Werkwijze · Geschiedenis
Tijd en chronologie
Woorden voor vroeger, nu en later, hoe mensen in de oudheid en de middeleeuwen hun jaren telden, waarom we v.o.t. en o.t. schrijven en hoe de zes periodes een afspraak zijn.
Zo gemarkeerd: een woord dat Op.stap bij dit onderwerp expliciet gebruikt.
Wie geschiedenis vertelt, zet dingen in een volgorde: dit was eerst, dat kwam later, en zo is het nu. Dat ordenen in de tijd heet chronologie. Het lijkt eenvoudig, maar de woorden en getallen die we ervoor gebruiken, zijn afspraken die mensen in de loop van de tijd gemaakt hebben. In zijn verslag over Gallië schrijft Julius Caesar geen enkel jaartal zoals wij dat doen. De jaartelling die wij gebruiken, werd pas eeuwen na het begin dat ze aanduidt bedacht. En de indeling in zes periodes is een hulpmiddel van historici, geen grens die mensen toen zelf zagen.
Dit artikel volgt de leerlijn van Op.stap. De kleuters ordenen eigen ervaringen, gebeurtenissen en drie bronnen met woorden als heel lang geleden, lang geleden en nu. In de lagere school ordenen de leerlingen aangereikte bronnen over de periodes die ze bestudeerd hebben. In het vierde leerjaar kennen ze de begrippen verleden, heden, toekomst, periode, duur en geschiedenis, en de tijdsaanduidingen v.o.t. en o.t. In het vijfde en zesde leerjaar kennen ze de zes periodes van het historische referentiekader (KOV Op.stap 1.3) (AHOVOKS 2026). Bij elke stap staan hieronder stukken uit bronnen van vroeger zelf, in een kader met het label ‘Historische bron’. Ze laten zien hoe mensen in de oudheid en de middeleeuwen zelf over tijd schreven en hoe ze hun jaren telden.
Woorden die je gaandeweg aanleert: geen extra leerlingdoel
Op.stap schrijft bij bijna alle tijdsbegrippen hetzelfde: de leerlingen leren ze gaandeweg kennen doordat de leraar ze in de voorgaande jaren als richtinggevende woordenschat gebruikt bij de lessen over het verleden. Pas vanaf een bepaald leerjaar wordt verwacht dat de leerlingen ze zelf kennen en gebruiken: v.o.t. en o.t. vanaf het vierde leerjaar, de zes periodes vanaf het vijfde. Op.stap vraagt daarom uitdrukkelijk dat die woordenschat ‘correct en veelvuldig’ gebruikt wordt (KOV Op.stap 1.3). Dit artikel is dus vooral achtergrond om die woorden zelf juist en consequent te hanteren, in elke les over het verleden.
Heel lang geleden, lang geleden, nu
Woorden voor vroeger, nu en later
Voor de kleuters noemt Op.stap zes woorden: heel lang geleden, lang geleden, nu, later, oud en nieuw. Met die woorden leren ze eerst hun eigen ervaringen ordenen en daarna gebeurtenissen (KOV Op.stap 1.3). Het zijn de eerste bouwstenen van chronologie.
Nu is wat er op dit moment is en gebeurt: vandaag, in deze klas, in deze straat. Later is wat nog moet komen: straks, morgen, als je groot bent. Alles wat al voorbij is, ligt in het verleden, maar niet alles even ver. Iets van lang geleden is voorbij, maar er kunnen nog mensen zijn die het zich herinneren of foto’s die het tonen: toen oma klein was, toen de school gebouwd werd. Iets van heel lang geleden is zo lang voorbij dat niemand die nu leeft het zelf heeft meegemaakt: de piramides, de mensen die in grotten schilderden.
Oud en nieuw zeggen iets over dingen en mensen. Een nieuw voorwerp is pas gemaakt of gekocht, een oud voorwerp bestaat al lang. Voor kinderen is dat een eerste aanwijzing om de tijd te lezen: een vergeelde foto, een versleten stoel of een gebouw met een jaartal in de gevel vertellen dat iets uit een andere tijd komt.
Drie woorden, geen vaste afstanden: geen extra leerlingdoel
‘Lang geleden’ en ‘heel lang geleden’ zijn geen afgemeten stukken tijd. Ze vergelijken. Voor een kleuter kan vorige zomer al lang geleden zijn. Het werkt daarom goed om altijd met drie dingen tegelijk te werken, zoals Op.stap ook doet: één ding van nu, één van lang geleden en één van heel lang geleden. Dan gaat het gesprek over de volgorde, niet over getallen. Begin bij de eigen ervaringen: foto’s van de kinderen als baby, als peuter en nu, of van een dag in de klas, van ’s morgens tot ’s middags.
Drie bronnen op een rij
Bij het ordenen van drie bronnen geeft Op.stap voorbeelden: een foto van een vuistbijl, een foto van de piramides van Gizeh, een radio, een foto van de grotschilderingen in Lascaux, een oude postkaart van de eigen gemeente en een foto van de straat waar de school ligt (KOV Op.stap 1.3). Een mogelijke rij van drie is de grot van Lascaux, de piramides van Gizeh en de straat van de school.

De piramides van Gizeh werden gebouwd onder koning Cheops, die in Egypte regeerde rond 2600 v.o.t. De bronnen geven voor zijn regering iets verschillende jaartallen (Weiss 2022 (Archaeology)) (Butzer 1976, p. 45). Dat is ruim vierenhalfduizend jaar geleden. De schilderingen van Lascaux zijn nog veel ouder. Hoeveel ouder, is zelf een mooi voorbeeld van hoe historici en archeologen tijd meten: een datering is een schatting, en die kan bijgesteld worden.

Uitbreiding Hoe oud is Lascaux?
Het Franse ministerie van Cultuur beschrijft op zijn website over Lascaux hoe haar ouderdom in de loop van de tijd bepaald werd. In 1951 werd de grot voor het eerst gedateerd met de koolstofmethode. Die meting gaf ‘around 19,000 years BP’, ongeveer negentienduizend jaar ‘voor heden’. Later, met nieuwe metingen en een nieuwere techniek, kwam er een ouderdom ‘between 23,500 and 22,000 years before present’, tussen 23.500 en 22.000 jaar vóór heden (Lascaux, datering).
Het ministerie trekt er zelf de les uit: ‘These successive adjustments illustrate the difficulties encountered in establishing a precise evaluation that is sufficiently well-founded’, deze opeenvolgende bijstellingen tonen hoe moeilijk het is om tot een precieze en voldoende onderbouwde schatting te komen (Lascaux, datering).
Voor de klas volstaat: de schilderingen zijn meer dan twintigduizend jaar oud, en dat getal is een schatting die wetenschappers nog steeds verfijnen. Het verhaal van de ontdekking van de grot staat in het artikel over de prehistorie.
Voor de radio en de oude postkaart van de eigen gemeente geeft dit artikel geen jaartal: dat hangt af van het voorwerp dat je meebrengt. Een postkaart draagt vaak een poststempel of een geschreven datum, en dan is ze zelf al een kleine les in dateren. Het artikel over vroeger en nu werkt de eigen straat, het eigen huis en de familie verder uit.
Al bij de kleuters noemt Op.stap bij het ordenen van gebeurtenissen ook drie periodes: de prehistorie, de oudheid en de hedendaagse tijd (KOV Op.stap 1.3). De piramides horen bij de oudheid, Lascaux bij de prehistorie en de straat van de school bij de hedendaagse tijd. Die periodenamen worden verderop uitgelegd, bij de zes periodes.
“Was jij er al toen de piramides gebouwd werden?”
Kort antwoord voor kinderen
Nee, niemand die nu leeft was er toen. Ook je oma niet, en haar oma ook niet, en die haar oma ook niet. Dat noemen we heel lang geleden.
Nuance voor de leerkracht
Rond 2600 v.o.t. is ruim 4600 jaar geleden. Reken je met ongeveer 25 jaar tussen ouder en kind, dan zijn dat meer dan 180 generaties. Het rekenvoorbeeld is een benadering om ‘heel lang’ voelbaar te maken, geen bewering over echte families.
Verleden, heden en toekomst
In het vierde leerjaar kennen de leerlingen zes begrippen: het verleden, het heden, de toekomst, de periode, de duur en geschiedenis (KOV Op.stap 1.3). Het zijn woorden die iedereen gebruikt, maar die je niet zo snel uitlegt.
Wat is tijd?
Dat het moeilijk is om over tijd te praten, wist ook Augustinus al. In het elfde boek van zijn Confessiones (‘Belijdenissen’) denkt hij na over wat tijd eigenlijk is, en hij begint met een eerlijke bekentenis (Augustinus, Conf. 11, 11.14.17):
Historische bron
Wat is dan tijd? Als niemand het mij vraagt, weet ik het; als ik het aan iemand die het vraagt wil uitleggen, weet ik het niet.
quid est ergo tempus? si nemo ex me quaerat, scio; si quaerenti explicare velim, nescio.
Iets verder legt hij de vinger op wat er vreemd is aan het verleden en de toekomst (Augustinus, Conf. 11, 11.14–15):
Historische bron
Hoe bestaan dan die twee tijden, het verleden en de toekomst, als het verleden al niet meer is en de toekomst nog niet?
duo ergo illa tempora, praeteritum et futurum, quomodo sunt, quando et praeteritum iam non est et futurum nondum est?
Voor de klas kun je zijn vraag omdraaien in drie eenvoudige omschrijvingen. Het verleden is alles wat al gebeurd is, van gisteren tot heel lang geleden. Het heden is de tijd waarin we nu leven. De toekomst is wat nog moet komen en wat we dus nog niet kennen. Augustinus’ punt blijft daarbij overeind: het verleden kunnen we niet meer zien. We kennen het alleen via wat het heeft achtergelaten.
Geschiedenis: een onderzoek
Dat is precies waar geschiedenis over gaat: het onderzoeken en vertellen van het verleden van mensen, aan de hand van de sporen die ze achterlieten. In de eerste zin van zijn werk noemt de Griekse schrijver Herodotus zijn boek een historiē, en de Engelse vertaler A. D. Godley geeft dat weer met ‘inquiry’, onderzoek (Herodotus 1, proemium, 1, proemium). Herodotus zegt er meteen bij waarom hij het opschrijft:
Historische bron
Dit is de uiteenzetting van het onderzoek van Herodotus van Halicarnassus, opdat wat mensen gedaan hebben niet met de tijd vervaagt, en grote en bewonderenswaardige daden, door Grieken en door barbaren verricht, hun roem niet verliezen, en onder meer om welke reden zij oorlog tegen elkaar voerden.
Ἡροδότου Ἁλικαρνησσέος ἱστορίης ἀπόδεξις ἥδε, ὡς μήτε τὰ γενόμενα ἐξ ἀνθρώπων τῷ χρόνῳ ἐξίτηλα γένηται …
In die ene zin zitten twee kanten van geschiedenis: wat er gebeurd is, en het onderzoek ernaar. Herodotus wil voorkomen dat het verleden ‘met de tijd vervaagt’, en hij wil ook de oorzaak van een oorlog uitzoeken. Hoe je van een spoor uit het verleden tot een onderbouwde bewering komt, staat in het artikel over bron en bewijs.
Periode en duur
De periode is een stuk tijd met een begin en een einde dat we samen bekijken en een naam geven: de vakantie, de middeleeuwen, de tijd dat oma op school zat. De duur is hoe lang iets duurt: hoe lang een les, een oorlog of een leven geduurd heeft.
Hoe lang een eenheid van tijd is, is ook een afspraak. De Romeinse schrijver Censorinus geeft in zijn boek De die natali (‘Over de geboortedag’) voor het Latijnse woord saeculum geen vast aantal jaren, maar een duur die bij een mensenleven past (Censorinus, De die natali, 17):
Historische bron
Een saeculum is de langste duur van een mensenleven, begrensd door geboorte en dood.
Saeculum est spatium vitae humanae longissimum partu et morte definitum.
In hetzelfde hoofdstuk bespreekt hij hoe verschillende auteurs aan zo’n saeculum een andere lengte gaven (Censorinus, De die natali, 17). Voor ons is een eeuw precies honderd jaar. Zelfs een jaar had niet altijd dezelfde duur: het jaar waarin Julius Caesar de Romeinse kalender herstelde, telde vijftien maanden (Suetonius, Iul. 40, 40). Daarover meer bij de kalender, hieronder.
Hoe men vroeger de jaren telde
Wij schrijven een jaartal en weten meteen hoe lang geleden iets was. In de oudheid bestond zo’n getal voor iedereen niet. Wie een jaar wilde aanduiden, noemde de mensen die in dat jaar een ambt bekleedden, of telde vanaf een gebeurtenis die hij zelf belangrijk vond. De bronnen hieronder laten zien hoe dat ging.
Caesar noemt geen jaartal
Julius Caesar beschreef zijn oorlogen in Gallië zelf (Caesar, BG). In het eerste boek vertelt hij hoe de Helvetiërs, een volk dat wilde wegtrekken, een dag afspreken om te vertrekken (Caesar, BG, 1.6.3):
Historische bron
Toen alles voor het vertrek geregeld was, spraken ze een dag af waarop iedereen aan de oever van de Rhône zou samenkomen. Die dag was de vijfde dag vóór de kalenden van april, onder de consuls Lucius Piso en Aulus Gabinius.
Is dies erat a. d. V. Kal. Apr. L. Pisone, A. Gabinio consulibus.
De dag is precies aangeduid: de vijfde dag vóór de kalenden van april, de eerste dag van die maand, dus eind maart. Maar een jaartal staat er niet. Het jaar noemt Caesar naar de twee consuls, de hoogste ambtenaren van Rome. Op een andere plaats dateert hij een besluit van de senaat op dezelfde manier, ‘toen Messala en Piso consul waren’ (Caesar, BG, 1.35.4). En over Ariovistus schrijft hij dat die ‘in mijn consulaat’ de vriendschap van het Romeinse volk gezocht had (Caesar, BG, 1.40.2).
Dat kon omdat de consuls elk jaar wisselden. Livius ziet in dat jaarlijkse wisselen zelfs het begin van de Romeinse vrijheid (Livius, boek 2, 2.1.7):
Historische bron
De oorsprong van de vrijheid mag je eerder daarin zoeken dat het consulaat een jaarlijks bewind werd, dan in het feit dat er iets van de koninklijke macht werd weggenomen.
Libertatis autem originem inde magis quia annuum imperium consulare factum est … numeres.
Wie een Romeinse datering in een jaartal wil omzetten, heeft dus een lijst nodig van alle consuls, jaar na jaar. Omgerekend naar onze jaartelling liepen Caesars oorlogen in Gallië van 58 tot 50 v.o.t. (Caesar, BG). Caesar zelf en zijn lezers hadden dat getal niet nodig: ze kenden de namen.
Een opdracht met Caesars datum: geen extra leerlingdoel
Laat de leerlingen de zin van Caesar vergelijken met hoe zij een datum opschrijven. Wat weet je uit ‘onder de consuls Piso en Gabinius’ als je in Rome woonde? En wat weet je er nu uit, zonder lijst? Het toont dat een datum altijd aan een afspraak hangt die de lezer moet kennen. Ook Plinius’ brief over de Vesuvius, in het artikel over de Romeinen, dateert met ‘de negende dag vóór de kalenden van september’, zonder jaartal.
Elke stad haar eigen jaar
De Grieken hadden evenmin één gemeenschappelijke jaartelling. Thucydides begint zijn verhaal over de Peloponnesische oorlog met een datering die hij in drie steden tegelijk verankert (Thucydides 2.2 (Crawley), 2.2.1):
Historische bron
In het vijftiende jaar, toen Chrysis al achtenveertig jaar priesteres was in Argos, Aenesias ephoor was in Sparta en Pythodorus nog twee maanden archont in Athene, zes maanden na de slag bij Potidaea, juist bij het begin van de lente.
ἐπὶ Χρυσίδος ἐν Ἄργει τότε πεντήκοντα δυοῖν δέοντα ἔτη ἱερωμένης καὶ Αἰνησίου ἐφόρου ἐν Σπάρτῃ καὶ Πυθοδώρου ἔτι δύο μῆνας ἄρχοντος Ἀθηναίοις
Argos telde de jaren van zijn priesteres, Sparta noemde het jaar naar een ephoor, Athene naar een archont. Wie zijn lezers in al die steden wilde bereiken, noemde ze dus allemaal. Het ‘vijftiende jaar’ rekent Thucydides vanaf een vredesverdrag, dat volgens de zin ervoor veertien jaar standgehouden had (Thucydides 2.2 (Crawley), 2.2.1). Het Grieks zegt letterlijk ‘vijftig jaar min twee’ voor de achtenveertig jaar van Chrysis.
Een jaar met zeven namen
Hoe ingewikkeld dat kon worden, toont Censorinus. In De die natali zegt hij in welk jaar hij schrijft, en hij doet dat in zeven tellingen tegelijk (Censorinus, De die natali, 21).

Uitbreiding Hetzelfde jaar in zeven tellingen (Censorinus)
Censorinus noemt eerst de consuls en zet daarna de andere tellingen op een rij. Zijn zin begint zo (Censorinus, De die natali, 21):
Historische bron
Dit jaar, dat als het ware gekenmerkt en aangeduid wordt door het consulaat van de hooggeplaatste Pius en Pontianus, is vanaf de eerste Olympiade het 1014de …
hic annus, cuius velut index et titulus quidam est V. C. Pii et Pontiani consulatus, ab olympiade prima millensimus est et quartus decimus …
Daarna volgen de andere tellingen. Hetzelfde jaar is (Censorinus, De die natali, 21):
- het jaar van de consuls Pius en Pontianus;
- het 1014de jaar vanaf de eerste Olympiade, de Griekse spelen;
- het 991ste jaar vanaf de stichting van Rome, ‘gerekend vanaf de Parilia, vanwaar de jaren van de stad geteld worden’;
- het 283ste van de jaren ‘die Juliaans heten’, gerekend vanaf 1 januari, ‘waar Julius Caesar het begin zette van het jaar dat hij vastlegde’;
- het 265ste van de zogeheten jaren van de Augusti (de Egyptenaren tellen er 267);
- het 986ste van de jaren van Nabonassar;
- het 562ste van de jaren van Philippus, geteld vanaf de komst van Alexander de Grote.
Elke telling heeft een ander beginpunt: een feest, de stichting van een stad, een kalenderhervorming, een koning. Geen enkele daarvan is ‘de’ jaartelling. Censorinus noemt ze allemaal, omdat zijn lezers niet allemaal dezelfde gebruikten.
Rekenvoorbeeld voor de leerkracht. De Romeinse telling ‘sinds de stichting van de stad’ (ab urbe condita) rekent vanaf 753 v.o.t. (Koninklijke Sterrenwacht, 21ste eeuw). Het eerste jaar van de stad is dan 753 v.o.t., het 753ste jaar is 1 v.o.t. en het 754ste jaar is 1 o.t. Het 991ste jaar van Censorinus valt dan in 991 − 753 = 238 o.t. Omdat de Romeinen hun stadsjaar lieten beginnen bij het feest van de Parilia en niet op 1 januari, is dat een benadering. Voor de andere tellingen zijn de beginjaren in dit artikel niet nagegaan; daarom staan ze hier niet omgerekend.
De kalender is een afspraak
Niet alleen de jaren, ook de kalender zelf is door mensen geregeld. Volgens Suetonius was de Romeinse kalender in Caesars tijd zo uit de pas gelopen dat de feesten niet meer in het juiste seizoen vielen. Caesar bracht het jaar terug in overeenstemming met de zon (Suetonius, Iul. 40, 40):
Historische bron
Hij verbeterde de kalender, die al lang door de schuld van de priesters en hun willekeur bij het invoegen van schrikkelmaanden zo in de war was geraakt dat de oogstfeesten niet meer in de zomer en de wijnoogstfeesten niet meer in de herfst vielen. Hij paste het jaar aan het verloop van de zon aan, zodat het 365 dagen telde, schafte de schrikkelmaand af en liet om de vier jaar één dag invoegen. Het jaar waarin dit geregeld werd, telde vijftien maanden met de schrikkelmaand erbij.
annumque ad cursum solis accommodavit, ut trecentorum sexaginta quinque dierum esset et intercalario mense sublato unus dies quarto quoque anno intercalaretur
Dat is het jaar van vijftien maanden waarvan hierboven sprake was. Het is ook de telling die Censorinus de ‘Juliaanse jaren’ noemt, naar Julius Caesar (Censorinus, De die natali, 21).
Uitbreiding Tien dagen die in 1582 wegvielen
Ook Caesars kalender bleek niet helemaal juist. In 1582 liet paus Gregorius XIII hem bijsturen. In zijn bul legt hij uit waarom: de lente-equinox, de dag waarop dag en nacht even lang zijn, moest terug op de datum die het concilie van Nicea vastgelegd had (Inter gravissimas (1582), par. 7):
Historische bron
Opdat de lente-equinox, die door de vaders van het concilie van Nicea op de twaalfde dag vóór de kalenden van april was vastgelegd, naar diezelfde plaats wordt teruggebracht, gebieden en bevelen wij dat uit de maand oktober van het jaar 1582 tien dagen worden weggenomen, van de derde dag vóór de nonen tot de dag vóór de iden, beide inbegrepen, en dat de dag die volgt op het feest van de heilige Franciscus, dat gewoonlijk op de vierde dag vóór de nonen werd gevierd, ‘iden van oktober’ wordt genoemd.
praecipimus et mandamus ut de mense octobris anni MDLXXXII decem dies inclusive a tertia nonarum usque ad pridie idus eximantur

Omgerekend naar onze manier van schrijven: op 4 oktober 1582 volgde meteen 15 oktober. Tien dagen werden gewoon overgeslagen. Ook de paus schreef zijn data nog op de Romeinse manier, met kalenden, nonen en iden, maar het jaar al als een getal: MDLXXXII, 1582.
Voor en na onze tijdrekening
De jaartelling die wij gebruiken, telt vanaf een beginpunt dat in de oudheid gekozen werd, maar ze werd pas veel later algemeen. De bronnen laten zien hoe ze ontstond.
Dionysius kiest een beginpunt
In de 6de eeuw maakte de monnik Dionysius Exiguus een paastabel, een tabel met de datum van Pasen voor een reeks jaren (Koninklijke Sterrenwacht, 21ste eeuw) (Dionysius Exiguus, Liber de Paschate). Zo’n paastabel had al een voorganger: de tabel van Cyrillus. Die telde de jaren vanaf het begin van keizer Diocletianus. In zijn voorrede legt Dionysius uit waarom hij dat niet wil doen (Dionysius Exiguus, Liber de Paschate, voorrede):
Historische bron
Omdat de heilige Cyrillus zijn eerste cyclus in het 153ste jaar van Diocletianus begon en de laatste in het 247ste eindigde, beginnen wij bij het 248ste jaar van diezelfde tiran, eerder dan vorst. Wij wilden aan onze cycli niet de herinnering aan een goddeloze vervolger verbinden, maar kozen er liever voor de jaren te tellen vanaf de menswording van onze Heer Jezus Christus, opdat het begin van onze hoop ons beter bekend zou zijn en de oorzaak van het herstel van de mensheid, namelijk het lijden van onze Verlosser, duidelijker zou uitkomen.
noluimus circulis nostris memoriam impii et persecutoris innectere, sed magis elegimus ab incarnatione Domini nostri Jesu Christi annorum tempora praenotare
Dionysius zegt hier zelf waarom hij een nieuw beginpunt kiest. Het gaat hem niet om een neutrale telling: hij wil de keizer die hij een vervolger noemt niet in zijn tabel, en hij wil de jaren aan Christus verbinden. Zijn tabel begint bij het jaar DXXXII, 532 (Dionysius Exiguus, Liber de Paschate, tabel). Volgens de Koninklijke Sterrenwacht van België werd zo ‘248 Anno Diocletiani 532 na Christus’ (Koninklijke Sterrenwacht, 21ste eeuw).
Opvallend is hoe Dionysius zijn eigen heden aanduidt. Daar gebruikt hij zijn nieuwe telling niet, maar de oude Romeinse gewoonte (Dionysius Exiguus, Liber de Paschate, begin van de cyclus):
Historische bron
Dit jaar is namelijk het derde van de indictie, onder het consulaat van Probus de Jongere.
In praesenti namque tertia indictio est, consulatu Probi junioris
Hij dateert zijn eigen jaar dus nog met een consul en met de indictie, een andere Romeinse telling. Zijn jaren ‘vanaf de menswording’ waren een hulpmiddel in een paastabel, nog geen jaartelling die iedereen gebruikte. Volgens de Koninklijke Sterrenwacht raakte de christelijke jaartelling ‘pas in de Middeleeuwen in de kerkelijke en nog veel later in de civiele wereld’ ingang (Koninklijke Sterrenwacht, 21ste eeuw).
Beda telt ook terug
In de 8ste eeuw begon de Engelse kerkvader Beda volgens de Koninklijke Sterrenwacht ‘ook met jaren voor Christus te tellen’ (Koninklijke Sterrenwacht, 21ste eeuw). In zijn kerkgeschiedenis van de Engelsen zie je dat gebeuren. Wanneer hij vertelt hoe Julius Caesar naar Brittannië kwam, dateert hij dat in één zin op drie manieren (Beda, HE, 1.2):
Historische bron
Hij [Gaius Julius Caesar] kwam, in het jaar 693 sinds de stichting van de stad, en dus in het zestigste jaar vóór de menswording van de Heer, nadat hij het consulaat met Lucius Bibulus had bekleed, terwijl hij oorlog voerde tegen de volken van de Germanen en de Galliërs, bij de Morini, vanwaar de overtocht naar Brittannië het kortst is.
anno ab Urbe condita DCXCIII, ante uero incarnationis dominicae tempus anno LXmo, functus gradu consulatus cum Lucio Bibulo

Beda noemt de Romeinse telling sinds de stichting van de stad, het consulaat van Caesar én een jaar ‘vóór de menswording’. Dat laatste is wat wij vandaag ‘voor onze tijdrekening’ noemen. In het overzicht achteraan zijn werk komen beide richtingen terug: ‘in het zestigste jaar vóór de menswording van de Heer’ voor Caesar, ‘in het jaar 46 na de menswording van de Heer’ voor keizer Claudius (Beda, HE, 5.24). En gebeurtenissen uit Engeland dateert hij gewoon zo, bijvoorbeeld het jaar waarin koning Osred gedood werd en Coenred het koninkrijk Northumbrië overnam: ‘het jaar 716 na de menswording van de Heer’ (Beda, HE, 5.22). Anders dan Dionysius gebruikt Beda de nieuwe telling dus ook voor zijn eigen tijd.
Beda’s getallen zijn zijn eigen berekening: geen extra leerlingdoel
Wie Beda narekent, vindt een klein verschil. Met de Romeinse telling vanaf 753 v.o.t. (Koninklijke Sterrenwacht, 21ste eeuw) valt het jaar 693 van de stad in 61 v.o.t., niet in 60. Beda rekende met de gegevens die hij had, en zijn getallen zijn niet de dateringen die historici vandaag hanteren. Gebruik het fragment dus om te laten zien hoe hij telde, niet om te zeggen wanneer Caesar in Brittannië landde.
Ook het beginpunt zelf is onzeker. De Koninklijke Sterrenwacht wijst erop dat het geboortejaar van Christus, ‘omwille van de dood van Herodes in 4 vóór Christus’, minstens vroeger ligt, ‘misschien wel in 6 of 7 voor Christus’ (Koninklijke Sterrenwacht, 21ste eeuw). Het jaar 1 is dus een afgesproken beginpunt, geen vastgestelde geboortedatum.
Onze tijdrekening
Op.stap gebruikt voor deze jaartelling twee afkortingen. v.o.t. betekent ‘voor onze tijdrekening’: de jaren vóór het beginpunt, die we terugtellen. o.t. betekent ‘onze tijdrekening’: de jaren vanaf het beginpunt, die we vooruittellen. Op.stap legt uit waarom het niet ‘voor Christus’ en ‘na Christus’ schrijft: om aan te sluiten bij de terminologie van de minimumdoelen en bij internationaal gebruik, zoals het Engelse Before Common Era en Common Era (KOV Op.stap 1.3). De minimumdoelen noemen in de woordenschat ‘voor onze tijd(rekening), onze tijd(rekening)’ (AHOVOKS 2026, p. 100).
Het is dezelfde telling als die van Dionysius en Beda. Alleen de naam is anders. In oudere boeken, op websites en in bronnen zoals die van de Sterrenwacht kom je ‘voor Christus’ en ‘na Christus’ tegen; voor het jaartal maakt dat geen verschil.
Bij jaren v.o.t. lopen de getallen achteruit: wat eerder gebeurde, heeft een groter getal. De piramides van Gizeh, rond 2600 v.o.t., zijn dus ouder dan Caesars oorlogen in Gallië, in de jaren 58 tot 50 v.o.t. Bij jaren o.t. is het omgekeerd: hoe groter het getal, hoe later.
“Waarom tellen we vóór het jaar 1 achteruit?”
Kort antwoord voor kinderen
Omdat we ergens moesten beginnen met tellen. Mensen kozen een jaar als begin en noemden dat het jaar 1. Wat daarvoor gebeurde, tellen we terug: 1 jaar ervoor, 2 jaar ervoor, 100 jaar ervoor.
Nuance voor de leerkracht
Een tijdlijn met in het midden een duidelijk beginpunt helpt: links lopen de getallen op naarmate je verder teruggaat, rechts lopen ze op naarmate je dichter bij nu komt.
Geen jaar 0
Tussen 1 v.o.t. en 1 o.t. ligt geen jaar 0. De Koninklijke Sterrenwacht zegt het kort: ‘Elke jaartelling begint met het jaar 1 (één). Er is geen jaar 0 (nul)’, en ‘net vóór het jaar 1 na Christus kwam immers het jaar 1 vóór Christus’ (Koninklijke Sterrenwacht, 21ste eeuw). Ook NASA schrijft dat in de historische telling ‘the year 1 BC was followed by the year AD 1’ (NASA, Year Dating Conventions).
Er is één uitzondering, die verwarring kan geven. Sterrenkundigen rekenen wel met een jaar 0, omdat dat rekenen makkelijker maakt. Hun ‘astronomische jaar 0’ is hetzelfde jaar als 1 v.o.t. (NASA, Year Dating Conventions). Historici en Op.stap gebruiken die telling niet.
Wie de duur tussen een jaar v.o.t. en een jaar o.t. uitrekent, moet daar rekening mee houden. Van 1 v.o.t. naar 1 o.t. is één jaar, niet twee. Van 100 v.o.t. naar 100 o.t. zijn het 199 jaar: je telt beide getallen op en trekt er één af, omdat het jaar 0 ontbreekt.
Eeuwen tellen
Een eeuw telt honderd jaar. Omdat de telling begint met het jaar 1, loopt de eerste eeuw o.t. van het jaar 1 tot en met het jaar 100. De Sterrenwacht: ‘Vermits onze jaartelling begon met het jaar 1 (na Christus), was de eerste eeuw pas voorbij toen het jaar 100 volledig afgelopen was’ (Koninklijke Sterrenwacht, 21ste eeuw). Daarom eindigde de twintigste eeuw pas toen het jaar 2001 begon, en loopt het tweede millennium van 1 januari 1001 tot 31 december 2000 (Koninklijke Sterrenwacht, 21ste eeuw).
Daaruit volgen een paar vuistregels:
- De eeuw van een jaar o.t. vind je door de honderdtallen te nemen en er één bij te tellen, behalve als het jaar op 00 eindigt. Het jaar 1582 ligt in de 16de eeuw, het jaar 1600 nog in de 16de, het jaar 1601 in de 17de.
- Voor jaren v.o.t. werkt het spiegelbeeldig. Het jaar 1 v.o.t. is ‘het laatste jaar van de eerste eeuw voor Christus’ (Koninklijke Sterrenwacht, 21ste eeuw). De eerste eeuw v.o.t. loopt dus van 100 tot en met 1 v.o.t., de 26ste eeuw v.o.t. van 2600 tot en met 2501 v.o.t.
- Dionysius’ 6de eeuw loopt van 501 tot en met 600, Beda’s 8ste eeuw van 701 tot en met 800.
De zes periodes
Zes namen voor stukken tijd
Om het verleden overzichtelijk te maken, delen historici het op in periodes. Op.stap werkt met zes periodes, die het ‘het gehanteerde historische referentiekader’ noemt: de prehistorie, de oudheid, de middeleeuwen, de vroegmoderne tijd, de moderne tijd en de hedendaagse tijd (KOV Op.stap 1.3). De leerlingen ontmoeten die namen geleidelijk. In het eerste leerjaar ordenen ze bronnen over de prehistorie, de oudheid en de hedendaagse tijd; in het tweede en derde over de oudheid, de middeleeuwen en de hedendaagse tijd; in het vierde komt de vroegmoderne tijd erbij. In het vijfde leerjaar kennen ze de periodes tot en met de moderne tijd, en in het zesde komt de hedendaagse tijd erbij, omdat die periode dan pas aan bod komt in de lessen over het verleden (KOV Op.stap 1.3).
Wat in elke periode hoort, kun je het best zien aan de onderwerpen die Op.stap er zelf in plaatst (KOV Op.stap 1.3):
- De prehistorie is de tijd van de eerste mensen: hoe ze in kleine groepen leefden, jaagden en voedsel verzamelden, vuur gebruikten, werktuigen van steen en been maakten en grotten beschilderden, van de rift-vallei in Afrika en de Neanderthalers in de Maasvallei tot Çatalhöyük.
- De oudheid is de tijd van de Egyptische samenleving langs de Nijl, van Mesopotamië, van de Griekse wereld en van de Romeinen, tot het ontstaan van het christendom en keizer Constantijn.
- De middeleeuwen is de tijd van kloosters en abdijen, gilden in Brugge en Gent, de Keure van Kortenberg en de Bourgondiërs, van de Vikingen, van de verspreiding van de islam en van de pest.
- De vroegmoderne tijd is de tijd van Karel V en Lodewijk XIV, van de boekdrukkunst van Plantijn in Antwerpen, van Columbus en de zeevaarders, van het Kongo-koninkrijk en van de Atlantische driehoekshandel.
- De moderne tijd is de tijd van de Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger, de industriële revolutie, de Belgische Grondwet, de Onafhankelijke Kongostaat en de Eerste Wereldoorlog.
- De hedendaagse tijd is de tijd van verzetsstrijders en collaborateurs (het Fort van Breendonk, de Kazerne Dossin), de Verenigde Naties en de Europese Unie, de Muur van Berlijn, Neil Armstrong en het internet. Voor de kleuters is het vooral de tijd van hun eigen straat, hun eigen huis en de herinneringen van hun familie.
Beeld in voorbereiding (aangevraagd)
De zes periodes van het referentiekader op een rij zetten als afspraak, zonder jaartallen voor de grenzen.
tijd-zes-periodes-schema → public/images/tijd-zes-periodes-schema.svg
Op.stap geeft bij die periodes geen jaartallen voor de grenzen (KOV Op.stap 1.3). Ook dit artikel geeft ze daarom niet. Dat grenzen verschillend gelegd kunnen worden, zie je hieronder bij de oude ‘middentijd’. De periodeoverzichten van de Kennisatlas werken elke periode verder uit.
Vijf of zes periodes in het vijfde leerjaar?: geen extra leerlingdoel
Wie de doelen naast elkaar legt, ziet iets vreemds. Het doel van het vijfde leerjaar spreekt van ‘de zes periodes’, maar somt er vijf op, tot en met de moderne tijd. De toelichting legt uit waarom: de hedendaagse tijd wordt pas in het zesde leerjaar toegevoegd, omdat die periode dan aan bod komt in de kennis van het verleden (KOV Op.stap 1.3). Tegelijk staat ‘hedendaagse tijd’ al bij de kleuters en in de eerste leerjaren in de woordenschat, als de tijd van nu. Het helpt om dat aan de leerlingen te zeggen: de hedendaagse tijd is de periode waarin wij zelf leven.
Een indeling is een afspraak
De namen van de periodes zijn later gegeven, niet door de mensen die in die tijd leefden. De historicus Johan Huizinga schreef in 1921 over de herkomst van de oudere driedeling oudheid, middeleeuwen en nieuwe tijd. Volgens hem werd die indeling algemeen gebruikt via ‘veelgebruikte handboeken, vooral van dat van Cellarius’, een professor uit de 17de eeuw. Maar daarom zijn die geleerden ‘nog niet als de scheppers van die onderscheiding te beschouwen’ (Huizinga, term Middeleeuwen). Huizinga verwijst naar een andere historicus, Kurth, volgens wie de termen van filologen kwamen: zij onderscheidden een hogere, een middelste en een laagste tijd, waarbij de media aetas, de middentijd, liep van keizer Constantijn tot Karel de Grote (Huizinga, term Middeleeuwen). Huizinga spreekt alleen over die driedeling; de zesdeling van Op.stap komt bij hem niet voor.
Periodes zijn een hulpmiddel: geen extra leerlingdoel
De Vlaamse historicus Jan Dhondt was in 1963 kritisch over de gebruikelijke indeling. Hij geloofde niet ‘dat er iemand is die ten gunste van de “gebruikelijke” periodisering … een ander argument kan aanhalen dan de gewoonte’. Hij noemde ze ‘een geestesbeeld dat eeuwen slaafs overgenomen werd’, en de driedeling een ‘zuivere Renaissance opvatting’ (Dhondt 1963, periodisering). Je hoeft zijn oordeel niet te delen om er iets aan te hebben: het herinnert eraan dat periodes werktuigen zijn. Ze helpen om bronnen te ordenen en verhalen te plaatsen, maar ze beschrijven geen grens die de mensen toen zelf zagen.
Bronnen ordenen per periode
Vanaf het eerste leerjaar ordenen de leerlingen aangereikte bronnen over de periodes die ze bestudeerd hebben (KOV Op.stap 1.3). Dat lukt het best met bronnen die je ook inhoudelijk in de klas behandelt. Voor een rij over vijf periodes kun je bijvoorbeeld kiezen uit onderwerpen die Op.stap zelf in een periode plaatst (KOV Op.stap 1.3):
- prehistorie: een foto van de grotschilderingen van Lascaux;
- oudheid: de stele met de wetten van Hammurabi, of een zin uit Caesars verslag;
- middeleeuwen: de Keure van Kortenberg;
- vroegmoderne tijd: een boek uit de drukkerij van Plantijn;
- hedendaagse tijd: een foto van de Muur van Berlijn of van de eigen straat.
De vraag ‘wat was eerst?’ leidt vanzelf naar de vraag ‘hoe weet je dat?’. Soms staat er een datum op de bron, zoals op een poststempel of in Beda’s ‘jaar 716 na de menswording’. Soms staat er een datum die je eerst moet omrekenen, zoals bij Caesars consuls. En soms is er alleen een schatting door onderzoek, zoals bij Lascaux. Hoe je een bron ondervraagt, wordt uitgewerkt in het artikel over bron en bewijs.
Wat we weten en wat onzeker is
- Zeker: de teksten die hier aangehaald worden, bestaan en zeggen wat er staat. Caesar dateert met consuls en niet met jaartallen, Thucydides met ambtenaren uit drie steden, Censorinus met zeven tellingen tegelijk. Dionysius Exiguus legt zelf uit waarom hij de jaren vanaf de menswording van Christus telt, en Beda telt ook jaren daarvóór. In de historische jaartelling bestaat geen jaar 0, en een eeuw loopt van een jaar dat op 01 eindigt tot een jaar dat op 00 eindigt. De Nederlandse weergaven in de bronkaders zijn vertalingen van de Kennisatlas.
- Onzeker of een afspraak: het geboortejaar van Christus, dat volgens de Koninklijke Sterrenwacht eerder ligt dan het jaar 1 (Koninklijke Sterrenwacht, 21ste eeuw); de ouderdom van Lascaux, die al twee keer bijgesteld werd (Lascaux, datering); en de grenzen tussen de periodes, die historici verschillend leggen.
- Voorzichtig mee omgaan: de getallen van Beda, die niet precies kloppen met de moderne omrekening, en elke omrekening van een Romeinse of Griekse datering naar een jaartal, die afhangt van lijsten van consuls of archonten.
- Nog niet uitgewerkt in dit artikel: de grensjaren van de zes periodes zoals Op.stap ze hanteert (de doelen geven er geen), de jaartellingen buiten Europa en de Middellandse Zee, en hoe jonge kinderen tijdsbesef ontwikkelen. Voor dat laatste is geen bron gelezen; daarom staan er hier geen uitspraken over.
Verbanden
- Verdieping Vroeger en nu: mijn straat, mijn huis, mijn familie
- Begrip Bron en bewijs
- Verdieping De Romeinen
- Verdieping De prehistorie: de eerste mensen
- Verdieping Het oude Egypte
- Overzicht periode-prehistorienog niet geschreven
- Overzicht Oudheid
- Overzicht periode-middeleeuwennog niet geschreven
- Overzicht periode-vroegmoderne-tijdnog niet geschreven
- Overzicht periode-moderne-tijdnog niet geschreven
- Overzicht periode-hedendaagse-tijdnog niet geschreven
- Verwijst hierheen De Arabische wereld in de middeleeuwen
- Verwijst hierheen Wat doen paleontologen, archeologen en historici?
- Verwijst hierheen De prehistorie: de eerste mensen
- Verwijst hierheen Vroeger en nu: mijn straat, mijn huis, mijn familie
Bronnen en verdieping
Historische bronnen
- Augustinus van Hippo. Confessiones, boek 11 (Latijnse tekst).
- Herodotus, A. D. Godley (vertaler) (1920). Histories, boek 1 (Griekse tekst en Engelse vertaling van A. D. Godley, Perseus).
- Censorinus. De die natali (Latijnse tekst).
- Gaius Iulius Caesar. Commentarii de bello Gallico (Latijnse tekst).
- Titus Livius. Ab urbe condita, boek 2 (Latijnse tekst).
- Thucydides, Richard Crawley (vertaler) (1874). The History of the Peloponnesian War, boek 2 (Engelse vertaling van Richard Crawley; Griekse tekst op Perseus).
- Suetonius. De vita Caesarum, Divus Iulius (Latijnse tekst).
- Gregorius XIII. Inter gravissimas, bul van paus Gregorius XIII (1582), Latijnse tekst op IntraText.
- Dionysius Exiguus. Liber de Paschate, voorrede en Cyclus decemnovennalis (Latijnse tekst, naar Migne, Patrologia Latina 67, kol. 483-508).
- Beda. Historia ecclesiastica gentis Anglorum (Latijnse tekst).
Geraadpleegde literatuur
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
- Vlaamse overheid, AHOVOKS (2026). Minimumdoelen en visieteksten voor het derde jaar kleuteronderwijs, het vierde jaar lager onderwijs en het zesde jaar lager onderwijs.
- Ministere de la Culture (Frankrijk), Lascaux (2026). Dating the figures at Lascaux.
- Daniel Weiss (2022). Journeys of the Pyramid Builders (Wadi el-Jarf, de papyri van Merer).
- Karl W. Butzer (1976). Early Hydraulic Civilization in Egypt: A Study in Cultural Ecology. University of Chicago Press. ISBN 0-226-08635-6. doi:10.83354/ahe7-d748.
- Koninklijke Sterrenwacht van Belgie (2014). De 21ste eeuw en het derde millennium zijn begonnen op 1 januari 2001 (veelgestelde vragen).
- Fred Espenak (2008). Year Dating Conventions.
- Johan Huizinga (1949). Een schakel in de ontwikkeling van den term Middeleeuwen? (in: Verzamelde werken, deel 4, Cultuurgeschiedenis 2).
- Jan Dhondt (1963). De periodisering van de geschiedenis (in: Geschiedkundige opstellen, hoofdstuk 1).
Nog geen aanbevolen verdieping geselecteerd.
Doelen
Op.stap
- 5.2.GK3.5 3de kleuterDe leerlingen kunnen eigen ervaringen chronologisch ordenen.Geen bron over hoe kleuters tijdsbesef ontwikkelen; de woorden zijn alleen omschreven, niet onderbouwd met onderzoek. Uitgewerkte activiteiten rond eigen ervaringen ontbreken. Verder in: Vroeger en nu: mijn straat, mijn huis, mijn familie.
- 5.2.GK3.6 3de kleuterDe leerlingen kunnen gebeurtenissen chronologisch ordenen.Het ordenen van gebeurtenissen zelf is niet met een uitgewerkt klasvoorbeeld getoond. Verder in: Vroeger en nu: mijn straat, mijn huis, mijn familie, Prehistorie (nog te schrijven), Oudheid, Hedendaagse tijd (nog te schrijven).
- 5.2.GK3.7 3de kleuterDe leerlingen kunnen drie gegeven bronnen uit het verleden chronologisch ordenen met behulp van de begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu.Vuistbijl, radio en oude postkaart krijgen geen datering; die hangt af van het voorwerp dat de leerkracht meebrengt. Verder in: Vroeger en nu: mijn straat, mijn huis, mijn familie, De prehistorie: de eerste mensen, Het oude Egypte.
- 5.2.GK3.8 3de kleuterDe leerlingen kennen de volgende begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu, later, oud, nieuw.De begrippen zijn omschreven zonder bron over tijdsbesef bij kleuters. Verder in: Vroeger en nu: mijn straat, mijn huis, mijn familie.
- 5.2.GL1.8 1ste leerjaarDe leerlingen kunnen aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen: prehistorie, oudheid, hedendaagse tijd.Geen grensjaren voor de periodes (Op.stap geeft ze niet); de bronnen per periode zijn alleen genoemd, niet uitgewerkt. Verder in: Prehistorie (nog te schrijven), Oudheid, Hedendaagse tijd (nog te schrijven).
- 5.2.GL2.8 2de leerjaarDe leerlingen kunnen aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen: oudheid, middeleeuwen, hedendaagse tijd.Geen grensjaren voor de periodes (Op.stap geeft ze niet); de bronnen per periode zijn alleen genoemd, niet uitgewerkt. Verder in: Oudheid, Middeleeuwen (nog te schrijven), Hedendaagse tijd (nog te schrijven).
- 5.2.GL3.8 3de leerjaarDe leerlingen kunnen aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen: oudheid, middeleeuwen, hedendaagse tijd.Geen grensjaren voor de periodes (Op.stap geeft ze niet); de bronnen per periode zijn alleen genoemd, niet uitgewerkt. Verder in: Oudheid, Middeleeuwen (nog te schrijven), Hedendaagse tijd (nog te schrijven).
- 5.2.GL4.8 4de leerjaarDe leerlingen kennen de volgende begrippen: het verleden, het heden, de toekomst, de periode, de duur, geschiedenis.De omschrijvingen van periode en duur zijn werkdefinities van de Kennisatlas, niet uit een bron. Verder in: Bron en bewijs.
- 5.2.GL4.9 4de leerjaarDe leerlingen kennen de tijdsaanduidingen: v.o.t. en o.t.Omrekeningen van consuls en Olympiaden naar jaartallen zijn niet gebronnen (geen fasti-bron); jaartellingen buiten Europa zijn niet behandeld.
- 5.2.GL4.10 4de leerjaarDe leerlingen kunnen aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, hedendaagse tijd.Geen grensjaren (Op.stap geeft ze niet); de bronnen zijn alleen genoemd. Verder in: Prehistorie (nog te schrijven), Oudheid, Middeleeuwen (nog te schrijven), Vroegmoderne tijd (nog te schrijven), Hedendaagse tijd (nog te schrijven).
- 5.2.GL5.5 5de leerjaarDe leerlingen kennen de zes periodes van het gehanteerde historische referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd.Geen grensjaren: Op.stap geeft ze niet en er is geen bron gevonden die de afbakening van Op.stap vastlegt. Verder in: Prehistorie (nog te schrijven), Oudheid, Middeleeuwen (nog te schrijven), Vroegmoderne tijd (nog te schrijven), Moderne tijd (nog te schrijven).
- 5.2.GL6.5 6de leerjaarDe leerlingen kennen de zes periodes van het gehanteerde historische referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd.Geen grensjaren: Op.stap geeft ze niet en er is geen bron gevonden die de afbakening van Op.stap vastlegt. Verder in: Prehistorie (nog te schrijven), Oudheid, Middeleeuwen (nog te schrijven), Vroegmoderne tijd (nog te schrijven), Moderne tijd (nog te schrijven), Hedendaagse tijd (nog te schrijven).
Minimumdoelen
- 5.2.9 vierde leerjaarDe leerlingen kennen de volgende begrippen: het verleden, het heden, de toekomst, de periode, de duur, geschiedenis.
- 5.2.10 vierde leerjaarDe leerlingen kennen de tijdsaanduidingen: v.o.t. en o.t.
- 5.2.11 vierde leerjaarDe leerlingen kunnen aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen.
- 5.2.7 zesde leerjaarDe leerlingen kennen de zes periodes van het gehanteerde historische referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd.
- 5.2.3 derde kleuterklasDe kleuters kennen de volgende begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu, later, oud, nieuw.
- 5.2.4 derde kleuterklasDe kleuters kunnen gebeurtenissen en eigen ervaringen chronologisch ordenen.
- 5.2.5 derde kleuterklasDe kleuters kunnen drie gegeven bronnen uit het verleden chronologisch ordenen met behulp van de begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu.
Over dit artikel
- Geschreven
- 3 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 3 november 2026
- Fout gezien?
- Meld een correctie