Onderwerp · Geschiedenis · ook: Aardrijkskunde
Europa in de middeleeuwen
Boeren en ploegen, steden en gilden, kloosters en begijnen, de pest, Hildegard van Bingen, de Keure van Kortenberg en de Bourgondiërs, verteld met bronnen uit de tijd zelf.
Zo gemarkeerd: een woord dat Op.stap bij dit onderwerp expliciet gebruikt.
Dit artikel gaat over hoe mensen in Europa in de middeleeuwen overleefden, samenleefden en dachten. Het volgt de onderwerpen die leerlingen in het derde en vierde leerjaar tegenkomen: het werk op het land, de steden Brugge en Gent met hun handel en gilden, het verschil tussen platteland en stad, de kloosters en de begijnen, Hildegard van Bingen, de pest, de verhouding tussen heren en hun mannen, de Keure van Kortenberg en de Bourgondiërs.
Elk hoofdstuk is zelfstandig leesbaar. Waar het kan, laten we mensen uit die tijd zelf aan het woord: een notaris uit Brugge, een graaf, een hertog, een abt uit Doornik, de kloosteroverste Hildegard en een hoveling van de Bourgondische hertogen. Hun teksten staan in een apart kader, met erbij wie ze schreef en wie ze vertaalde. De Nederlandse weergaven zijn vertalingen van de Kennisatlas uit het Latijn, het Middelnederlands en het Oudfrans. De bronnen komen niet allemaal uit onze streken: soms is het beste voorbeeld dat we hebben Engels of Parijs. Dat staat er dan ook bij.
Leven van het land
Voedsel kwam van het land. Wat de boeren oogstten, besliste of mensen het jaar doorkwamen. Over hoe dat werk geregeld werd, geven twee heel verschillende bronnen een beeld: een Engels boek voor wie een landgoed beheert, en een Vlaams verslag van een hongersnood.
De ploeg en het drieslagstelsel
Landbouwers bewerkten hun akkers met de ploeg, die de grond openbrak voor het zaaien. Hoeveel land één ploeg in een jaar kon bewerken, hing af van hoe het land verdeeld was. Daarover schreef een zekere Walter of Henley in de 13de eeuw een boek in het Anglo-Normandisch, dat in 1890 in het Engels vertaald werd (Walter of Henley (ed. Lamond 1890)). Hij legt twee manieren naast elkaar:
Historische bron
Als uw land in drieën is verdeeld, een deel voor wintergraan, een deel voor zomergraan en het derde deel braak, dan is een ploegland negen maal twintig acres groot. En als uw land in tweeën is verdeeld, zoals in veel streken, de ene helft bezaaid met winter- en zomergraan en de andere helft braak, dan is een ploegland acht maal twintig acres.
Si vos teres sunt partes en treys … adonc serra la charue de tere ix xx acres.
De eerste manier is het drieslagstelsel. De akkers van een landgoed worden in drie delen verdeeld. Op het ene deel zaait men wintergraan, op het tweede zomergraan, en het derde ligt braak: daar wordt dat jaar niets gezaaid. De tweede manier, met de helft van het land braak, noemen we het tweeslagstelsel. Een acre is een Engelse oppervlaktemaat; Walter rekent in twintigtallen (Walter of Henley (ed. Lamond 1890)).
Let op wat Walter zegt en wat niet. Hij schreef voor een landheer die wilde weten hoeveel ploegen hij nodig had, niet voor de boeren zelf. En hij zegt ‘zoals in veel streken’ bij het tweeslagstelsel: in zijn tijd bestonden de twee stelsels dus naast elkaar. Wanneer en waar het drieslagstelsel begon, schrijft hij niet (Walter of Henley (ed. Lamond 1890)).
Een Engelse bron voor een Vlaams leerplan: geen extra leerlingdoel
Walter of Henley schreef over Engelse landgoederen. We gebruiken hem omdat hij het drieslagstelsel uitlegt in de woorden van iemand uit die tijd, niet omdat Vlaanderen hetzelfde was. Op.stap spreekt bij dit onderwerp ook van een agrarische (r)evolutie. Wanneer die plaatsvond en wat ze precies inhield, laten we hier open: de bronnen die we raadpleegden, spraken elkaar daarover tegen. Een wetenschappelijk overzicht over het Vlaamse platteland moet die vraag nog beantwoorden.
Als de oogst mislukte
Hoe kwetsbaar mensen waren, blijkt uit een verslag van een Brugse notaris, Galbert. Hij schreef een ooggetuigenverslag over de moord op graaf Karel de Goede in de Sint-Donaaskerk in Brugge, op 2 maart 1127 (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891)). Aan het begin vertelt hij over de hongersnood van enkele jaren eerder, in 1124 en 1125:
Historische bron
Sommigen die op weg waren naar steden en burchten om er brood te kopen, stikten van uitputting nog voor ze halverwege waren en stierven van de honger; bij de dorpen en hoven van de rijken en bij de burchten en versterkingen kwamen de armen ellendig aanstrompelen voor aalmoezen en stierven al bedelend.
De graaf greep in. Volgens Galbert beval hij dat wie twee stukken land bezaaide, er één met bonen en erwten moest bezaaien, omdat die sneller voedsel opleveren (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), par. 3, p. 6–7):
Historische bron
In datzelfde jaar had de graaf bevolen dat wie bij het zaaien twee maten land bezaaide, de ene maat met bonen en erwten moest bezaaien, omdat dit soort peulvrucht sneller en vroeger vrucht draagt, zodat de armen sneller gevoed konden worden. … Ook de mensen uit Gent berispte hij scherp, omdat ze voor hun eigen deur arme mensen van honger lieten sterven die ze hadden kunnen voeden.
… alteram mensuram terrae seminarent faba et pisa …
Galbert schrijft vol bewondering over de graaf. Hij ziet de honger ook als een straf van God: ‘de Heer zond de plaag van de honger’ (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), par. 2). Dat is zijn uitleg, een uitleg die in zijn tijd voor de hand lag. Voor de klas is het een goede vraag: wat vertelt Galbert ons over de honger, en wat vertelt hij ons over hoe mensen toen dachten?
Steden, handel en gilden
Naast het platteland groeiden in Vlaanderen steden. Brugge en Gent werden er de grootste van.
Brugge
Na een stormvloed in oktober 1134 kreeg Brugge via het Zwin, een zeearm, een verbinding met de zee. De stad werd een centrum van handel: het kopen, verkopen en vervoeren van goederen, hier ook over grote afstanden. Volgens het Agentschap Onroerend Erfgoed kende Brugge als handelscentrum zijn grootste bloei tussen 1280 en 1480. De stad stond bekend als exportcentrum van Vlaams laken, en er kwamen handelaars uit het buitenland, onder meer van de Duitse Hanze. In het midden van de 13de eeuw woonden binnen de tweede stadsmuur ongeveer 40 000 tot 45 000 mensen (Inventaris Onroerend Erfgoed, Brugge oudste kern).
Gent
Ook Gent leefde van laken. Volgens de stad Gent kwam er vanaf het midden van de 10de eeuw veel wol naar de stad, die er tot laken voor de export geweven werd. In 1127 wordt voor het eerst een ‘commune’ van Gent vermeld, een gemeenschap van burgers. Rond 1300 had de stad een muur van ongeveer twaalf kilometer en woonden er binnen die muur zo’n 64 000 mensen. Vanaf 1301 namen de gilden, met de wevers, volders, scheerders en ververs en nog 53 andere ambachten, samen met de poorterij deel aan het stadsbestuur (Stad Gent, geschiedenis). De mensen die het laken maakten, kregen zo mee zeggenschap over hun stad.
Dat Galbert de Gentenaars in 1125 verweet dat ze armen voor hun deur lieten sterven (zie hoger), toont dat het er toen al een stad was met rijke en arme inwoners (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), par. 3).
“Waarom werden Brugge en Gent zo groot?”
Kort antwoord voor kinderen
Veel mensen verdienden er hun brood met laken: ze maakten stof uit wol en verkochten die tot ver in het buitenland. Brugge kon bovendien via het water tot aan de zee. Daar kwamen schepen en handelaars uit andere landen.
Nuance voor de leerkracht
Waarom precies deze twee steden zo groeiden, is een grotere vraag dan dit artikel kan beantwoorden. De bronnen die we gebruiken, noemen het laken, de wol en voor Brugge de verbinding met de zee (Inventaris Onroerend Erfgoed, Brugge oudste kern) (Stad Gent, geschiedenis). Andere verklaringen laten we hier achterwege.
Wat een gilde deed
Een gilde was een vereniging van mensen die hetzelfde werk deden of samen handel dreven, en die afspraken maakten en elkaar beschermden. Een oude Vlaamse tekst waarin een gilde voorkomt, is de keure die graaf Willem Clito in april 1127, kort na de moord op Karel de Goede, aan de stad Saint-Omer gaf, toen een Vlaamse stad. Het vijfde artikel gaat over de gilde van de burgers:
Historische bron
Allen die hun gilde hebben en erbij horen en binnen de omheining van hun stad wonen, maak ik vrij van tol aan de haven van Diksmuide en Gravelines en in heel Vlaanderen.
Omnes qui gildam eorum habent, et ad illam pertinent, et infra cingulam ville sue manent, liberos omnes a teloneo facio …
Wie bij de gilde hoorde, hoefde dus geen tol te betalen als hij met zijn goederen door Vlaanderen trok. Verderop in dezelfde keure geeft de graaf de burgers de opbrengst van zijn munt in Saint-Omer, ‘tot herstel van hun schade en tot onderhoud van hun gilde’ (Keure van Saint-Omer 1127 (ed. Giry 1877), art. 14). Een gilde had dus ook eigen geld en bezit.
Later ontstonden in de steden ook gilden van ambachtslieden: mensen die met hun handen een vak uitoefenden, zoals wevers, smeden of bakkers. In Gent zaten die ambachten vanaf 1301 mee in het stadsbestuur (Stad Gent, geschiedenis).
Leerling en meester
Hoe een gilde het werk in een ambacht regelde, lezen we het best in een Parijse bron. Rond 1268 liet de provoost van Parijs, Étienne Boileau, de regels van de Parijse ambachten opschrijven in het Livre des métiers, het ‘boek van de ambachten’. Dat jaar is een afleiding van de uitgevers (Livre des métiers (ed. Lespinasse en Bonnardot 1879)). Een Vlaamse tekst van dit soort hebben we nog niet kunnen lezen; het Parijse boek is een voorbeeld van hoe zoiets werkte, geen beschrijving van Brugge of Gent. Zo klinken de regels voor de goudsmeden:
Historische bron
IV. Geen goudsmid mag meer dan één vreemde leerling hebben; maar uit zijn eigen familie of uit die van zijn vrouw, ver of dichtbij, mag hij er zoveel hebben als hij wil. V. Geen goudsmid mag een leerling hebben, eigen of vreemd, voor minder dan tien jaar, tenzij de leerling zoveel kan, dat hij honderd sols per jaar verdient plus zijn kost en drank. VI. Geen goudsmid mag ’s nachts werken, behalve voor het werk van de koning, de koningin, hun kinderen, hun broers en de bisschop van Parijs.
Nus Orfèvres ne puet avoir que un aprentis estrange …
Een meester was een vakman die zijn ambacht volledig beheerste en zelf leerlingen mocht aannemen. Hij leidde leerlingen op: jongeren die het vak bij hem leerden, en bij de Parijse goudsmeden duurde dat minstens tien jaar. De regels beschermden ook de meesters zelf: niemand mocht te veel vreemde leerlingen aannemen, en ’s nachts werken was verboden, behalve voor de koning en de bisschop. De goudsmeden zwoeren dat ze zich aan die regels zouden houden (Livre des métiers (ed. Lespinasse en Bonnardot 1879), titel XI, art. IV–IX).
“Hoe lang moest een leerling bij een goudsmid leren?”
Kort antwoord voor kinderen
In Parijs minstens tien jaar. Alleen wie al zo goed was dat hij zelf genoeg verdiende, mocht vroeger stoppen. Kinderen uit de familie van de goudsmid hadden het makkelijker: daarvan mocht hij er zoveel aannemen als hij wilde.
Nuance voor de leerkracht
Dit is de regel van één ambacht in één stad (Livre des métiers (ed. Lespinasse en Bonnardot 1879), titel XI, art. IV–V). Andere ambachten en andere steden hadden andere regels. Op.stap noemt naast leerling en meester ook de gezel, de vakman die zijn opleiding achter de rug had maar nog geen meester was. Een bron die dat voor een Vlaams ambacht beschrijft, hebben we voor dit artikel nog niet gevonden.
Platteland en stad
Op.stap spreekt hier van een rurale en stedelijke samenleving: ‘ruraal’ betekent van het platteland, ‘stedelijk’ van de stad. Het waren geen gescheiden werelden. In de hongersnood van 1125 trokken plattelanders naar de steden en burchten om er brood te kopen, en de graaf deelde in Brugge elke dag brood uit aan honderd armen (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), par. 2–3). Wel golden er voor mensen in de stad en op het land soms andere regels, en niet iedereen was even vrij.
Vrij of onvrij
De middeleeuwse samenleving kende grote machtsverhoudingen en ongelijkheid: wie je was en waar je geboren werd, besliste welke rechten je had en tegenover wie je plichten had. Sommige mensen waren onvrij. Zij behoorden met hun familie aan een heer toe en hadden minder rechten dan vrije mensen. Zulke onvrije mensen noemen we vaak lijfeigenen. Galbert gebruikt dat woord niet: hij spreekt van een ‘dienstbare toestand’ (conditio servilis) (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), par. 7, p. 13).
Dat zo’n toestand ook machtige mensen kon treffen, toont Galbert met de familie van Bertulf, de proost van de Sint-Donaaskerk in Brugge. Die familie behoorde, ondanks haar rijkdom en macht, tot de onvrije mensen van de graaf:
Historische bron
… want ook zij behoorden tot de gezinsmensen van de graaf, in dienstbare toestand. Na overleg gaf de proost zijn huwbare nichten, die hij in zijn huis had opgevoed, ten huwelijk aan vrije ridders, zodat hij en de zijnen langs die weg als het ware tot de wereldlijke vrijheid zouden komen. … Want wie als vrij man, volgens het recht van de graaf, een onvrije vrouw tot echtgenote nam en haar hield, was niet langer vrij maar kreeg dezelfde toestand als zijn vrouw.
… nam et ipsi de comitis pertinentia erant conditione servili.
Onvrijheid ging dus over op de kinderen, en wie met een onvrije vrouw trouwde, kon zelf onvrij worden. Volgens Galbert had de graaf die onvrijheid lang laten sluimeren voor hij ze weer opeiste (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), par. 7). Hoeveel mensen in Vlaanderen onvrij waren, weten we uit deze bron niet.
Stadsrechten in een keure
Een stad kon van haar heer een keure krijgen: een oorkonde met stadsrechten, de rechten en vrijheden die voor de inwoners van die stad golden. De keure van Saint-Omer uit 1127 is daar een vroeg Vlaams voorbeeld van. Graaf Willem Clito verklaart er onder meer:
Historische bron
Allen die binnen de muur van Saint-Omer wonen en daar voortaan zullen wonen, verklaar ik vrij van cavagium, dat wil zeggen van hoofdcijns. … En zoals de betere en vrijere burgers van Vlaanderen wil ik hen voortaan vrij van alle heffingen: geen ‘scoth’, geen ‘talia’ en geen vordering van hun geld eis ik van hen.
Omnes qui infra murum Sancti Audomari habitant et deinceps sunt habituri, liberos a cavagio hoc est a capitali censu … constituo.
Het hoofdgeld (cavagium) was een heffing per persoon. Wie binnen de muur woonde, was daarvan vrij, ook wie er later kwam wonen. De keure spreekt van ‘de betere en vrijere burgers van Vlaanderen’: zulke vrije burgers hadden rechten die anderen niet hadden (Keure van Saint-Omer 1127 (ed. Giry 1877), art. 9, 13). In Gent heetten de vrije inwoners van de stad samen de poorterij; zij zaten vanaf 1301 naast de gilden in het stadsbestuur (Stad Gent, geschiedenis).
Uitbreiding De keure van Saint-Omer: wat de graaf beloofde
Graaf Willem Clito gaf de keure in april 1127. Hij was net graaf geworden na de moord op Karel de Goede. De uitgever, Arthur Giry, dateert de tekst op 14 april 1127; de slotformule noemt een donderdag in april, het feest van de heiligen Tiburtius en Valerianus (Keure van Saint-Omer 1127 (ed. Giry 1877)). Enkele artikels in het kort:
Artikel 1: rechtspraak door de schepenen. De graaf belooft dat de burgers ‘recht krijgen door het juiste oordeel van de schepenen, tegenover iedereen en tegenover mijzelf’ (Keure van Saint-Omer 1127 (ed. Giry 1877), art. 1). Schepenen waren burgers die in de stad recht spraken. Opvallend: ook tegenover de graaf zelf.
Artikel 3: kerkelijke zaken in de eigen stad. Wie over een kerkelijke zaak wordt aangesproken, hoeft de stad niet te verlaten. Hij verantwoordt zich in Saint-Omer voor de bisschop, de aartsdiaken of zijn priester (Keure van Saint-Omer 1127 (ed. Giry 1877), art. 3).
Artikel 5 en 14: de gilde. Tolvrijheid in heel Vlaanderen voor wie bij de gilde hoort, en de opbrengst van de munt voor het onderhoud van de gilde (zie hoger).
Artikel 9 en 13: vrij van heffingen. Geen hoofdgeld voor wie binnen de muur woont, geen ‘scoth’ of ‘talia’, geen vordering van hun geld.
Artikel 18: gemeenschappelijke grond. De burgers mogen hun vee laten grazen in het bos van Lo en op het moeras en de heide (Keure van Saint-Omer 1127 (ed. Giry 1877), art. 18). Ook een stad had haar platteland nodig.
Een goede vraag voor de klas: voor wie gelden deze rechten? Telkens voor wie binnen de muur woont, of voor wie bij de gilde hoort. Wie daarbuiten woonde, had ze niet.
Wat deze keure niet zegt: geen extra leerlingdoel
In boeken lees je soms dat ‘stadslucht vrij maakt’: wie een jaar en een dag in een stad woonde, zou vrij worden. In de keure van Saint-Omer staat zo’n regel niet (Keure van Saint-Omer 1127 (ed. Giry 1877)). Voor Brugge en Gent hebben we zo’n regel voor dit artikel ook niet in een bron uit de tijd teruggevonden. Gebruik de uitspraak daarom niet voor onze steden.
Kloosters en abdijen
Kloosters en abdijen waren gemeenschappen van mensen die omwille van hun geloof samen leefden en werkten, volgens een vaste regel. Een abdij is een klooster met een abt aan het hoofd. Ze speelden een grote rol in de middeleeuwse samenleving, ook buiten hun muren: een van de bronnen in dit artikel, de kroniek over de pest in Doornik, is geschreven door de abt van de Sint-Maartensabdij in die stad (Li Muisis, Annales (ed. Lemaître 1906)).
Bidden en werken
Veel kloosters leefden volgens de regel die Benedictus van Nursia in de 6de eeuw schreef. Ook paus Eugenius III verwijst ernaar in zijn brief aan Hildegard van Bingen (zie verderop) (Hildegard, Opera (PL 197, Migne 1855), kol. 145–146). De monnik, een man die in zo’n gemeenschap leefde, verdeelde zijn dag tussen gebed, werk en lezing. Hoofdstuk 48 van de regel zegt waarom:
Historische bron
Luiheid is een vijand van de ziel; daarom moeten de broeders op vaste tijden met handenarbeid bezig zijn en op vaste uren met goddelijke lezing. … Want dan zijn ze pas echt monniken, als ze leven van het werk van hun handen, zoals onze vaders en de apostelen.
Otiositas inimica est animae …
Een klooster was ook een plaats waar je aanklopte. De regel bepaalt dat ‘alle gasten die aankomen, ontvangen moeten worden als Christus’ (Regula Benedicti (Latin Library), hoofdstuk 53). En wie in het klooster een ambacht beheerste, mocht dat uitoefenen ‘met alle nederigheid’, als de abt het toestond (Regula Benedicti (Latin Library), hoofdstuk 57).
Kloosters en het bewaren van kennis: geen extra leerlingdoel
Op.stap legt bij dit onderwerp de nadruk op het klooster als plaats waar kennis bewaard en doorgegeven werd, met de bibliotheek, het scriptorium (de schrijfzaal), de kopiist en de miniatuur. Voor dat deel hebben we nog geen bron gevonden die beschrijft hoe het werk in een kloosterscriptorium verliep. De regel van Benedictus spreekt wel van ‘goddelijke lezing’, maar in de tekst die we gebruikten, staat het woord ‘bibliotheek’ niet (Regula Benedicti (Latin Library)). Dit onderdeel wordt later aangevuld.
Monniken, nonnen en de clerus
Op.stap spreekt van de monnik en de non: mannen en vrouwen die hun leven in een klooster aan God wijdden. Ook vrouwen leefden zo samen, onder leiding van een overste; de brief van de paus aan Hildegard noemt haar ‘overste’ en spreekt van haar ‘zusters’, die volgens de regel van Benedictus ‘binnen de omheining’ moesten leven (Hildegard, Opera (PL 197, Migne 1855), kol. 145–146).
Met de clerus bedoelen we de geestelijkheid: de mensen die een ambt in de kerk hadden, zoals priesters, bisschoppen en de leden van een kapittel. In de bronnen van dit artikel komen ze geregeld voor: de proost van de Sint-Donaaskerk bij Galbert, de bisschop en de aartsdiaken in de keure van Saint-Omer, de paus bij Hildegard, en in Doornik ‘de deken, het kapittel en de hele geestelijkheid’ (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), par. 7) (Keure van Saint-Omer 1127 (ed. Giry 1877), art. 3) (Li Muisis, Annales (ed. Lemaître 1906), p. 255). Dat de clerus macht had en daar soms voordeel uit haalde, schrijft Li Muisis zelf: zie bij de pest.
Geloof in het dagelijks leven
Het christendom, het geloof in Jezus Christus en de kerk die het droeg, bepaalde in de middeleeuwen het leven van bijna iedereen in West-Europa. Dat zie je ook in bronnen die niet over godsdienst gaan. Galbert ziet de hongersnood als een straf van God (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), par. 2). De regel van Benedictus vraagt gasten te ontvangen ‘als Christus’ (Regula Benedicti (Latin Library), hoofdstuk 53). Leenmannen zweerden hun trouw op relieken van heiligen (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), par. 56). In Doornik verbood het stadsbestuur in 1349 om op zaterdag na de none, een van de vaste gebedsuren, te werken of handel te drijven, en om op zondag iets anders te verkopen dan voedsel (Li Muisis, Annales (ed. Lemaître 1906), p. 256). En toen de pest woedde, stroomden edelen, geestelijken en gewone mensen samen bij de relieken van Sint-Sebastiaan in een klooster, volgens de uitgever dat van Hasnon (Li Muisis, Annales (ed. Lemaître 1906), p. 258).
Begijnen
Niet alle vrouwen die hun leven aan God wilden wijden, gingen in een klooster. Begijnen waren ongehuwde vrouwen of weduwen die een godsdienstig leven leidden zonder zich uit de wereld terug te trekken. In de 13de eeuw stichtten ze begijnhoven: ommuurde gemeenschappen met huizen, een kerk en groen, vaak in of bij een stad. Dertien Vlaamse begijnhoven staan sinds 1998 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO (UNESCO, Vlaamse begijnhoven). Zo organiseerden vrouwen zich vanuit hun geloof in gemeenschappen in de steden.
Wat over de begijnen nog ontbreekt: geen extra leerlingdoel
Over de begijnen hebben we voor dit artikel alleen de omschrijving van UNESCO gebruikt. Bronnen uit de tijd zelf bestaan wel: een levensbeschrijving door Jacques de Vitry, pauselijke besluiten uit het begin van de 14de eeuw en een verzoekschrift van een Vlaamse graaf. We hebben ze nog niet kunnen lezen. Wie de begijnhoven stichtte en hoeveel begijnen er waren, staat daarom niet in dit artikel. De sociale positie van begijnen en hun verhouding tot de kerkelijke leiding wordt later uitgewerkt.
Hildegard van Bingen
Hildegard van Bingen leidde in de 12de eeuw een gemeenschap van religieuze vrouwen. Ze schreef visioenen op, wisselde brieven met de paus en werd ver buiten haar klooster bekend. Dat weten we vooral uit haar eigen teksten en uit de brieven die aan haar geschreven werden.
Een licht uit de hemel
In de voorrede van haar boek Scivias (‘Ken de wegen’) vertelt Hildegard zelf hoe het begon:
Historische bron
In het jaar 1141 na de menswording van de Zoon van God, Jezus Christus, toen ik tweeënveertig jaar en zeven maanden oud was, kwam een vurig licht van grote glans uit de open hemel en doordrong mijn hele brein; en het stak mijn hele hart en mijn hele borst aan als een vlam die niet brandt maar warm maakt, zoals de zon iets verwarmt waarop ze haar stralen werpt.
… velut flamma non tamen ardens, sed calens …
Als Hildegard in 1141 tweeënveertig was, moet ze rond 1098 geboren zijn. Dat rekenen we uit haar eigen woorden uit. Ze legt ook uit hoe ze haar visioenen ontving: ‘niet in dromen, niet slapend, niet in waanzin’, maar wakker, ‘met de ogen en oren van de innerlijke mens’ (Hildegard, Opera (PL 197, Migne 1855), kol. 384). En ze zegt wat ze niet geleerd had: na dat licht begreep ze plotseling de betekenis van de psalmen en de evangeliën, maar ze kende ‘de betekenis van de woorden van de tekst niet, noch de verdeling van de lettergrepen, noch naamvallen of tijden’ (Hildegard, Opera (PL 197, Migne 1855), kol. 384).
“Kon Hildegard Latijn?”
Kort antwoord voor kinderen
Ze schrijft zelf dat ze de Bijbel plots begreep, maar dat ze de grammatica nooit geleerd had: hoe je woorden verbuigt of in lettergrepen verdeelt. Ze zegt dus: wat ik weet, heb ik niet van school, maar van God.
Nuance voor de leerkracht
Dat is hoe Hildegard het zelf voorstelt (Hildegard, Opera (PL 197, Migne 1855), kol. 384). Wie haar teksten precies opschreef of verbeterde, staat niet in deze passage. Een mooie vraag voor de klas: waarom zou iemand zeggen dat ze iets níét geleerd heeft?
Een brief van de paus
Hoe bekend Hildegard werd, blijkt uit een brief van paus Eugenius III. Hij schrijft haar aan als ‘overste op de berg van de heilige Robertus’, de Rupertsberg, waar haar gemeenschap woonde:
Historische bron
Eugenius, dienaar van de dienaren van God, aan de in de Heer geliefde dochter Hildegard, overste op de berg van de heilige Robertus, heil en apostolische zegen. Wij verwonderen ons, dochter, meer dan men kan geloven, dat God in onze tijd nieuwe wonderen toont en u zo met zijn geest heeft doortrokken dat u naar men zegt vele geheimen ziet, begrijpt en uitspreekt. … dat geschiede met onze toestemming en zegen en die van uw bisschop, zodat u daar regelmatig met uw zusters leeft volgens de regel van de heilige Benedictus, binnen de omheining van die plaats.
Miramur, o filia, et supra id quod credi potest, miramur …
De paus had over haar visioenen gehoord (‘naar men zegt’), en hij laat haar met haar zusters op de Rupertsberg leven, onder de regel van Benedictus en met de toestemming van de bisschop (Hildegard, Opera (PL 197, Migne 1855), kol. 145–146). In haar antwoord noemt Hildegard zichzelf heel nederig:
Historische bron
O milde vader, ik, een arm vrouwtje, heb u dit geschreven in een waar visioen, in mystieke ademing, zoals God mij wilde leren.
O mitis Pater, ego paupercula femina scripsi tibi haec in vera visione …
Een ‘arm vrouwtje’ dat de paus schrijft wat God haar laat zien: in dezelfde brief waarschuwt ze hem met beelden voor zijn taak (Hildegard, Opera (PL 197, Migne 1855), kol. 147–148). Zo kun je Hildegard bekijken als gelovige, die haar visioenen als een opdracht van God zag, en als een vrouw met invloed: ze schreef met de hoogste leider van de kerk, en die nam haar ernstig. Dat ze in 1179 overleed, in haar 82ste levensjaar, staat in een commentaar van de 17de-eeuwse uitgevers van haar werk, die zich baseren op een kroniek van rond 1500. Dat jaar is dus minder zeker dan haar eigen woorden (Hildegard, Opera (PL 197, Migne 1855)).
Hildegard als kunstenares?: geen extra leerlingdoel
Op.stap stelt voor Hildegard ook als kunstenares te benaderen. Over haar muziek en de afbeeldingen bij haar visioenen hebben we voor dit artikel nog geen bron geopend, en daarom beweren we er hier niets over. Ook etiketten zoals ‘de eerste Duitse natuurkundige’ nemen we niet over. Wat de bronnen wel tonen, is genoeg voor een gesprek over de sociale rol van vrouwen: vergelijk Hildegard met Cornelia bij de Romeinen. Allebei zijn het vrouwen over wie we vooral iets weten omdat hun woorden of brieven bewaard bleven.
De pest
Ziekten waren in de middeleeuwen een voortdurende dreiging. Eén ziekte trof in het midden van de 14de eeuw heel Europa: de pest, die we ook de Zwarte Dood noemen. In onze streken beschreef een abt uit Doornik hoe ze daar in 1349 toesloeg.
Doornik in 1349
Gilles li Muisis was abt van de Sint-Maartensabdij in Doornik. In zijn jaarboeken, de Annales, schrijft hij over het jaar 1349 (Li Muisis, Annales (ed. Lemaître 1906)). Volgens hem begon de sterfte in één straat en breidde ze zich van daaruit uit:
Historische bron
… maar na het feest van de heilige Johannes begon in de parochie Sint-Piat, in de straat Merdenchon, de sterfte en daarna in de andere parochies, zodat elke dag lijken van overledenen naar de kerken werden gebracht, soms vijf, soms tien, soms vijftien, en in de Sint-Brixiuskerk soms twintig of dertig.
… in parrochia Sancti Piati, in vico de Merdenchon, incepit mortalitas …
Li Muisis zag ook waar de ziekte het hardst toesloeg. In smalle straten stierven meer mensen dan in brede, en wie zieken bezocht, werd vaak zelf ziek (Li Muisis, Annales (ed. Lemaître 1906), p. 257–258). Hij beschreef wat hij zag. Het past bij wat Op.stap bij dit onderwerp aangeeft: de pest verspreidde zich in dichtbevolkte gebieden (KOV Op.stap 1.3). Over waar de ziekte vandaan kwam, schrijft hij alleen wat hij hoorde: dat ze ‘in het Oosten begonnen was’ (Li Muisis, Annales (ed. Lemaître 1906), p. 257).
Het stadsbestuur greep in, en Li Muisis neemt geen blad voor de mond over de geestelijkheid, waartoe hij zelf behoorde:
Historische bron
De bestuurders van de stad zagen dat de deken, het kapittel en de hele geestelijkheid niets deden om het te verhelpen, omdat het hun belang was en ze er voordeel van hadden; na overleg maakten ze regels … Dat de graven zes voet diep zijn … en dat in elke parochie altijd drie graven klaarliggen … Dat niemand zwart draagt behalve vader, broer, echtgenoot of kinderen, en dat er geen maaltijd komt van meer dan tien schotels.
Gubernatores civitatis, videntes quod decanus, et capitulum, et clerus totus, de remedio apponendo non curabant …
Later, op 21 september, verbood de stad alle rouwkleding en het luiden van de klokken voor overledenen (Li Muisis, Annales (ed. Lemaître 1906), p. 256).
Uitbreiding Hoeveel doden? Li Muisis rekent
Rond Kerstmis 1349 schreef Li Muisis een getal op:
Historische bron
En de toekomstige lezers moeten weten dat in Doornik een verbazingwekkende sterfte was: ik heb rond Kerstmis van velen, die zeiden het voor zeker te weten, gehoord dat meer dan vijfentwintigduizend mensen in Doornik waren gestorven. … En als in een huis een of twee personen stierven, stierven de anderen kort daarna, zodat vaak tien of meer uit één huis hun leven eindigden … Zo was geen rijke, middelmatige of arme veilig, maar wachtte iedereen elke dag op de wil van de Heer.
… quia audivi a pluribus … quod plus quam viginti quinque mille persone decesserant in Tornaco.
Lees het getal met zorg. Li Muisis telde niet zelf: hij heeft het ‘van velen gehoord’, die ‘zeiden het zeker te weten’. Het is dus een gerucht dat hij opschrijft, geen telling.
Kijk ook naar de laatste zin. Een bladzijde eerder schreef hij nog dat rijke mensen die wijn dronken en zieken meden, nauwelijks stierven. Hier zegt hij dat ‘geen rijke, middelmatige of arme veilig was’ (Li Muisis, Annales (ed. Lemaître 1906), p. 257–258). Hij spreekt zichzelf tegen. Dat maakt hem niet onbetrouwbaar: hij schreef op wat hij zag en hoorde, terwijl het gebeurde.
Toen de sterfte na Allerheiligen afnam, hield ook de grote toeloop naar de relieken van Sint-Sebastiaan op (Li Muisis, Annales (ed. Lemaître 1906), p. 258).
“Was je veilig als je rijk was?”
Kort antwoord voor kinderen
De abt van Doornik dacht eerst van wel: rijke mensen die zieken uit de weg gingen, stierven minder. Maar even later schreef hij dat niemand veilig was, rijk of arm. Hij wist het zelf niet zeker.
Nuance voor de leerkracht
Li Muisis spreekt zichzelf tegen op twee bladzijden na elkaar (Li Muisis, Annales (ed. Lemaître 1906), p. 257–258). Een goede oefening: laat leerlingen de twee zinnen naast elkaar leggen en bedenken waarom iemand die midden in een ramp schrijft, zoiets doet.
Hoe zwaar trof de pest onze streken?
Lang dachten historici dat de Zuidelijke Nederlanden er relatief goed vanaf kwamen. Joris Roosen en Daniel Curtis menen dat dat niet klopt. Zij besluiten dat de Zwarte Dood hier ongeveer even hard toesloeg als in andere delen van West-Europa, waar vaak minstens dertig procent van de mensen stierf, en dat zowel in de steden als op het platteland. In Brugge stierf volgens hun berekening ongeveer 31 procent van de mensen die een lijfrente ontvingen, in 1349–1350, en in het Potterie-hospitaal ongeveer 35 procent van het personeel. In Gent lag de sterfte tussen 1349 en 1352 hoger dan normaal (Roosen en Curtis 2019). Het zijn schattingen, op basis van de schaarse cijfers die bewaard zijn.
De pest en de handelswegen: geen extra leerlingdoel
Op.stap legt het verband tussen de pest, dichtbevolkte gebieden en handelswegen. Voor de dichtbevolkte buurten geeft Li Muisis zelf een aanwijzing: in smalle straten stierven meer mensen (Li Muisis, Annales (ed. Lemaître 1906), p. 257–258). Hoe de pest langs de handelswegen naar onze streken kwam, hebben we voor dit artikel nog niet met een bron uit de tijd of een wetenschappelijke studie kunnen staven. Li Muisis weet alleen van horen zeggen dat ze ‘in het Oosten’ begon. Ook de oorzaak van de ziekte laten we hier buiten beschouwing. Dit deel wordt aangevuld bij handel over lange afstanden.
Heren, leen en rechtspraak
In de middeleeuwen was macht vaak een persoonlijke band tussen een heer en zijn man. Wie land of een ambt van een heer kreeg, beloofde hem trouw.
Hulde aan de graaf
Een leenheer was een heer die goederen of ambten ‘in leen’ gaf: hij liet iemand anders ze gebruiken, in ruil voor trouw en dienst. Die ander werd zijn man, zijn leenman. Hoe dat in zijn werk ging, beschrijft Galbert. In april 1127 brachten de Vlaamse edelen hulde aan de nieuwe graaf, Willem Clito:
Historische bron
Op de zevende dag voor de iden van april, een donderdag, werd opnieuw hulde aan de graaf gebracht, volgens deze orde van trouw en veiligheid. Eerst brachten ze hulde zo: de graaf vroeg of hij zonder voorbehoud zijn man wilde worden, en die antwoordde: ‘Ik wil’, en met gevouwen handen, omvat door de handen van de graaf, verbonden ze zich met een kus. Ten tweede gaf wie hulde had gebracht zijn woord aan de woordvoerder van de graaf met de woorden: ‘Ik beloof op mijn trouw voortaan trouw te zijn aan graaf Willem en hem mijn hulde volledig te houden tegen allen, in goede trouw en zonder bedrog’; en hetzelfde zwoer hij ten derde op de relieken van de heiligen. Daarna gaf de graaf met een staafje, dat hij in de hand hield, de investituur aan allen die op deze wijze veiligheid, hulde en eed hadden gedaan.
… comes requisivit, si integre vellet homo suus fieri, et ille respondit: Volo …
Drie stappen dus: de handen in die van de graaf, een eed, en een eed op de relieken. Daarna gaf de graaf met een staafje het leen. Wie al een leen van Karel de Goede had, kreeg zijn lenen en ambten terug (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), par. 56). Wie zo hulde brachten, waren de edelen, de adel: families van ridders en heren met land, macht en aanzien.
Zulke banden bleven lang bestaan. Nog in 1356 riep een vorst de Brabantse ridders naar Kortenberg om hem ‘hulde te brengen voor de goederen die zij van de hertog in leen hielden’ (Damen 2012, p. 30–31).
Een leenband is geen feodalisme-schema: geen extra leerlingdoel
Op.stap noemt bij dit onderwerp ook het woord feodalisme. Voor dat begrip als geheel hebben we nog geen bron gelezen, en daarom tonen we hier liever één echte hulde, zoals Galbert ze beschrijft. Zo zien leerlingen wat een leenband concreet inhield: handen, een eed, relieken en een staafje.
Recht spreken
Rechtspraak is het beslechten van geschillen en het straffen van wie de regels overtreedt, door iemand die daartoe het gezag heeft. In de middeleeuwen hing het ervan af wie je was en waar je woonde, welke rechter over je oordeelde. In Saint-Omer spraken de schepenen recht, ‘tegenover iedereen en tegenover’ de graaf zelf (Keure van Saint-Omer 1127 (ed. Giry 1877), art. 1). Voor kerkelijke zaken was er de bisschop of de aartsdiaken (Keure van Saint-Omer 1127 (ed. Giry 1877), art. 3). In Galberts verhaal bepaalt ‘het recht van de graaf’ wie vrij is en wie niet (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), par. 7). Wie je was, bepaalde dus mee welk recht voor je gold.
De Keure van Kortenberg
In september 1312 gaf hertog Jan II van Brabant een oorkonde die we de Keure van Kortenberg noemen (Charter van Cortenberg (ed. David 1842)). Hij belooft er onder meer om geen nieuwe heffingen, ‘beden’, te vragen, behalve bij een ridderslag, een huwelijk of een gevangenschap (art. I). Hij stelt een raad in van vier ridders en tien goede lieden uit de steden Leuven, Brussel, Antwerpen, ’s-Hertogenbosch, Tienen en ‘Leuwe’, die om de drie weken in Kortenberg samenkomt om klachten te horen en te herstellen (art. IV) (Charter van Cortenberg (ed. David 1842), art. I, IV). En hij belooft de rechten van de steden te eerbiedigen:
Historische bron
Voorts zullen wij, onze erfgenamen en onze opvolgers alle onze vrije steden houden in hun vrijheden en rechten die ze van oudsher hebben, en de goede lieden van de steden houden en behandelen volgens de gewoonte van elke stad in alle dingen, en daarbovenop niets doen of laten doen op enige manier.
Vort selen wij, onse hoyr, en onse nacomelinghe alle onse vrie staden houden in haerre vriheiden en rechte die si harebracht hebben …
De keure werd mee bezegeld door 42 ridders, 16 knapen, twaalf steden en zes vrijheden, kleinere plaatsen met eigen rechten (Damen 2012, p. 40–42). Zo bonden niet alleen de hertog, maar ook de adel en de steden zich aan de tekst.
Ook hier zie je machtsverhoudingen en ongelijkheid. De keure beperkt de macht van de hertog, maar in de raad zitten alleen ridders en mannen uit zes steden. Boeren, vrouwen en kleinere plaatsen komen er niet in voor (Charter van Cortenberg (ed. David 1842), art. IV).
Uitbreiding Wat als de hertog zich niet aan de keure hield?
Het zevende artikel is het opvallendste. De hertog bepaalt zelf wat er gebeurt als hij of zijn opvolgers de afspraken van de raad breken:
Historische bron
En zou het gebeuren dat de ridders en goede lieden te Kortenberg iets zouden maken, bedenken of ordenen, en wij of onze opvolgers of iemand anders dat zouden breken of niet willen houden, dan stemmen wij daarmee in en willen wij, voor ons en onze opvolgers, dat men in ons land geen vonnis zal uitspreken en geen dienst zal doen, totdat men die dingen houdt en laat gebeuren zoals gezegd.
… dat men binnen onsen lande engheen vonnesse segghen sal, noch dienst doen en sal …
Als de hertog zich niet aan de afspraken houdt, mogen zijn onderdanen dus weigeren hem te dienen, en wordt er geen recht gesproken. De hertog bindt zichzelf.
De tekst eindigt met een datum op middeleeuwse wijze: geschreven ‘in het jaar van de menswording van onze Heer, 1312, in de maand september, op woensdag voor Sint-Baafsdag’ (Charter van Cortenberg (ed. David 1842), slotformule). Daaruit rekent men 27 september 1312 uit (VRT 2012, Kortenberg). Zulke dateringen naar heiligenfeesten kom je in middeleeuwse bronnen vaak tegen; zie ook tijd en chronologie.
Laat leerlingen gerust een stukje Middelnederlands hardop lezen. Veel woorden herkennen ze: lande, vonnesse, ridderen, Cortemberghe. De Middelnederlandse tekst volgt de uitgave van J. B. David uit 1842, naar het perkament in het Leuvense stadsarchief (Charter van Cortenberg (ed. David 1842)).
“Mocht iedereen in de raad van Kortenberg zitten?”
Kort antwoord voor kinderen
Nee. De hertog koos vier ridders en tien mannen uit zes steden. Boeren, vrouwen en mensen uit kleine dorpen zaten er niet in.
Nuance voor de leerkracht
Zo staat het in artikel IV van de keure zelf (Charter van Cortenberg (ed. David 1842), art. IV). ‘Rechten voor iedereen’, zoals je soms leest, is dus niet wat de tekst zegt. Wel moest ook de hertog zich aan de afspraken houden.
De Bourgondiërs
Vlaanderen en Brabant waren in de middeleeuwen vorstendommen: gebieden met een eigen vorst, een graaf in Vlaanderen en een hertog in Brabant, en met hun eigen rechten en gewoonten. In de 15de eeuw regeerden de Bourgondiërs, de hertogen van Bourgondië, over veel van die vorstendommen tegelijk (Jongkees 1980, p. 316–319). Vanaf 1384 gebruikte de hertog van Bourgondië het Gravensteen in Gent als verblijf van de graaf van Vlaanderen, met een schrijfkamer en een munt; vanaf 1407 zetelde daar de Raad van Vlaanderen (Stad Gent, geschiedenis).
Elk vorstendom had zijn Staten, een vergadering waarin onder meer de adel en de steden vertegenwoordigd waren (Damen 2012). De Bourgondische hertogen regeerden over al die gebieden samen, maar moesten met elk ervan apart rekening houden.
Het Parlement van Mechelen
Begin december 1473 stichtte hertog Karel de Stoute in Mechelen een hoogste gerechtshof voor al zijn gebieden ‘van hierheen’, het Parlement. Rechtspraak noemde hij daarbij volgens historicus A. G. Jongkees ‘de ziel en de geest van het gemenebest’. Zo’n centraal hof tastte de rechtspraak van de steden en de heren aan (Jongkees 1980, p. 318–319). Hier botst een vorst die zijn macht wil samenbrengen met steden die hun eigen rechten verdedigen, zoals Brabant in 1312 met de Keure van Kortenberg.
Het Groot Privilege van 1477
Karel de Stoute stierf op 5 januari 1477. Volgens Jongkees eisten de Staten van de verschillende vorstendommen daarna vrijwel eensgezind dat de lasten verlicht werden, dat ambtenaren van buiten het gewest vertrokken, dat men terugkeerde naar ‘het goede oude tijdperk van hertog Filips’, dat hun privileges gerespecteerd werden en dat het Parlement van Mechelen verdween. Op 11 februari 1477 kregen de Staten, die in Gent bijeenkwamen, het Groot Privilege van Maria van Bourgondië. Het was het eerste privilege dat zich tot alle Nederlanden samen richtte. Holland en Zeeland kregen op 14 maart nog hun eigen privilege, drie keer zo lang (Jongkees 1980, p. 316–317). De naam ‘Groot Privilege’ is volgens Jongkees pas sinds 1875 gebruikelijk (Jongkees 1980, p. 317, noot 2).
Ook de jaren daarna bleven onrustig. Olivier de La Marche, een hoveling van de Bourgondische hertogen, schreef in zijn herinneringen:
Historische bron
Koning Lodewijk zette de oorlog steeds verder voort; en het land bleek zo verdeeld dat deze edele vorst zeer vermoeid en bezig was met het bedaren van de steden en de volkeren, die in beroering waren omwille van hun privileges, die ze vernieuwd wilden zien, en met nieuwe artikelen, en alles in hun voordeel.
… tant d’apaisier les villes et les peuples esmeus à cause de leurs previleges qu’ilz voulurent avoir renouveliez …
Wie is ‘deze edele vorst’? La Marche noemt Maria in dezelfde passage ‘aartshertogin van Oostenrijk’ en spreekt even verder van ‘deze jonge edele prins’; waarschijnlijk bedoelt hij Maximiliaan van Oostenrijk. Dat is een lezing van de context, geen naam die in de zin staat (La Marche, Mémoires (ed. Beaune en d'Arbaumont 1883), deel 1, p. 158). Let ook op de toon: voor de hoveling zijn de steden lastig en uit op hun eigen voordeel. Voor de steden ging het om rechten die ze al eeuwen hadden, zoals Saint-Omer in 1127 en de Brabantse steden in 1312.
Wat over de Bourgondiërs nog ontbreekt: geen extra leerlingdoel
Dit hoofdstuk toont de Bourgondiërs vooral vanuit de verhouding tussen vorst en steden. Over Filips de Goede, de Orde van het Gulden Vlies, het hofleven en de kunst aan het Bourgondische hof hebben we voor dit artikel nog geen bronnen gelezen. Ook hoe de Bourgondiërs hun gebieden precies verwierven, staat er niet in. Het verhaal loopt verder bij Karel V, in het artikel over Europa in de vroegmoderne tijd.
Wat we weten en wat onzeker is
- Zeker: de hongersnood van 1124–1125 en de moord op Karel de Goede in 1127 (Galbert was ooggetuige), de keure van Saint-Omer van 1127, de hulde aan Willem Clito, de tekst van de Keure van Kortenberg van 1312, de pest in Doornik in 1349, het Groot Privilege van 1477. Dat zijn gegevens uit bronnen van de tijd zelf of uit wetenschappelijke studies daarover, met de beperkingen die bij zulke bronnen horen.
- Onderwerp van onderzoek: hoe zwaar de pest onze streken trof (de cijfers zijn schattingen), hoe de keure van Kortenberg in haar eigen tijd gezien werd, en de juiste dag van een aantal oorkonden.
- Voorzichtig mee omgaan: getallen die een tijdgenoot van horen zeggen heeft (de 25 000 doden in Doornik), de bewondering van Galbert voor zijn graaf, de toon van een hoveling over de steden, en etiketten van later, zoals ‘de eerste grondwet van Europa’. Ook de geboorte- en sterfjaren van Hildegard zijn afleidingen.
- Bronnen van elders: het drieslagstelsel komt hier uit een Engelse bron en de gilderegels uit Parijs. Ze tonen hoe het kon gaan, niet hoe het in Vlaanderen ging.
- Nog niet onderzocht: de agrarische (r)evolutie, het werk in een kloosterscriptorium, de heiligendagen, bronnen uit de tijd over de begijnen, Hildegard als kunstenares, de verspreiding van de pest langs handelswegen, het begrip feodalisme en het Bourgondische hof. Die onderdelen worden later aangevuld; tot dan beweren we er niets over.
- Over de teksten: de Latijnse, Middelnederlandse en Oudfranse passages komen uit oude uitgaven die we als gedigitaliseerde tekst lazen. Ze worden nog met de gedrukte bladzijde vergeleken.
Kaarten
Plattegrond van Brugge, naar een ontwerp van Marcus Gerards · Marcus Gerards (Marcus Gheeraerts de Oudere), 1562
Brugge zoals het er in 1562 uitzag, na de grootste bloei van de handel. De stadsmuur en de grachten tonen nog de middeleeuwse stad.
Sluit aan bij Brugge als handelsstad (Op.stap 5.1.GL3.8). Het is een kaart uit de 16de eeuw, geen middeleeuwse kaart: zo noemen. Op de originele kaart staan 'koeien', 'zwanen' en 'visser' als figuren in de randen (zie Commons).
Verbanden
- Overzicht periode-middeleeuwennog niet geschreven
- Begrip Bron en bewijs
- Voortwerking Europa in de vroegmoderne tijd
- Begrip staatsvormingnog niet geschreven
- Verdieping democratie-en-rechtsstaatnog niet geschreven
- Verwijst hierheen De Arabische wereld in de middeleeuwen
- Verwijst hierheen Bron en bewijs
- Verwijst hierheen Contacten tussen samenlevingen in de middeleeuwen
- Verwijst hierheen Europa in de vroegmoderne tijd
- Verwijst hierheen Handel over lange afstanden
- Verwijst hierheen Irrigatielandbouw
Bronnen en verdieping
Historische bronnen
- Walter van Henley (13de eeuw), Elizabeth Lamond (uitgave en vertaling, 1890), W. Cunningham (inleiding) (1890). Walter of Henley's Husbandry, together with an anonymous Husbandry, Seneschaucie, and Robert Grosseteste's Rules (Anglo-Normandische tekst met Engelse vertaling).
- Galbert van Brugge (notaris), Henri Pirenne (uitgever, 1891) (1891). Histoire du meurtre de Charles le Bon, comte de Flandre (1127-1128) (Latijnse tekst van Galbert van Brugge, uitg. Henri Pirenne).
- Willem Clito, graaf van Vlaanderen (1127), Arthur Giry (uitgever, 1877) (1877). Privilèges et franchises concédés à la ville de Saint-Omer par Guillaume, comte des Flamands (14 april 1127), in: Histoire de la ville de Saint-Omer et de ses institutions jusqu'au XIVe siècle, pièces justificatives, nr. III.
- Étienne Boileau (provoost van Parijs), René de Lespinasse en François Bonnardot (uitgevers, 1879) (1879). Les métiers et corporations de la ville de Paris, XIIIe siècle: Le livre des métiers d'Étienne Boileau (uitg. R. de Lespinasse en F. Bonnardot).
- Benedictus van Nursia (6de eeuw) (6de eeuw). Regula Benedicti (Latijnse tekst, hoofdstuk 4, 48, 53, 57).
- Hildegard van Bingen (1098-1179), Jacques-Paul Migne (uitgever, 1855) (1855). Sanctae Hildegardis abbatissae opera omnia (Scivias, Epistolae, Vita), Patrologia Latina 197.
- Gilles li Muisis (abt van Sint-Maartens, Doornik), Henri Lemaître (uitgever, 1906) (1906). Chronique et annales de Gilles le Muisit, abbé de Saint-Martin de Tournai (1272-1352) (Latijnse tekst, uitg. Henri Lemaître).
- Hertog Jan II van Brabant (uitvaardiger), Jan Baptist David (uitgever, overleden 1866) (1842). Het Charter van Cortenberg (1312), uitgegeven met inleiding en noten door Jan Baptist David, De Middelaer, deel 2 (1842), p. 539-550.
- Olivier de La Marche (circa 1425-1502), Henri Beaune en Jean d'Arbaumont (uitgevers, 1883) (1883). Mémoires d'Olivier de La Marche, maître d'hôtel et capitaine des gardes de Charles le Téméraire, deel 1 (uitg. H. Beaune en J. d'Arbaumont).
Geraadpleegde literatuur
- Agentschap Onroerend Erfgoed, Inventaris van het Onroerend Erfgoed (thema 17302). Brugge - oudste kern (thema).
- Stad Gent. Geschiedenis van Gent.
- UNESCO World Heritage Centre (1998). Flemish Béguinages (Werelderfgoed, dossier 855).
- Joris Roosen, Daniel R. Curtis (2019). The 'light touch' of the Black Death in the Southern Netherlands: an urban trick?. doi:10.1111/ehr.12667.
- Mario Damen (2012). Convocatie en representatie: de Staten van Brabant in de late middeleeuwen.
- Jos De Greef (2012). 700 jaar vrijheidscharter van Kortenberg.
- A. G. Jongkees (1980). Charles le Téméraire et la souveraineté: quelques considérations.
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
Nog geen aanbevolen verdieping geselecteerd.
Doelen
Op.stap
- 5.1.GL3.7 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: agrarische (r)evolutie, drieslagstelsel.De agrarische (r)evolutie wordt niet uitgelegd: geen bron gevonden die het begrip bespreekt en dateert. Het drieslagstelsel steunt alleen op een Engelse bron; een bron voor Vlaanderen (streek en tijd) ontbreekt. Verder in: Middeleeuwen (nog te schrijven).
- 5.1.GL3.8 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: gilde, ambachtslieden, handel, Brugge, Gent.De gezel wordt alleen genoemd, niet met een bron uitgelegd. De gilderegels komen uit Parijs; een Vlaamse ambachtskeure (Brugge of Gent) is nog niet gelezen. Handel over lange afstanden (Hanze) alleen kort. Verder in: Handel over lange afstanden.
- 5.1.GL3.9 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: rurale en stedelijke samenleving, machtsverhoudingen en ongelijkheid.Het woord ‘lijfeigene’ staat niet in de bron (Galbert spreekt van een dienstbare toestand). Stadsrechten alleen met het voorbeeld Saint-Omer; geen keure van Brugge of Gent. Geen cijfers over het aantal onvrije mensen. Verder in: Middeleeuwen (nog te schrijven).
- 5.1.GL3.13 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: kloosters en abdijen.Het bewaren en doorgeven van kennis, de bibliotheek, het scriptorium, de kopiist en de miniatuur worden niet uitgewerkt: geen bron gevonden over het werk in een kloosterscriptorium. De heiligendagen worden niet behandeld (geen bron). Verder in: Middeleeuwen (nog te schrijven), Erfgoed en herinnering (nog te schrijven).
- 5.1.GL3.14 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: christendom, kloosters en abdijen, begijnen.Begijnen steunen alleen op de UNESCO-omschrijving (nog te herlezen); geen bron uit de tijd, geen stichtingsgeschiedenis, geen sociale positie of verhouding tot de kerkelijke leiding. De heiligendagen worden niet behandeld. Verder in: Erfgoed en herinnering (nog te schrijven), Emancipatie (nog te schrijven).
- 5.1.GL3.16 3de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: de pest, ziekten.De verspreiding via handelswegen wordt niet uitgewerkt: geen bron gevonden; Li Muisis zegt alleen van horen zeggen dat de pest in het Oosten begon. Dichtbevolkte gebieden alleen via Li Muisis over smalle straten. De oorzaak van de ziekte wordt niet behandeld. Verder in: Handel over lange afstanden, Contacten tussen samenlevingen in de middeleeuwen.
- 5.1.GL4.7 4de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: Hildegard van Bingen.Hildegard als kunstenares (muziek, afbeeldingen) en als schrijfster over natuur en geneeskunde wordt niet behandeld: geen bron geopend. Geen volledige levensloop; geboorte- en sterfjaar zijn afleidingen. Verder in: Emancipatie (nog te schrijven), De Arabische wereld in de middeleeuwen.
- 5.1.GL4.10 4de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: rechtspraak, machtsverhoudingen en ongelijkheid, de keure van Kortenberg.Het begrip feodalisme als geheel wordt niet uitgelegd: geen bron over het begrip gelezen; alleen een concrete leenband. Hoeveel macht de raad van Kortenberg werkelijk had en hoe lang hij bestond, blijft open. Verder in: Bron en bewijs, Democratie en rechtsstaat door de tijd (nog te schrijven).
- 5.1.GL4.11 4de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen in Europa overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: de Bourgondiërs.Filips de Goede, de Orde van het Gulden Vlies, het hofleven en hoe de Bourgondiërs hun gebieden verwierven, worden niet behandeld: geen bron gelezen. Identiteit en integratie alleen via het eerste privilege voor alle Nederlanden. Verder in: Europa in de vroegmoderne tijd, Staatsvorming (nog te schrijven).
Minimumdoelen
- 5.1.3 vierde leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de middeleeuwen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.De Arabische wereld en de contacten tussen samenlevingen. Binnen Europa ontbreekt de agrarische (r)evolutie. Verder in: De Arabische wereld in de middeleeuwen, Contacten tussen samenlevingen in de middeleeuwen.
Over dit artikel
- Geschreven
- 3 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 3 november 2026
- Fout gezien?
- Meld een correctie