Onderwerpengroep · Geschiedenis

Historische werkwijzen

Bron en bewijs, soorten bronnen, het werk van archeologen en historici, historische vragen, oorzaak en gevolg, verandering en continuïteit, chronologie en perspectief.

Artikelen

De artikelen in deze groep zijn in voorbereiding.

Doelen in deze rubriek

Herkomst: Op.stap-subdomein Bronnengebruik, Historisch redeneren, Chronologisch bewustzijn, Perspectieven en het overeenkomstige onderdeel van de minimumdoelen. De groepering van artikelen is redactioneel; de doelen behouden hun eigen indeling.

Op.stap (66 doelen)
  • 5.2.GJK.1 jongste kleuter · De leerlingen kunnen soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen herkennen: hedendaagse tijd in de omgeving.
  • 5.2.GJK.2 jongste kleuter · De leerlingen kunnen soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen herkennen: hedendaagse tijd in eigen leefomgeving.
  • 5.2.GK2.1 2de kleuter · De leerlingen kunnen soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen herkennen: prehistorie.
  • 5.2.GK2.2 2de kleuter · De leerlingen kunnen soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen herkennen: hedendaagse tijd in de omgeving.
  • 5.2.GK2.3 2de kleuter · De leerlingen kunnen soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen herkennen: hedendaagse tijd in eigen leefomgeving.
  • 5.2.GK2.4 2de kleuter · De leerlingen kunnen enkele veranderingen tussen verleden en heden herkennen.
  • 5.2.GK3.1 3de kleuter · De leerlingen kunnen soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen benoemen.
  • 5.2.GK3.2 3de kleuter · De leerlingen kunnen soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen benoemen.
  • 5.2.GK3.3 3de kleuter · De leerlingen kunnen soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen benoemen.
  • 5.2.GK3.4 3de kleuter · De leerlingen kunnen enkele veranderingen tussen verleden en heden opnoemen.
  • 5.2.GK3.5 3de kleuter · De leerlingen kunnen eigen ervaringen chronologisch ordenen.
  • 5.2.GK3.6 3de kleuter · De leerlingen kunnen gebeurtenissen chronologisch ordenen.
  • 5.2.GK3.7 3de kleuter · De leerlingen kunnen drie gegeven bronnen uit het verleden chronologisch ordenen met behulp van de begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu.
  • 5.2.GK3.8 3de kleuter · De leerlingen kennen de volgende begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu, later, oud, nieuw.
  • 5.2.GL1.1 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen het verschil tussen bron en bewijs herkennen.
  • 5.2.GL1.2 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen herkennen: hoe en waarom een bron is gemaakt, wanneer en waar een bron is gemaakt.
  • 5.2.GL1.3 1ste leerjaar · De leerlingen weten wat paleontologen, archeologen en historici doen.
  • 5.2.GL1.4 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de prehistorie en de oudheid herkennen.
  • 5.2.GL1.5 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen gelijkenissen en verschillen binnen en tussen bestudeerde samenlevingen aanduiden.
  • 5.2.GL1.6 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen aspecten van verandering en continuïteit aanduiden.
  • 5.2.GL1.7 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling aanduiden.
  • 5.2.GL1.8 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen: prehistorie, oudheid, hedendaagse tijd.
  • 5.2.GL1.9 1ste leerjaar · De leerlingen kunnen een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden herkennen.
  • 5.2.GL2.1 2de leerjaar · De leerlingen kunnen het verschil tussen bron en bewijs herkennen.
  • 5.2.GL2.2 2de leerjaar · De leerlingen kunnen typische vragen herkennen om te stellen over aangereikte bronnen: hoe en waarom een bron is gemaakt, wanneer en waar een bron is gemaakt.
  • 5.2.GL2.3 2de leerjaar · De leerlingen weten wat paleontologen, archeologen en historici doen.
  • 5.2.GL2.4 2de leerjaar · De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid en de middeleeuwen herkennen.
  • 5.2.GL2.5 2de leerjaar · De leerlingen kunnen gelijkenissen en verschillen binnen en tussen bestudeerde samenlevingen beschrijven.
  • 5.2.GL2.6 2de leerjaar · De leerlingen kunnen aspecten van verandering en continuïteit beschrijven.
  • 5.2.GL2.7 2de leerjaar · De leerlingen kunnen oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling beschrijven.
  • 5.2.GL2.8 2de leerjaar · De leerlingen kunnen aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen: oudheid, middeleeuwen, hedendaagse tijd.
  • 5.2.GL2.9 2de leerjaar · De leerlingen kunnen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden op elementair niveau vergelijken.
  • 5.2.GL3.1 3de leerjaar · De leerlingen kunnen het verschil tussen bron en bewijs benoemen.
  • 5.2.GL3.2 3de leerjaar · De leerlingen kunnen typische vragen benoemen om te stellen over aangereikte bronnen: hoe en waarom een bron is gemaakt, wanneer en waar een bron is gemaakt.
  • 5.2.GL3.3 3de leerjaar · De leerlingen weten wat paleontologen, archeologen en historici doen.
  • 5.2.GL3.4 3de leerjaar · De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid en de middeleeuwen noemen.
  • 5.2.GL3.5 3de leerjaar · De leerlingen kunnen gelijkenissen en verschillen binnen en tussen bestudeerde samenlevingen uitleggen.
  • 5.2.GL3.6 3de leerjaar · De leerlingen kunnen aspecten van verandering en continuïteit uitleggen.
  • 5.2.GL3.7 3de leerjaar · De leerlingen kunnen oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling uitleggen.
  • 5.2.GL3.8 3de leerjaar · De leerlingen kunnen aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen: oudheid, middeleeuwen, hedendaagse tijd.
  • 5.2.GL3.9 3de leerjaar · De leerlingen kunnen een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden benoemen.
  • 5.2.GL4.1 4de leerjaar · De leerlingen kennen het verschil tussen bron en bewijs.
  • 5.2.GL4.2 4de leerjaar · De leerlingen kennen typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen: hoe en waarom een bron is gemaakt, wanneer en waar een bron is gemaakt.
  • 5.2.GL4.3 4de leerjaar · De leerlingen weten wat paleontologen, archeologen en historici doen.
  • 5.2.GL4.4 4de leerjaar · *De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de prehistorie, de oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd noemen.
  • 5.2.GL4.5 4de leerjaar · De leerlingen kunnen gelijkenissen en verschillen onderscheiden binnen en tussen bestudeerde samenlevingen.
  • 5.2.GL4.6 4de leerjaar · De leerlingen kunnen aspecten van verandering en continuïteit bespreken.
  • 5.2.GL4.7 4de leerjaar · De leerlingen kunnen oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling verklaren.
  • 5.2.GL4.8 4de leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: het verleden, het heden, de toekomst, de periode, de duur, geschiedenis.
  • 5.2.GL4.9 4de leerjaar · De leerlingen kennen de tijdsaanduidingen: v.o.t. en o.t.
  • 5.2.GL4.10 4de leerjaar · De leerlingen kunnen aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, hedendaagse tijd.
  • 5.2.GL4.11 4de leerjaar · De leerlingen kunnen een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden begrijpen.
  • 5.2.GL5.1 5de leerjaar · De leerlingen kunnen aangereikt bewijs uit bronnen gebruiken bij het antwoorden op historische vragen.
  • 5.2.GL5.2 5de leerjaar · De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de vroegmoderne, moderne en hedendaagse tijd noemen.
  • 5.2.GL5.3 5de leerjaar · De leerlingen kunnen typische historische vragen stellen met betrekking tot continuïteit-verandering.
  • 5.2.GL5.4 5de leerjaar · De leerlingen kunnen hun gedachten ordenen om typische historische vragen te beantwoorden met betrekking tot continuïteit-verandering, oorzaak-gevolg.
  • 5.2.GL5.5 5de leerjaar · De leerlingen kennen de zes periodes van het gehanteerde historische referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd.
  • 5.2.GL5.6 5de leerjaar · De leerlingen kunnen hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen in het verleden.
  • 5.2.GL5.7 5de leerjaar · De leerlingen kunnen redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit verschillende perspectieven.
  • 5.2.GL6.1 6de leerjaar · De leerlingen kunnen aangereikt bewijs uit bronnen gebruiken bij het antwoorden op historische vragen.
  • 5.2.GL6.2 6de leerjaar · De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de vroegmoderne, moderne en hedendaagse tijd noemen.
  • 5.2.GL6.3 6de leerjaar · De leerlingen kunnen typische historische vragen stellen met betrekking tot continuïteit-verandering.
  • 5.2.GL6.4 6de leerjaar · De leerlingen kunnen hun gedachten ordenen om typische historische vragen te beantwoorden met betrekking tot continuïteit, verandering, oorzaak-gevolg.
  • 5.2.GL6.5 6de leerjaar · De leerlingen kennen de zes periodes van het gehanteerde historische referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd.
  • 5.2.GL6.6 6de leerjaar · De leerlingen kunnen hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen in het verleden.
  • 5.2.GL6.7 6de leerjaar · De leerlingen kunnen redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit verschillende perspectieven.
Minimumdoelen (23)
  • 5.2.1 vierde leerjaar · De leerlingen kennen het verschil tussen bron en bewijs.
  • 5.2.2 vierde leerjaar · De leerlingen kennen typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen:
  • 5.2.3 vierde leerjaar · De leerlingen weten wat paleontologen, archeologen en historici doen.
  • 5.2.4 vierde leerjaar · De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd noemen.
  • 5.2.5 vierde leerjaar · De leerlingen kunnen gelijkenissen en verschillen onderscheiden binnen en tussen bestudeerde samenlevingen.
  • 5.2.6 vierde leerjaar · De leerlingen kunnen aspecten van verandering en continuïteit bespreken.
  • 5.2.7 vierde leerjaar · De leerlingen kunnen oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling verklaren.
  • 5.2.8 vierde leerjaar · De leerlingen kunnen een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden begrijpen.
  • 5.2.9 vierde leerjaar · De leerlingen kennen de volgende begrippen: het verleden, het heden, de toekomst, de periode, de duur, geschiedenis.
  • 5.2.10 vierde leerjaar · De leerlingen kennen de tijdsaanduidingen: v.o.t. en o.t.
  • 5.2.11 vierde leerjaar · De leerlingen kunnen aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen.
  • 5.2.1 zesde leerjaar · De leerlingen kunnen aangereikt bewijs uit bronnen gebruiken bij het antwoorden op historische vragen.
  • 5.2.2 zesde leerjaar · De leerlingen kunnen diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de vroegmoderne, moderne en hedendaagse tijd noemen.
  • 5.2.3 zesde leerjaar · De leerlingen kunnen typische historische vragen stellen met betrekking tot:
  • 5.2.4 zesde leerjaar · De leerlingen kunnen hun gedachten ordenen om typische historische vragen te beantwoorden met betrekking tot:
  • 5.2.5 zesde leerjaar · De leerlingen kunnen hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen in het verleden.
  • 5.2.6 zesde leerjaar · De leerlingen kunnen redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit verschillende perspectieven.
  • 5.2.7 zesde leerjaar · De leerlingen kennen de zes periodes van het gehanteerde historische referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd.
  • 5.2.1 derde kleuterklas · De kleuters kunnen soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen benoemen:
  • 5.2.2 derde kleuterklas · De kleuters kunnen enkele veranderingen tussen verleden en heden opnoemen.
  • 5.2.3 derde kleuterklas · De kleuters kennen de volgende begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu, later, oud, nieuw.
  • 5.2.4 derde kleuterklas · De kleuters kunnen gebeurtenissen en eigen ervaringen chronologisch ordenen.
  • 5.2.5 derde kleuterklas · De kleuters kunnen drie gegeven bronnen uit het verleden chronologisch ordenen met behulp van de begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu.