van Reims (tijdgenoot, priester en kanunnik; jaarboek 919-966) (1905). Les Annales de Flodoard, uitgave Ph. Lauer (Latijnse tekst met Franse inleiding en noten). Picard, Parijs (uitgave Ph. Lauer).
- Abbo van Saint-Germain-des-Prés (ooggetuige, monnik; schreef rond 896-898) (1899). Abbo van Saint-Germain-des-Prés, Bella Parisiacae urbis (Latijns gedicht), uitgave P. von Winterfeld, MGH Poetae Latini aevi Carolini 4,1. Weidmann, Berlijn (uitgave P. von Winterfeld).
- Owen Jones (1809-1874), Jules Goury (1803-1834), Pascual de Gayangos (1809-1897), vertaler van de opschriften en schrijver van de historische schets (1842). Plans, elevations, sections, and details of the Alhambra, from drawings taken on the spot in 1834 by Jules Goury, and in 1834 and 1837 by Owen Jones; with a complete translation of the Arabic inscriptions and an historical notice of the kings of Granada by Pascual de Gayangos, deel 1.
- Moses Maimonides (1138-1204), Michael Friedländer (1833-1910), vertaler (1904). The Guide for the Perplexed by Moses Maimonides, vertaald uit het Arabisch door M. Friedländer, tweede herziene uitgave.
- Moses Maimonides, Joseph Isaac Gorfinkle (geb. 1880), uitgever en vertaler van Samuel ibn Tibbons Hebreeuwse vertaling (1912). The Eight Chapters of Maimonides on Ethics (Shemonah Perakim), uitgave en vertaling J. I. Gorfinkle.
- Isabella I van Castilië en Ferdinand II van Aragón (uitvaardigers), Edward Peters (vertaler) (1492). Edict of the Expulsion of the Jews from Spain, 1492 (Alhambra-decreet), Engelse vertaling door Edward Peters.
Geraadpleegde literatuur
- Richard Hodges (2011). Review van A. Willemsen en H. Kik (red.), Dorestad in an International Framework (Brepols, 2010).
- W. A. van Es, W. J. H. Verwers, C. Isings (2015). Excavations at Dorestad 4: The Settlement on the River Bank Area (Nederlandse Oudheden 18). ISBN 978-90-5799-242-1.
- Robert Helmerichs (2001). The Rollonid Principality 2.3: Rollo (ORB, Online Reference Book for Medieval Studies).
- UNESCO World Heritage Centre (1984). Historic Centre of Cordoba (UNESCO-werelderfgoed 313).
- UNESCO World Heritage Centre (2018). Caliphate City of Medina Azahara (UNESCO-werelderfgoed 1560).
- UNESCO World Heritage Centre (1984). Alhambra, Generalife and Albayzín, Granada (UNESCO-werelderfgoed 314).
- Mark R. Cohen (2007). The 'Convivencia' of Jews and Muslims in the High Middle Ages.
- The Jewish Encyclopedia (Funk & Wagnalls, 1901-1906) (1906). Cordova (Jewish Encyclopedia).
- Kenneth Seeskin (2024). Maimonides (Stanford Encyclopedia of Philosophy).
- Joseph Jacobs, Meyer Kayserling (1906). Marano (Jewish Encyclopedia).
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
Nog geen aanbevolen verdieping geselecteerd.
Doelen
Op.stap
- 5.1.GL3.10 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen gedurende contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, Dorestad, Vikingen.Geen bron in de eigen taal van de Vikingen (runen) gebruikt; geen beeld of museumbron over hun uitrusting. Het begrip interculturele contacten wordt alleen in eigen woorden omschreven, met Cohen als kader. De omvang van Dorestad steunt op één bespreking (Hodges); de pdf van de RCE-opgravingen is niet gelezen. Verder in: Handel over lange afstanden, Europa in de middeleeuwen.
- 5.1.GL3.11 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen gedurende contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, Rollo de Noorman, de belegering van Parijs.Het jaartal 911, de naam ‘verdrag van Saint-Clair-sur-Epte’ en het huwelijk met Gisla zijn niet in een bron uit de tijd geverifieerd en staan alleen als ‘volgens Dudo’ of als niet bevestigd. De oorkonde van 918 is niet gelezen. Hoe de belegering van Parijs afliep, is niet gebronnen en niet behandeld. Latijnse fragmenten komen uit OCR en moeten nog met de scan vergeleken worden. Verder in: Bron en bewijs, Europa in de middeleeuwen.
- 5.1.GL4.5 4de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, Al-Andaluz, de moskee van Cordoba, het Alhambra.Het Op.stap-voorbeeld ‘samenwerking tussen christenen, joden en moslims’ is genuanceerd met Cohen, die alleen via een samenvatting gelezen is. De rechtspositie van joden en christenen onder islamitisch bestuur, het stichtingsjaar van de moskee en een bouwjaar voor het Alhambra zijn niet gebronnen en weggelaten. De komst van de islam op het schiereiland is niet behandeld. Verder in: De Arabische wereld in de middeleeuwen.
- 5.1.GL4.8 4de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen doorheen contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, Maimonides.Geboortejaar 1135 of 1138 blijft open. Zijn brieven over gedwongen bekering zijn niet geciteerd (geen vrije vertaling). De bewering dat hij lijfarts van Saladin was, is niet bevestigd en niet opgenomen. Het sterfjaar van vertaler Gorfinkle is onbekend; daarom maar één zin uit de Acht hoofdstukken. Verder in: De Arabische wereld in de middeleeuwen.
- 5.1.GL4.9 4de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen gedurende contacten tussen samenlevingen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: interculturele contacten, conversos, de Reconquista.De term Reconquista zelf (als latere naam) heeft geen wetenschappelijke bron; alleen het verloop is gebronnen. Toledo 1085, Las Navas de Tolosa en de capitulaties van Granada zijn weggelaten. Aantallen conversos en regels over ‘zuiver bloed’ zijn niet gebronnen. Het edict is alleen in een beschermde Engelse vertaling gelezen. Verder in: Europa in de vroegmoderne tijd.
Minimumdoelen
- 5.1.3 vierde leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.
Over dit artikel
- Geschreven
- 3 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 3 november 2026
- Fout gezien?
- Meld een correctie