Samenleving · Geschiedenis · ook: Aardrijkskunde
De Romeinen
Van een stad aan de Tiber tot een rijk rond de Middellandse Zee, en wat dat betekende voor de mensen in Rome, in Pompeï en in onze streken.
Rome begon als een stad op het Italiaanse schiereiland. Eeuwen later beheerste ze een rijk rond de hele Middellandse Zee, tot aan de Rijn en de Noordzee. Dit artikel volgt die geschiedenis langs de onderwerpen die leerlingen in het tweede en derde leerjaar tegenkomen: de strijd tussen Rome en Carthago, het dagelijks leven in Pompeï, de verovering van Gallië door Caesar, het keizerrijk van Augustus, de Romeinse tijd in onze streken, de plaats van vrouwen zoals Cornelia en het ontstaan van het christendom.
Gebruik de inhoudsopgave om meteen naar een onderdeel te gaan. Elk hoofdstuk is zelfstandig leesbaar, en de verbanden tussen de hoofdstukken worden in de tekst aangegeven.
Van stadstaat tot wereldrijk
Sommige steden slaagden erin hun invloed uit te breiden over steeds grotere gebieden, en dat leidde geregeld tot conflicten. Op.stap verbindt dat met de stadstaten in Mesopotamië, die leerlingen al eerder leren kennen. Rome is daar een duidelijk voorbeeld van (KOV Op.stap 1.3). Wanneer een staat zijn macht uitbreidt over andere gebieden en volken, spreken we van imperialisme.
Rome en Carthago
Rome kwam daarbij in botsing met Carthago, een machtige stad aan de Noord-Afrikaanse kust. Tussen beide steden vonden drie oorlogen plaats, de Punische oorlogen: van 264 tot 241, van 218 tot 201 en van 149 tot 146 v.o.t. De laatste oorlog eindigde in 146 v.o.t. met de verwoesting van Carthago (Mark 2018, Punic Wars).
Hannibal
De bekendste figuur aan Carthaagse kant is de veldheer Hannibal. Volgens de Romeinse geschiedschrijver Livius had hij als jongen van ongeveer negen jaar gezworen dat hij een vijand van het Romeinse volk zou worden zodra hij kon. Livius noemt de oorlog die Hannibal tegen Rome voerde “de meest gedenkwaardige oorlog van allemaal” (Livius, 21.1). In 218 v.o.t. trok Hannibal met zijn leger over de Alpen naar Italië. In 216 v.o.t. versloeg hij de Romeinen bij Cannae, maar in 202 v.o.t. werd hij bij Zama verslagen (Mark 2018, Punic Wars).
Dagelijks leven in Pompeï
De uitbarsting van de Vesuvius
Over het dagelijks leven in een Romeinse stad weten we veel dankzij Pompeï. In 79 o.t. begroef een uitbarsting van de Vesuvius de stad. Daardoor bleven enorm veel sporen van het dagelijks leven bewaard (KOV Op.stap 1.3).
Er bestaat ook een ooggetuigenverslag. Plinius de Jongere beschreef de ramp later in twee brieven aan de geschiedschrijver Tacitus. In de eerste vertelt hij hoe zijn oom, Plinius de Oudere, om het leven kwam. Volgens die brief zag men de wolk boven de berg op de negende dag voor de kalenden van september, dus op 24 augustus (Plinius, Ep., 6.16; 6.20).
Die datum staat ter discussie. In 2018 vonden archeologen in Pompeï een opschrift in houtskool met de datum ‘zestien dagen voor de kalenden van november’, 17 oktober. Op basis daarvan stelden sommige onderzoekers een uitbarsting in oktober 79 voor (ANSA 2018). Dat is een voorgestelde interpretatie, geen uitgemaakte zaak: het opschrift vermeldt geen jaar en kan dus ook van het jaar voordien zijn. Houd het in de klas bij het jaar 79.
Een datum als onderzoeksvraag: geen extra leerlingdoel
Het debat over augustus of oktober is een mooi, klein voorbeeld van historisch onderzoek: een geschreven bron (de brief van Plinius) en een archeologische vondst (het houtskoolopschrift) lijken elkaar tegen te spreken. Leerlingen hoeven de datum niet te kennen. Het jaar 79 volstaat.
Brood, keukens en molens
In Pompeï werden keukens teruggevonden met het brood dat er toen gegeten werd (KOV Op.stap 1.3). Ook de productie van dat brood is zichtbaar. In 2023 vond het archeologische park een bakkerij met vier molenstenen dicht bij elkaar. Slaafgemaakten en ezels werden daar opgesloten om graan te malen. De ruimte had alleen kleine ramen hoog in de muur, met ijzeren tralies. In de vloer zitten halfronde inkepingen, waarschijnlijk om de dieren in hun rondjes te leiden en te voorkomen dat ze uitgleden. Dat het om opgesloten slaafgemaakten ging, is de interpretatie van de opgravers op basis van die inrichting. Ze verwijzen naar een gelijkaardige molen in de roman Metamorfosen van Apuleius uit de tweede eeuw, een verhaal en geen ooggetuigenverslag uit Pompeï (Parco Archeologico di Pompei 2023).
Slaafgemaakten
Op.stap vermeldt dat in Pompeï ook overblijfselen van slaven werden teruggevonden (KOV Op.stap 1.3). Wees daar voorzichtig mee: aan menselijke resten alleen zie je niet of iemand slaaf was. Daarvoor zijn andere aanwijzingen nodig, zoals de plek of opschriften. De directeur van het park noemde de bakkerij “de meest schokkende kant van de oude slavernij”: mensen werden er met brute kracht gecontroleerd, niet met vertrouwen of met de belofte van vrijlating (Parco Archeologico di Pompei 2023).
Waarom ‘slaafgemaakten’?: geen extra leerlingdoel
Op.stap en de minimumdoelen gebruiken het woord ‘slaafgemaakten’. Het legt de nadruk op wat iemand werd aangedaan, niet op wie iemand was. In bronnen en oudere boeken kom je ook ‘slaven’ tegen.
Wie woonden hier vóór de Romeinen?
Over de mensen die hier vóór de verovering woonden, weten we veel via één bron: het verslag dat Caesar zelf schreef over zijn oorlogen, de Commentarii de bello Gallico. Hij verdeelt Gallië meteen in drie delen en noemt de bewoners van het noorden Belgae, de Belgen. Hij schrijft er ook bij: “horum omnium fortissimi sunt Belgae”, van hen allemaal zijn de Belgen de dappersten (Caesar, BG, 1.1).
Caesar noemt een hele reeks volken bij naam. Over een groep in het oosten van het gebied, de Condrusi, de Eburonen, de Caerosi en de Paemani, schrijft hij dat ze “met één naam Germanen genoemd worden”. Hij meldt ook dat volgens zijn bondgenoten de meeste Belgen van Germaanse afkomst waren (Caesar, BG, 2.4). Op.stap spreekt over de Kelten als de bevolking die Caesar onderwierp, en Gallië was een groot deel van de Keltische invloedssfeer (KOV Op.stap 1.3).
Kelten, Germanen, Belgen: geen extra leerlingdoel
Deze namen zijn geen nette etiketten voor duidelijk afgebakende volken. ‘Kelten’, ‘Germanen’ en ‘Belgen’ zijn grotendeels namen die Griekse en Romeinse buitenstaanders gebruikten, en Caesar zelf gebruikt ze niet altijd op dezelfde manier. Zeg aan leerlingen dus liever ‘de mensen die hier woonden’ of ‘de stammen die Caesar Belgen noemt’ dan ‘de Belgen waren Kelten’. En de Belgen van Caesar zijn niet zonder meer de voorouders van de inwoners van het huidige België.
Caesar verovert het noorden van Gallië
Ongeveer negentig jaar na de verwoesting van Carthago breidde Rome zijn macht ook naar het noorden uit, een volgende stap in het imperialisme van Rome. In 57 v.o.t. trok Caesar op tegen de Belgen. Zijn verslag beschrijft een reeks veldslagen en belegeringen, waarna de meeste stammen zich onderwierpen (Caesar, BG, boek 2). Het verzet was daarmee niet voorbij. In de winter van 54 op 53 v.o.t. lag een Romeins leger in winterkwartier bij de Eburonen, “waarvan het grootste deel tussen de Maas en de Rijn woont” en die onder het gezag van Ambiorix en Catuvolcus stonden. De opstand begon bij die twee leiders. De Romeinse troepen onder de legaten Sabinus en Cotta verlieten hun kamp en werden in een hinderlaag bijna volledig vernietigd (Caesar, BG, 5.24–37).
Voor een Romeins publiek was dat een zware nederlaag.
“Waren de Belgen echt de dappersten van allemaal?”
Kort antwoord voor kinderen
Dat schreef Julius Caesar, de Romeinse legeraanvoerder die tegen hen vocht. Maar Caesar wilde ook graag dat de mensen in Rome dachten dat hij heel sterke vijanden had verslagen. Daarom kunnen we niet zomaar geloven wat hij schreef.
Nuance voor de leerkracht
Een goede aanleiding voor het onderscheid tussen bron en bewijs: wie maakte de bron, wanneer en waarom? Vergelijk het met een sportverslag dat alleen door één ploeg geschreven is.
Augustus: keizer van een wereldrijk
Enkele decennia na Caesars veldtochten kreeg Octavianus in 27 v.o.t. van de senaat de naam Augustus (Res gestae, 34) (Mark 2018, Augustus). Hij regeerde tot zijn dood in 14 o.t. Na een lange reeks burgeroorlogen begon een periode van relatieve politieke stabiliteit in grote delen van het rijk (Mark 2018, Augustus), de Pax Romana. ‘Vrede’ is daarbij een groot woord: ook onder Augustus voerde Rome oorlogen aan de randen van het rijk, zoals het volgende stuk laat zien. Het rijk omvatte toen het hele gebied rond de Middellandse Zee (KOV Op.stap 1.3).
De Germanen en de nederlaag van Varus
In zijn eigen verslag schrijft Augustus dat hij Gallië, Spanje en ook Germanië, tot aan de monding van de Elbe, tot rust bracht (Res gestae, 26). De werkelijkheid was minder eenvoudig. In 9 o.t. werden drie Romeinse legioenen met hun hulptroepen onder bevel van Varus vernietigd door een Germaanse coalitie onder leiding van Arminius. Rome kreeg daarna geen blijvend gezag over het gebied tussen Rijn en Elbe, al volgden nog Romeinse veldtochten in Germanië. De Rijn groeide zo geleidelijk uit tot de grens. Romeinse schrijvers plaatsen de slag in het Teutoburgerwoud; opgravingen sinds 1987 wijzen naar Kalkriese bij Osnabrück (wissen.de, Varusschlacht). Volgens de biograaf Suetonius riep Augustus nog lang daarna: “Quintilius Varus, geef mij mijn legioenen terug!” (Suetonius, Aug., 23).
Twee bronnen naast elkaar: geen extra leerlingdoel
Augustus’ eigen verslag en het verhaal over Varus zijn samen een sterk voorbeeld van perspectief: wat een machthebber over zijn eigen daden zegt, is niet het hele verhaal. Het verband met onze streken: de Rijn werd de grens van het rijk, en daardoor kwamen onze streken in het achterland van die grens te liggen (zie verder).
Een nieuwe ordening: steden, legerkampen en wegen
Na de verovering organiseerden de Romeinen het gebied in civitates. Dat waren bestuurlijke eenheden, elk met een eigen hoofdplaats. In het oosten van ons land was dat de civitas van de Tungri, met Tongeren als hoofdplaats. De Romeinen noemden de stad Atuatuca Tungrorum.
Tongeren
Hoe Tongeren precies ontstond, is lang een vraag gebleven. Een oudere opvatting zag in de stad een legerkamp of bevoorradingskamp voor de veldtochten van Augustus naar Germanië, waaruit later een burgerlijke stad groeide. In 2008 schreef archeoloog Alain Vanderhoeven dat de bronnen evengoed toelaten dat Tongeren meteen als burgerlijke hoofdplaats werd gesticht, met technische steun en mankracht van het leger (Vanderhoeven 2008a). In een recentere samenvatting gaat hij uit van een stichting rond 10 v.o.t. als hoofdplaats van de civitas (Vanderhoeven 2025).
De eerste huizen waren volgens die samenvatting woonstalhuizen: boerderijen waarin mensen en dieren onder één dak woonden. Een grote stadsbrand, die in verband wordt gebracht met de Bataafse Opstand van 69–70 o.t., maakte een einde aan die vroege fase (Vanderhoeven 2025).
Ook zonder vast legerkamp was het leger in Tongeren aanwezig. Uit de civitas kwamen veel hulptroepen van de Tungri, en voor de rekrutering was mogelijk een vast kantoor nodig. Buiten de stadsmuur stonden graanschuren (horrea). Die wijzen op toezicht door een hogere overheid, waarschijnlijk de gouverneur van de provincie Germania Inferior. Oud-soldaten kwamen zich vermoedelijk in de stad vestigen, vooral in de eerste helft van de eerste eeuw, toen veel Tungri aan de Rijn dienden (Vanderhoeven 2008a).
Velzeke
In Velzeke (Zottegem) vond archeoloog Marc Rogge in 1976 de sporen van een Romeins legerkamp. Het is een van de oudste Romeinse militaire sites in het noorden van Gallië, uit de tijd van Augustus. Het kamp lag op een plateau tussen twee beekvalleien, was ongeveer vijf hectare groot en werd beschermd door drie brede grachten, een aarden wal en een houten palissade (Meulemeester 2008).
Hoe weten archeologen hoe oud het kamp is? In de grachten lagen onder meer een zilveren munt (denarius) van Julius Caesar die in 48 v.o.t. geslagen werd, de hals van een vroege wijnamfoor en Italisch tafelaardewerk (terra sigillata). Zulke vondsten wijzen op een vroeg kamp. Let wel: een munt uit 48 v.o.t. in de vulling van een gracht toont alleen dat die vulling van 48 v.o.t. of later is. De gracht zelf kan al eerder gegraven zijn. Een laag uit de tijd van de keizers Tiberius en Claudius bedekt de grachten: toen was het kamp al verlaten (Meulemeester 2008).
Rond het kamp groeide een nederzetting, een vicus. Ze lag op een kruispunt van twee wegen. De ene was een verharde weg die vanuit Bavay, de hoofdplaats van de Nerviërs, naar het noorden liep. De andere verbond Boulogne aan de Noordzee met Keulen aan de Rijn. Vooral in de bloeitijd van het rijk groeide de vicus uit tot een lintdorp langs de weg en het economische en religieuze centrum van de streek (Meulemeester 2008).
Een netwerk van wegen
Dezelfde weg van Boulogne naar Keulen liep ook langs Tongeren (Vanderhoeven 2008a). Zulke wegen verbonden de hoofdplaatsen van de civitates met elkaar, met de havens aan de kust en met de legerplaatsen aan de Rijn. Ze dienden voor het leger en het bestuur, maar ook voor de handel: de amfoor en het Italische aardewerk in Velzeke laten zien dat producten van ver kwamen.
De grens aan de Rijn
De noordgrens van het Romeinse Rijk volgde in onze buurt grotendeels de Rijn. Dat deel, de Neder-Germaanse limes, liep langs de Rijn, onder meer langs Keulen, Nijmegen en Utrecht, tot aan de zee bij Katwijk. In 2021 werd een reeks archeologische vindplaatsen langs die grens erkend als werelderfgoed (NOS 2021).
Onze streken lagen dus niet aan de grens, maar in het achterland ervan. Dat had grote gevolgen. Het leger aan de Rijn moest gevoed en bevoorraad worden. Veel soldaten kwamen uit het achterland: de hulptroepen van de Tungri zijn daar een voorbeeld van (Vanderhoeven 2008a). En de boerderijen in de civitas Tungrorum produceerden waarschijnlijk vooral voor dat leger (Vanderhoeven 2008b).
Leven op het platteland
De meeste mensen woonden niet in een stad, maar op het platteland. Ook daar was de Romeinse tijd een tijd van verandering, maar niet overal op dezelfde manier.
Op de vruchtbare leemgronden in het zuiden van de civitas Tungrorum verschenen de zogenaamde villa’s. Dat waren grote boerderijen waarbij het woongedeelte gescheiden was van de bedrijfsgebouwen. Opvallend is dat die scheiding al vóór de Romeinse verovering een traditie was. Op de zandgronden in het noorden bleven mensen het oudere woonstalhuis gebruiken, met mensen en dieren onder één dak (Vanderhoeven 2008b). Een goed onderzocht voorbeeld is de villa van Rekem-Neerharen, met een hoofdgebouw met badgebouw (pars urbana) en bijgebouwen voor het boerenbedrijf (pars rustica) (Vanderhoeven 2008b).

Wat veranderde er in de landbouw? Archeologen zien een verschuiving naar productie voor de markt. Bij het dierlijk bot in de vondsten gaat het rund overheersen. Het aantal graansoorten wordt kleiner: vooral bedekte gerst en spelt, soms ook broodtarwe. De belangrijkste markt was waarschijnlijk het Romeinse leger aan de rijksgrens. Daarnaast waren er groepen in het achterland die hun voedsel kochten in plaats van het zelf te telen (Vanderhoeven 2008b). Dat heeft ook een keerzijde. Vanaf de tweede eeuw zien onderzoekers op de leemgronden erosie (Vanderhoeven 2008b), wellicht een gevolg van het intensieve gebruik van het land.
Achtergrond voor de leerkracht: geen extra leerlingdoel
Dit is een mooi voorbeeld van hoe handel, landschap en landbouw samenhangen: een groot leger op één plek verandert hoe boeren honderden kilometers verder werken. Leerlingen hoeven de graansoorten niet te kennen; het gaat om het verband tussen voedselproductie en de vraag van het leger.
Gallo-Romeins: oude en nieuwe gewoonten samen
‘Gallo-Romeins’ betekent niet dat de plaatselijke bevolking haar eigen leven inruilde voor een Romeins leven. Op het platteland zie je juist veel continuïteit: de villa’s bouwden voort op een oudere traditie en in het noorden bleef het woonstalhuis in gebruik (Vanderhoeven 2008b). Tegelijk kwamen er nieuwe dingen: steden met een Romeins bestuur, verharde wegen, nieuwe producten zoals wijn en aardewerk uit het zuiden (Meulemeester 2008), en het Latijnse schrift in bestuur en handel. In Tongeren zijn houten schrijfplankjes uit de Romeinse tijd gevonden (Hartoch 2025). Schrift zelf was niet helemaal nieuw in Gallië: volgens Caesar gebruikten de druïden Griekse letters voor openbare en private rekeningen (Caesar, BG, 6.14). Dat zegt wel niets over hoeveel mensen hier konden schrijven.
De uitwisseling ging in twee richtingen. Op.stap noemt als voorbeelden van de Gallo-Romeinse cultuur houten vaten, lange broeken en plaatsnamen (KOV Op.stap 1.3). Ook het leger bracht mensen en gewoonten in beweging: Tungri dienden als hulptroepen aan de Rijn en oud-soldaten vestigden zich in Tongeren (Vanderhoeven 2008a).
“Spraken de mensen in Tongeren Latijn?”
Kort antwoord voor kinderen
Een deel van de mensen kon schrijven en lezen. In Tongeren vonden archeologen houten schrijfplankjes met contracten en zelfs schrijfoefeningen van leerlingen. Maar veel mensen op het platteland spraken waarschijnlijk vooral hun eigen taal.
Nuance voor de leerkracht
Welke talen hier precies gesproken werden en hoeveel mensen konden schrijven, is moeilijk te bewijzen: we hebben vooral geschreven bronnen van wie wél schreef. Laat de onzekerheid zien in plaats van een stellig antwoord te geven.
Cornelia en de plaats van vrouwen
Een van de bekendste Romeinse vrouwen is Cornelia, de moeder van de broers Tiberius en Gaius Gracchus. We kennen haar vooral uit de levensbeschrijvingen van haar zonen door Plutarchus. Volgens hem bleef ze na de dood van haar man achter met twaalf kinderen. Koning Ptolemaeus vroeg haar ten huwelijk en bood aan zijn kroon met haar te delen, maar ze weigerde en bleef weduwe. Van haar kinderen overleefden er maar drie: een dochter en de twee zonen, die ze zo zorgvuldig opvoedde dat men hun deugden eerder aan hun opvoeding dan aan hun aanleg toeschreef (Plutarchus, Ti. Gracch., 1.3–1.5). Plutarchus vermeldt ook dat ze volgens sommigen haar zonen verweet dat de Romeinen haar nog altijd ‘de schoonmoeder van Scipio’ noemden en nog niet ‘de moeder van de Gracchi’ (Plutarchus, Ti. Gracch., 8.5).
Op.stap koppelt Cornelia aan de rol van de vrouw in de Romeinse samenleving en aan sociale spanningen (KOV Op.stap 1.3).
Hoe we over Cornelia lezen: geen extra leerlingdoel
In de tekst van Plutarchus verschijnt Cornelia vooral in verhouding tot anderen: als weduwe, als moeder, als schoonmoeder. Dat zegt iets over de bron. Een goede vraag voor de klas is wat we over Cornelia zelf weten, en wat we alleen via haar man en zonen te weten komen. Sluit aan bij wat leerlingen eerder leerden over vrouwen in de Griekse oudheid.
Het ontstaan van het christendom
Het christendom ontstond binnen het Romeinse Rijk. Ook een niet-christelijke Romeinse bron vermeldt de oorsprong ervan: de geschiedschrijver Tacitus schrijft dat Christus, naar wie de christenen genoemd zijn, onder keizer Tiberius door de procurator Pontius Pilatus werd terechtgesteld. Hij vermeldt ook dat de beweging ontstond in Judea en zich van daaruit tot in Rome verspreidde (Tacitus, Ann., 15.44). Het christendom groeide voort uit het jodendom in Judea, een provincie aan de oostkant van het rijk.
Constantijn
Een keerpunt kwam met keizer Constantijn. Voor zijn overwinning bij de Milvische brug in 312 (Wasson 2013, Constantine I) werd hij volgens de christelijke schrijver Lactantius in een droom aangespoord om het hemelse teken van God op de schilden te laten aanbrengen (Lactantius, Mort., 44). In 313 kwam in Milaan een regeling tot stand die “zowel de christenen als iedereen” de vrijheid gaf om de godsdienst van hun keuze te volgen (Lactantius, Mort., 48). Die regeling staat bekend als het Edict van Milaan; Lactantius geeft de tekst weer als een brief van keizer Licinius. In 330 werd Constantinopel ingewijd als nieuwe hoofdstad. Constantijn stierf in 337 (Wasson 2013, Constantine I). Volgens zijn biograaf Eusebius liet hij zich kort voor zijn dood dopen (Eusebius, Vita Const., 4.61–64).
En in onze streken?
Servatius is een bisschop die traditioneel met het Tongeren van de vierde eeuw verbonden wordt. Hoe stevig die band is, staat ter discussie. De oudste verhalen over Servatius staan bij Gregorius van Tours, aan het einde van de zesde eeuw. Twee teksten uit de vierde eeuw noemen een bisschop Servatius ‘van de Tongeren’, maar volgens historicus Régis de la Haye is de ene een vervalsing en de andere waarschijnlijk een latere toevoeging. Hij argumenteert dat er halfweg de vierde eeuw in het noorden van Gallië, buiten enkele grote steden, nog geen kerkelijke structuren waren. Onder de basiliek van Tongeren werd een gebouw van het einde van de vierde eeuw gevonden, maar dat het een christelijke functie had, is niet aantoonbaar. Aan het begin van de zesde eeuw was Maastricht de bisschopsstad (De la Haye, Servatius).
Onrustiger tijden
De lange periode van relatieve rust die de Romeinen Pax Romana noemden, bleef niet duren. In de derde eeuw namen de invallen van Germaanse groepen toe. Aan het einde van de derde en het begin van de vierde eeuw kreeg Tongeren een nieuwe, sterke stadsmuur. Die was dik, had opvallend veel torens en omsloot alleen het hoogst gelegen en best verdedigbare deel van de oude hoofdplaats. De stad werd dus kleiner. De muur hoorde bij een groter verdedigingssysteem en lijkt op laat-Romeinse versterkingen in andere steden langs de weg van Boulogne naar Keulen (Vanderhoeven 2008a). Lang na de Romeinse tijd bleef zo’n muur een zichtbaar teken van Romeins gezag.

Verhalen om verder te vertellen
Drie verhalen die op dit artikel voortbouwen. Ze zijn bedoeld als achtergrond en als aanknopingspunt voor eigen leesteksten. Ze breiden de leerlingdoelen niet uit.
Tungri aan de muur van Hadrianus
Uit de civitas Tungrorum kwamen veel hulptroepen. Een van die eenheden, de eerste cohorte Tungri (cohors I Tungrorum), diende aan de andere kant van de Noordzee, in Brittannië. Rond 85–95 o.t. lag ze in het fort van Vindolanda, vlak bij de latere muur van Hadrianus. Daar bewaarde de natte bodem honderden houten schrijfplankjes. Daartussen zitten brieven van de bevelhebber van de Tungri, de prefect Iulius Verecundus (RIB, Vindolanda Tablets). Later, van de late tweede tot de vierde eeuw, vormde dezelfde eenheid het garnizoen van het fort Housesteads aan de muur. Het fort was ingericht voor een regiment van ongeveer 800 voetsoldaten (English Heritage, Housesteads).
Waarom dit verhaal werkt: geen extra leerlingdoel
Het maakt ‘het Romeinse Rijk’ concreet: mensen uit de streek van Tongeren dienden honderden kilometers verder, in een ander klimaat, en schreven brieven die we vandaag nog kunnen lezen. Het sluit aan bij identiteit en integratie (5.1.GL3.3): was zo’n soldaat een Tungrer, een Romein, of allebei?
Wat de schrijfplankjes van Tongeren vertellen
In Tongeren zelf vonden archeologen 85 houten fragmenten van wastafeltjes. Het grootste deel kwam in de jaren 1930 boven, de rest in 2013 (VRT NWS 2025). De was was verdwenen, maar soms drukte de stift door tot in het hout. Lang golden die sporen als onleesbaar. In 2020 bracht Else Hartoch van het Gallo-Romeins Museum ze opnieuw onder de aandacht, waarna onderzoekers ze ontcijferden. Op de plankjes staan contracten, officiële stukken en schrijfoefeningen, en een ontwerp van een inscriptie uit 207 o.t. waarin keizer Caracalla genoemd wordt. Ze vermelden ook ambten die in de noordelijke provincies zelden opduiken. De namen wijzen op een gemengde bevolking van Romeinse, Keltische en Germaanse oorsprong, met ook oud-soldaten (HeritageDaily 2026) (Hartoch 2025).
Ambiorix: van opstandeling tot ‘eerste Belg’
Op de Grote Markt van Tongeren staat een bronzen standbeeld van Ambiorix, gemaakt door Jules Bertin in 1865–1866 (KIK-IRPA, Ambiorix). Het werd in 1866 ingehuldigd in aanwezigheid van koning Leopold II. Bij de keuze van de held speelde mee dat Caesar Ambiorix veel vaker noemt dan andere leiders, en historici hadden toen al bezwaren tegen de vormgeving van het beeld (VRT NWS 2026).

Robert Nouwen, oud-conservator van het Gallo-Romeins Museum, wijst erop dat België pas na 1830 ontstond en dat Ambiorix daarom moeilijk ‘de eerste Belg’ kan heten. Hij noemt Ambiorix eerder een pragmatische opportunist dan een romantische vrijheidsstrijder (VRT NWS 2026). Ook Caesar zelf rekende de Eburonen tot de groep die “Germanen” genoemd werd (Caesar, BG, 2.4).
Erfgoed en beeldvorming: geen extra leerlingdoel
Het standbeeld zegt meer over de 19de eeuw dan over de oudheid. Dat maakt het een sterk voorbeeld bij erfgoed en identiteit (reflectie en dialoog): waarom kiest een land een held uit het verleden, en wat laat een beeld weg of voegt het toe? Vergelijk het beeld met wat Caesar schrijft, en met wat archeologen niet weten.
Wat we weten en wat onzeker is
- Zeker: de grote lijnen van de Punische oorlogen, de uitbarsting van de Vesuvius in 79, de verovering door Caesar en de opstand van Ambiorix en Catuvolcus, de naam Augustus in 27 v.o.t., de nederlaag van Varus, het legerkamp en de vicus van Velzeke, de laat-Romeinse muur van Tongeren. Dat zijn gegevens uit archeologisch onderzoek en uit primaire bronnen, met de beperkingen die bij zulke bronnen horen.
- Onderwerp van onderzoek: de exacte datum van de uitbarsting (augustus of oktober), de plaats van de slag tegen Varus, hoe Tongeren precies ontstond (Vanderhoeven 2008a) (Vanderhoeven 2025), en of Tongeren in de vierde eeuw al een bisschop had.
- Voorzichtig mee omgaan: wat Romeinse schrijvers over hun tegenstanders zeggen (Hannibal, de Belgen), de namen Kelten, Germanen en Belgen, uitspraken over wat ‘de’ bevolking dacht of voelde, en latere beelden zoals het standbeeld van Ambiorix.
Kaarten

Belgii veteris typus · Abraham Ortelius, 1594
Het ‘oude België’ zoals Abraham Ortelius het zich in de 16de eeuw voorstelde, met de volken die antieke schrijvers vermelden.
Geen kaart uit de Romeinse tijd zelf, maar een reconstructie van 1594. Sterk voorbeeld om met leerlingen te bespreken hoe latere mensen het verleden in beeld brachten.
Tabula Peutingeriana (facsimile) · Romeinse wegenkaart; facsimile door Konrad Miller, 1887–1888 (facsimile)
Een Romeinse wegenkaart: geen kaart op schaal, maar een lange strook met wegen, plaatsen en afstanden.
Te groot om hier te tonen (26.000 pixels breed); open de bron en zoom in op het noordwesten van het rijk.
Verbanden
- Overzicht Oudheid
- Begrip Bron en bewijs
- Begrip imperialismenog niet geschreven
- Verwijst hierheen Bron en bewijs
- Verwijst hierheen Europa in de vroegmoderne tijd
- Verwijst hierheen Mesopotamië
- Verwijst hierheen Oudheid
Bronnen en verdieping
Historische bronnen
- Titus Livius. Ab urbe condita, boek 21 (Latijnse tekst).
- Gaius Plinius Caecilius Secundus (Plinius de Jongere). Epistulae, boek 6 (Latijnse tekst).
- Gaius Iulius Caesar. Commentarii de bello Gallico (Latijnse tekst).
- Augustus. Res gestae divi Augusti (Latijnse tekst).
- Gaius Suetonius Tranquillus. De vita Caesarum: Divus Augustus (Latijnse tekst).
- Plutarchus. Life of Tiberius Gracchus (Engelse vertaling, Loeb Classical Library 1921).
- Publius Cornelius Tacitus. Annales, boek 15 (Latijnse tekst).
- Lactantius. De mortibus persecutorum (Latijnse tekst).
- Eusebius van Caesarea. Life of Constantine, boek IV (Engelse vertaling E. C. Richardson).
Geraadpleegde literatuur
- Joshua J. Mark (2018). Punic Wars.
- ANSA (2018). Find suggests Pompeii eruption in Oct.
- Parco Archeologico di Pompei (2023). Pompeii: prison bakery emerges.
- Joshua J. Mark (2018). Augustus.
- wissen.de (Konradin Mediengruppe). Varusschlacht.
- Alain Vanderhoeven (2008). Tongeren en het Romeinse leger. Vlaanderen. Kunsttijdschrift, jaargang 57.
- Alain Vanderhoeven (2008). Waar hebben we dit nog gehoord? Maatschappelijke ontwikkelingen in de civitas Tungrorum ten tijde van de Romeinse vrede. Vlaanderen. Kunsttijdschrift, jaargang 57.
- Jean-Luc Meulemeester (2008). Een Romeinse legerbasis in Velzeke. Vlaanderen. Kunsttijdschrift, jaargang 57.
- Alain Vanderhoeven (2025). Atuatuca Tungrorum: A brief introduction. In: E. Hartoch (red.), The Writing Tablets of Roman Tongeren (Belgium) and Associated Wooden Finds. Turnhout: Brepols. ISBN 978-2-503-61687-2. doi:10.1484/M.STIA-EB.5.150345.
- NOS (2021). Ook Neder-Germaanse Limes toegevoegd aan Werelderfgoedlijst Unesco.
- Donald L. Wasson (2013). Constantine I.
- VRT NWS (2025). Unieke collectie Romeinse schrijftabletten uit Tongeren werpt nieuw licht op het dagelijks leven 2.000 jaar geleden.
- Régis de la Haye. De historische Servatius. Stand van zaken.
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
- Roman Inscriptions of Britain (RIB Online). Vindolanda Tablets.
- English Heritage. History of Housesteads Roman Fort.
- KIK-IRPA, BALaT. Ambiorix (standbeeld, Grote Markt Tongeren), object 147186.
- Elian Pergola (2026). Mogelijke vestiging van Ambiorix ontdekt in Tongeren-Borgloon: ‘Toch is hij niet de eerste Belg’.
- Mark Milligan (2026). Deciphering Roman writing tablets from Tongeren.
Verder lezen en kijken
- Else Hartoch (red.) (2025). The Writing Tablets of Roman Tongeren (Belgium) and Associated Wooden Finds. Turnhout: Brepols. ISBN 978-2-503-61687-2.
- Edith M. Wightman (1985). Gallia Belgica. London: B. T. Batsford. ISBN 0-7134-4609-9.
- Gallo-Romeins Museum. Gallo-Romeins Museum Tongeren.
- Stad Zottegem. Archeocentrum Velzeke.
Doelen
Op.stap
- 5.1.GL2.9 2de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Rome, Carthago, Hannibal.Het begrip imperialisme wordt hier alleen kort omschreven. Verder in: Imperialisme (nog te schrijven).
- 5.1.GL2.10 2de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: dagelijks leven, Pompeï, keukens, slaafgemaakten.
- 5.2.GL2.1 2de leerjaarDe leerlingen kunnen het verschil tussen bron en bewijs herkennen.Het begrippenpaar zelf wordt hier niet uitgelegd. Verder in: Bron en bewijs.
- 5.2.GL2.4 2de leerjaarDe leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid en de middeleeuwen herkennen.Andere bronnen uit de oudheid en de middeleeuwen. Verder in: Soorten bronnen (nog te schrijven).
- 5.2.GL2.9 2de leerjaarDe leerlingen kunnen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden op elementair niveau vergelijken.Het onderscheid tussen perspectieven wordt niet systematisch uitgewerkt. Verder in: Perspectief (nog te schrijven).
- 5.1.GL3.1 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Caesar, de Kelten.Caesars verovering van de rest van Gallië komt niet aan bod. Verder in: Imperialisme (nog te schrijven).
- 5.1.GL3.2 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Augustus, Germanen. Verder in: Imperialisme (nog te schrijven).
- 5.1.GL3.3 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: identiteit en integratie, culturele uitwisseling, Tongeren.De Op.stap-voorbeelden (houten vaten, lange broeken, plaatsnamen) worden alleen genoemd.
- 5.1.GL3.4 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: voedselproductie, handel over lange afstanden, de Pax Romana, Tongeren, Velzeke, Limes, wegennetwerk.
- 5.1.GL3.5 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: identiteit en integratie, Cornelia.De sociale spanningen rond de hervormingen van haar zonen en de rechtspositie van vrouwen worden niet uitgewerkt.
- 5.1.GL3.6 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: ontstaan van het christendom, Constantijn.
- 5.2.GL3.1 3de leerjaarDe leerlingen kunnen het verschil tussen bron en bewijs benoemen.Het begrippenpaar zelf wordt hier niet uitgelegd. Verder in: Bron en bewijs.
- 5.2.GL3.2 3de leerjaarDe leerlingen kunnen typische vragen benoemen om te stellen over aangereikte bronnen: hoe en waarom een bron is gemaakt, wanneer en waar een bron is gemaakt.Typische vragen over bronnen in het algemeen. Verder in: Historische vragen stellen (nog te schrijven).
- 5.2.GL3.3 3de leerjaarDe leerlingen weten wat paleontologen, archeologen en historici doen.Paleontologen en historici; het beroep in het algemeen. Verder in: Het werk van archeologen en historici (nog te schrijven).
- 5.2.GL3.4 3de leerjaarDe leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid en de middeleeuwen noemen.Bronnen voor de middeleeuwen. Verder in: Soorten bronnen (nog te schrijven).
- 5.2.GL4.4 4de leerjaar*De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de prehistorie, de oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd noemen.Bronnen voor de prehistorie, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd. Verder in: Soorten bronnen (nog te schrijven).
Minimumdoelen
- 5.1.2 vierde leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.Mesopotamië en de Griekse wereld. Verder in: Mesopotamië, De Griekse wereld (nog te schrijven).
- 5.2.1 vierde leerjaarDe leerlingen kennen het verschil tussen bron en bewijs.
- 5.2.2 vierde leerjaarDe leerlingen kennen typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen:
- 5.2.3 vierde leerjaarDe leerlingen weten wat paleontologen, archeologen en historici doen.
- 5.2.4 vierde leerjaarDe leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd noemen.
- 5.2.8 vierde leerjaarDe leerlingen kunnen een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden begrijpen.
Over dit artikel
- Geschreven
- 3 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 3 november 2026