Perspectief
Wie kijkt er, wanneer en waarom? Hoe mensen in het verleden naar hun eigen tijd keken, hoe wij er vandaag naar kijken, en hoe je leerlingen vragen leert stellen over wie er in een bron aan het woord is en wie zwijgt.
Zo gemarkeerd: een woord dat Op.stap bij dit onderwerp expliciet gebruikt.
Twee mensen die naar hetzelfde kijken, zien niet altijd hetzelfde. Een bisschop die over boeren schrijft, ziet hen anders dan een boer zichzelf zou zien. Een Romeinse veldheer beschrijft zijn vijand anders dan die vijand zichzelf zou beschrijven. En wij, eeuwen later, kijken nog eens anders naar allebei. Dat verschil heet perspectief. Dit artikel gaat over hoe je dat verschil in de klas zichtbaar maakt.
Op.stap laat leerlingen vanaf het eerste leerjaar het verschil herkennen tussen het perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op dat verleden. In het tweede leerjaar vergelijken ze die twee, in het derde benoemen ze het verschil en in het vierde begrijpen ze het. In het vijfde en zesde leerjaar gebruiken ze hun historische kennis om vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen, en verwoorden ze redeneringen vanuit verschillende perspectieven (KOV Op.stap 1.3) (AHOVOKS 2026). Bij elk doel staat dat het ‘in samenhang met doelen uit kennis van het verleden én herhaaldelijk aan bod’ moet komen (KOV Op.stap 1.3). Perspectief is dus geen apart lesonderwerp. Het is een vraag die je stelt bij wat de leerlingen al over het verleden leren. Daarom komen de voorbeelden hieronder uit andere artikels van de atlas, en verwijzen we daarheen voor het verhaal zelf.
Voor kleuters heeft Op.stap in dit deeldomein geen doel. Wie toch wil beginnen, vindt in het artikel over vroeger en nu de eerste stap: zien dat het vroeger anders was.
Wat is perspectief?
Een perspectief is de plaats van waaruit iemand naar iets kijkt: wie die persoon is, wanneer en waar hij leeft, wat hij weet en wat hij wil. Wie iets vertelt over het verleden, vertelt het altijd vanuit zo’n plaats. Dat geldt voor de mensen van toen, en het geldt voor ons.
Het Historical Thinking Project in Canada omschrijft historisch perspectief als het begrijpen van de sociale, culturele, intellectuele en emotionele omstandigheden waarin mensen in het verleden leefden, en als het erkennen dat de mensen van toen uiteenlopende en soms tegenstrijdige overtuigingen hadden. Het vergelijkt het verleden met een vreemd land en noemt dat vreemde begrijpen een grote uitdaging voor leerlingen. Het onderscheidt historisch perspectief ook van het gewone idee dat je je in een ander inleeft (HTP, Historical Perspectives).
Toen en nu
De doelen van Op.stap onderscheiden twee soorten perspectief. Het eerste is dat van de mensen in het verleden zelf: hoe zij naar hun eigen tijd keken, wat zij belangrijk, normaal of verkeerd vonden. Het tweede is een hedendaags perspectief: hoe wij, in het heden, naar datzelfde verleden kijken. Dat tweede is altijd een blik achteraf, terugkijkend. Op.stap gebruikt daarvoor ook het woord retrospectief (KOV Op.stap 1.3).
Een hedendaags perspectief weet iets wat de mensen van toen niet wisten: hoe het afliep. Het kijkt ook met de woorden en de normen van nu. Dat is geen fout, maar je moet het weten. En het hedendaagse perspectief verandert zelf ook: mensen in de toekomst zullen op hun beurt anders kijken naar hetzelfde verleden, en naar ons.
Een werkdefinitie, geen citaat: geen extra leerlingdoel
Op.stap geeft de woorden ‘hedendaags’ en ‘retrospectief’ als richtinggevende woordenschat, maar omschrijft ze niet (KOV Op.stap 1.3). De omschrijving hierboven is een werkdefinitie die volgt uit de doelen zelf: het perspectief van mensen toen tegenover een terugkijkend perspectief van nu. Gebruik ze zo in de klas, niet als woordenboekdefinitie. Wat verleden, heden en toekomst als tijdsbegrippen betekenen, en hoe je met de periode en de duur werkt, staat in het artikel over tijd en chronologie.
Onderzoekers van historisch denken, zoals Helga Bjørke Harnes ze samenvat, zien twee kanten aan het herkennen van perspectief. De ene is een gevoel van anderszijn: de mensen van toen waren anders dan ik. De andere is een gedeelde menselijkheid: toch zijn het mensen zoals wij. Dat onderscheid gaat terug op Barton en Levstik (2004). Volgens Harnes is het moeilijk voor leerlingen om beide tegelijk vast te houden (Harnes 2025, p. 8 en 11). Wie alleen het verschil ziet, vindt de mensen van toen al snel vreemd of dom. Wie alleen de gelijkenis ziet, denkt dat ze dachten zoals wij.
Kindvraag
Wat is een perspectief?
Kort antwoord voor kinderen
Het is de plaats van waaruit iemand kijkt. Een koning ziet een oorlog anders dan een soldaat, en wij zien die oorlog nog eens anders, omdat we weten hoe hij afliep. Daarom vragen we bij elk verhaal over vroeger: wie vertelt dit, en wanneer?
Geschiedenis is een verhaal achteraf
Geschiedenis is het verhaal dat mensen achteraf over het verleden vertellen, op basis van wat het verleden heeft achtergelaten. Omdat dat verhaal later verteld wordt, zit er altijd een perspectief van later in. De visietekst bij Op.stap zegt het zo: ‘Daarbij bestaat niet één vaststaand “wij-verhaal”: leerlingen maken kennis met meerdere ervaringen en perspectieven en leren dat collectieve herinneringen selectief en veranderlijk zijn’ (KOV, Visietekst Geschiedenis, par. 2). De visietekst noemt ‘het hanteren van meerdere perspectieven’ een van de denkwijzen van historici en archeologen (KOV, Visietekst Geschiedenis, par. 3.2), en vraagt dat leerlingen bij een bron leren ‘rekening te houden met herkomst, context, bedoeling en perspectief’ (KOV, Visietekst Geschiedenis, par. 5).
Dat sluit aan bij wat in het artikel over bron en bewijs staat: een bron wordt pas bewijs als je weet wie ze maakte, wanneer, waarom en voor wie. Perspectief is de vraag die daarbij hoort: vanuit welke plaats kijkt deze bron, en wat ziet ze daardoor niet?
Twee blikken herkennen
In het eerste leerjaar gaat het om herkennen: er is een blik van toen en een blik van nu, en die zijn niet dezelfde. Op.stap geeft twee voorbeelden: hoe wij naar dieren kijken tegenover hoe mensen in de prehistorie dat deden, en de vraag of je belangrijker bent naargelang je beroep, en hoe mensen in een standenmaatschappij daarover dachten (KOV Op.stap 1.3).
Dieren op de grotwand
Wat mensen in de prehistorie van dieren dachten, weten we niet uit hun eigen woorden: ze schreven niets op. Wat we hebben, zijn hun schilderingen. Voor Lascaux zet het Franse ministerie van Cultuur de verklaringen van onderzoekers op een rij, van kunst om de kunst tot jachtrituelen en sjamanisme, en kent het aan geen enkele zekerheid toe (Ministère de la Culture, Lascaux (interpretaties)). Die verklaringen staan uitgewerkt bij de grotschilderingen.

Voor perspectief is dit een eenvoudig, eerlijk vertrekpunt. Wij zien vandaag een bizon op een muur, en misschien denken we aan een dier in de zoo of in een boek. Of de maker er hetzelfde in zag, weten we niet. Het verschil herkennen betekent hier vooral: zeggen dat wij kijken met onze eigen ogen, en dat de blik van de makers ons ontbreekt.
Bidden, vechten, werken
Rond het begin van de elfde eeuw schreef Adalbero, bisschop van Laon in Noord-Frankrijk, een gedicht in de vorm van een gesprek tussen een bisschop en koning Robert. Wanneer precies, is onzeker; Adalbero stierf in 1030 (Adalbero, Carmen). In dat gedicht staat een van de bekendste middeleeuwse omschrijvingen van de samenleving:
Uit de tijd zelf
Het huis van God, dat voor één geldt, is dus drievoudig. Sommigen bidden, anderen vechten, nog anderen werken. Die drie horen samen en laten geen scheuring toe.
Triplex ergo Dei domus est, quae creditur una. Nunc orant alii, pugnant, aliique laborant.
Wie bidt, wie vecht en wie werkt: dat lijkt een eenvoudige verdeling van beroepen. Maar het is de verdeling zoals een bisschop ze zag, en de bisschop noemt zijn eigen groep, die bidt, als eerste. In hetzelfde gedicht zegt de bisschop dat de edele en de dienstbare niet door dezelfde wet gebonden zijn, en dat geen vrije zonder de dienstbaren kan leven (Adalbero, Carmen). De mensen die werken, zijn het onderwerp van het gedicht. Zelf spreken ze er niet in.
Zo wordt de vraag van Op.stap, ‘ben je belangrijker naargelang je beroep?’, een vraag naar perspectief. Wij antwoorden vandaag misschien dat elk beroep evenveel waard is. Adalbero beschreef een vaste orde, die hij het huis van God noemde. Wat een boer in zijn tijd ervan vond, staat niet in zijn gedicht. In de Kennisatlas komen de onvrije mensen van de middeleeuwen ook aan bod bij vrij of onvrij, en wie wel en niet meesprak in een raad, bij de Keure van Kortenberg.
Uitbreiding Wat Adalbero over de dienstbaren schrijft
Het gedicht is moeilijk. De Latijnse tekst is op sommige plaatsen beschadigd of onduidelijk, en de Franse vertaler van de tekst zegt dat hij meer dan eens moest gissen. Het woord servi kan ‘slaven’, ‘horigen’ of ‘dienstbaren’ betekenen (Adalbero, Carmen). De passages hieronder geven we daarom alleen in een vrije weergave, met het Latijn erbij.
De bisschop begint met een onderscheid: ‘Lex humana duas indicit conditiones: / Nobilis et servus simili non lege tenentur.’ De menselijke wet kent volgens hem twee toestanden, en de edele en de dienstbare vallen niet onder dezelfde wet.
De koning zegt over de dienstbaren: ‘Hoc genus afflictum, nil possidet absque labore.’ Dat geplaagde volk bezit niets zonder te werken.
De bisschop vervolgt: ‘Thesaurus, vestis, cunctis sunt pascua servi. / Nam valet ingenuus sine servis vivere nullus.’ Schatten, kleding en voedsel voor iedereen komen van de dienstbaren, want geen vrije kan zonder hen leven (Adalbero, Carmen).
Let op wat dit wel en niet toont. Het gedicht erkent dat de werkenden alles opbrengen, en noemt hen geplaagd. Toch verandert het niets aan de orde: het pleit er net voor dat die orde blijft. Het is de tekst van één bisschop, gericht aan een koning, geen beschrijving van hoe iedereen in die tijd de samenleving zag. Hoe oud het gedicht precies is, staat niet vast: de oude inleiding bij de tekst noemt ‘rond 1006’, maar twijfelt daar zelf aan (Adalbero, Carmen).
Kindvraag
Vonden de mensen in de middeleeuwen dat je belangrijker was door je beroep?
Kort antwoord voor kinderen
Een bisschop, Adalbero, schreef dat sommigen bidden, anderen vechten en nog anderen werken, en dat die orde zo moest blijven. Wat de boeren zelf vonden, schreven ze niet op. Daarom weten we vooral wat een bisschop ervan dacht, en niet wat iedereen dacht.
Vergelijken: slavernij bij de Romeinen
In het tweede leerjaar vergelijken leerlingen de twee blikken. Op.stap geeft als voorbeeld slavernij bij de Romeinen: ‘Hoe keken de Romeinen daar naar? Hoe kijken wij daar naar?’ (KOV Op.stap 1.3). Het artikel over slavernij werkt die vraag met de bronnen uit. Hier gaat het om wat het voorbeeld over perspectief leert: ‘de Romeinen’ dachten niet één ding.
Het landbouwhandboek van Cato, die leefde van 234 tot 149 v.o.t. (Loeb 1934, inleiding bij Cato), zet een oude slaaf in een lijst van dingen die een eigenaar beter verkoopt:
Uit de tijd zelf
… hij verkope oude ossen, zwakke kuddedieren, zwakke schapen, wol, huiden, een oude kar, oud gereedschap, een oude slaaf, een zieke slaaf, en wat er verder overschiet.
… plostrum vetus, ferramenta vetera, servum senem, servum morbosum …
Seneca, die veel later leefde en op bevel van keizer Nero stierf (Tacitus, Ann., 15.60–64), schreef: ‘“Het zijn slaven.” Nee, het zijn mensen’ (Seneca, Ep. 47, 47.1). De jurist Florentinus noemde slavernij ‘een instelling van het volkenrecht’, waardoor iemand ‘tegen de natuur in’ onder het gezag van een ander wordt gebracht (Digesta 1, 1.5.4.1): tegen de natuur, en toch een instelling van het recht. Drie stemmen, drie perspectieven. Geen van deze teksten is door een slaafgemaakte geschreven.
Daarnaast staat het hedendaagse perspectief, en dat zit hier zelfs in een woord. In de Kennisatlas schrijven we ‘slaafgemaakte’, omdat het woord ‘slaaf’ volgens een gids van het Nationaal Museum van Wereldculturen een categorie normaliseert die niet bij iemands identiteit hoort (Woorden doen ertoe (2018), lemma ‘Slaaf’). Dat is een bewuste keuze van nu, uitgelegd bij waarom ‘slaafgemaakte’. In de bronfragmenten blijft het woord van de bron staan. Zo zie je beide perspectieven naast elkaar op dezelfde bladzijde.
Kindvraag
Hoe keken de Romeinen naar slavernij?
Kort antwoord voor kinderen
Niet allemaal op dezelfde manier. Cato schreef over een oude slaaf alsof het een oude kar was. Seneca schreef: het zijn mensen. Een wet noemde slavernij ‘tegen de natuur’, maar regelde ze toch. Wij noemen die mensen vandaag slaafgemaakten, omdat iemand anders hen tot slaaf maakte.
Nuance voor de leerkracht
Deze schrijvers leefden eeuwen uit elkaar. En wat de slaafgemaakten zelf dachten, staat in geen van deze teksten.
Benoemen: een held van later
In het derde leerjaar benoemen leerlingen het verschil. Een goed voorbeeld is Ambiorix, de leider van de Eburonen die in opstand kwam tegen Caesar (Caesar, BG, 5.24–5.37). Wat we van hem weten, lezen we bij Caesar, zijn tegenstander: dat is een perspectief van toen, maar van een vijand. Op de Grote Markt van Tongeren staat sinds 1866 een standbeeld van Ambiorix, gemaakt door Jules Bertin (KIK-IRPA, Ambiorix) (VRT NWS 2026). Dat beeld is een perspectief van later. Robert Nouwen, oud-conservator van het Gallo-Romeins Museum, wijst erop dat België pas na 1830 ontstond, en dat Ambiorix dus moeilijk ‘de eerste Belg’ kan heten (VRT NWS 2026). Het hele verhaal staat bij Ambiorix.

Wat leerlingen hier kunnen benoemen: Caesar schreef in zijn eigen tijd, als veldheer die zijn oorlog uitlegde. Het standbeeld kwam ruim negentien eeuwen later, in een land dat pas enkele decennia bestond, en werd ingehuldigd in aanwezigheid van koning Leopold II (VRT NWS 2026). Twee perspectieven op dezelfde man, en geen van beide is dat van Ambiorix zelf.
Ook wie in Caesars tijd wel iets te zeggen had, kennen we vaak alleen via hem. Over de druïden schrijft hij dat ze hun leer niet opschrijven, al gebruiken ze voor andere zaken Griekse letters (Caesar, BG, 6.14.4). Wat ze dachten, lezen we dus door de ogen van de Romein die tegen hen oorlog voerde.
Een eenvoudig schema voor het bord: geen extra leerlingdoel
Zet drie kolommen op het bord: ‘wat Caesar schreef (toen)’, ‘wat het standbeeld toont (later)’ en ‘wat we niet weten (Ambiorix zelf)’. Laat de leerlingen bij elke uitspraak zeggen in welke kolom ze hoort. De derde kolom blijft vaak bijna leeg, en dat is net het punt.
Begrijpen waarom men zo keek
In het vierde leerjaar gaat het om begrijpen: waarom keken mensen toen zo, vanuit hun eigen tijd en positie? Op.stap geeft drie waarom-vragen, over koning Afonso I van Kongo en over Bruegels Korenoogst (KOV Op.stap 1.3). Wie zo’n vraag stelt, moet eerst weten wat er gebeurde. Daarna kun je vragen wat het voor de mensen van toen betekende.
Een zoon als bisschop
Afonso I, koning van Kongo in het begin van de zestiende eeuw, stuurde in 1508 zijn zoon Henrique naar Portugal om er te studeren. Henrique werd bisschop: volgens het AfricaMuseum in 1518, volgens de historicus Louis Jadin werd hij in 1521 gewijd. Hij stierf omstreeks 1530–1531 (Afonso I aan Manuel I (1514), inleiding van Jadin) (AfricaMuseum, Kongo-koninkrijk). Het verhaal staat bij scholen en een bisschop.
Waarom was dat zo belangrijk voor Afonso? Het antwoord vraag je vanuit zijn perspectief, niet vanuit het onze. Volgens het AfricaMuseum zocht Afonso rechtstreekse betrekkingen met de paus, wilde hij een eigen Kongolese kerk en hield hij de Portugezen weg uit het binnenland van zijn rijk (AfricaMuseum, Kongo-koninkrijk). Een zoon die bisschop werd, past bij die doelen: een Kongolees aan het hoofd van de kerk in Kongo. Dat is een redenering die je met de leerlingen kunt opbouwen uit wat het AfricaMuseum schrijft. Afonso’s eigen brieven, aan Portugal en aan Rome, laten zien hoe hij zelf sprak tegenover de Portugese koning.
De oude godsdienst in twee bronnen
Een ander voorbeeld uit Kongo toont hoe het perspectief van een schrijver in zijn woorden zit. In een brief van 1514 vertelt Afonso dat hij, met zijn eigen volgelingen, de beelden van de oude godsdienst liet verbranden:
Uit de tijd zelf
Daarom begonnen wij alle afgodsbeelden te verbranden.
Een Italiaanse schrijver, Filippo Pigafetta, vertelde in 1591 hetzelfde verhaal, naar wat de Portugese koopman Duarte Lopes hem verteld had (Pigafetta/Lopes, Report of Congo (Hartwell 1597), boek 2, hfst. 3). Over de oude godsdienst schreef hij:
Uit de tijd zelf
Ze hadden bovendien hun heksen, die het dwaze volk deden geloven dat hun afgoden konden spreken.
Allebei spreken ze van ‘afgoden’: dat is het woord van christenen over een godsdienst die ze wilden verdringen. Pigafetta voegt er een oordeel aan toe: ‘het dwaze volk’. Dat is geen beschrijving van wat de Kongolezen geloofden, maar van wat hij ervan vond. Wat de Kongolezen vóór het christendom geloofden, weten we bijna alleen uit zulke teksten. Zie de oude godsdienst door christelijke ogen. Volgens Afonso’s eigen brief noemden sommige mensen hem na de verbranding ‘een heel slecht mens’ (Afonso I aan Manuel I (1514)). Ook die stem bereikt ons dus alleen via de koning.
Een schilderij voor een koopman
Het derde voorbeeld van Op.stap is een schilderij: De korenoogst van Pieter Bruegel de Oude, uit 1565. Het hangt vandaag in het Metropolitan Museum of Art in New York. Het is olieverf op eikenhout, ongeveer 1,2 bij 1,6 meter (Bruegel, The Harvesters (Met)). Volgens het museum hoorde het bij een reeks van zes schilderijen over de tijden van het jaar, waarvan er vijf bewaard zijn. Bruegel maakte ze in opdracht van de Antwerpse koopman Niclaes Jongelinck. Het museum noemt Bruegels weergave van het plaatselijke tafereel ‘unidealized’, niet mooier gemaakt dan het was, en gebaseerd op waarneming van de natuur (Bruegel, The Harvesters (Met)).

Op.stap stelt de vraag waarom Bruegel de korenoogst voorstelde als erg hard werken en armoedig (KOV Op.stap 1.3). Dat is al een interpretatie van het schilderij, en de museumtekst zegt daar niets over. Begin daarom bij de vragen die het perspectief zichtbaar maken. Wie schilderde dit? Voor wie? Een Antwerpse koopman bestelde een reeks schilderijen over de tijden van het jaar: wat wilde hij zien? En wat zie jij erin, vandaag? Laat de leerlingen eerst beschrijven wat ze zien, en pas dan zeggen wat ze ervan denken. Zo merken ze dat ‘hard werken’ of ‘armoedig’ een lezing is, niet iets wat op het doek geschreven staat.
Een vraag openhouden: geen extra leerlingdoel
Hoe Bruegel de boeren wilde tonen, en hoe zijn opdrachtgever het schilderij bekeek, is een vraag voor kunsthistorici, en dit artikel beantwoordt ze niet. Wat wel vaststaat: het werk is gemaakt in opdracht van een Antwerpse koopman, en de boeren op het doek hebben het zelf niet besteld. Ook dat is perspectief. De Kennisatlas geeft het schilderij daarom als vertrekpunt voor vragen, niet als bewijs voor hoe arm de boeren in 1565 waren.
Vragen stellen over perspectieven
In het vijfde en zesde leerjaar gebruiken leerlingen wat ze over het verleden weten om zelf vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen (KOV Op.stap 1.3). Op.stap geeft daarvoor woordparen als richtinggevende woordenschat: mening en feit, doel en maker, invloed en betekenis, lokaal, regionaal en mondiaal, winnaar en verliezer, voordeel en nadeel, geslacht en macht (KOV Op.stap 1.3). Elk woordpaar is eigenlijk een vraag die je aan een bron of een verhaal kunt stellen. Hieronder staat bij elk paar een voorbeeld uit de atlas.
Volgens het onderzoeksoverzicht van Harnes is het innemen van meerdere perspectieven voor leerlingen makkelijker dan werken met bronnen of contextualiseren, en is het daarom misschien een goed beginpunt. Leerlingen herkennen verschillende standpunten wel, maar verwerken ze niet vanzelf in hun eigen verhaal (Harnes 2025, p. 9–10). Zonder kennis over de tijd lukt contextualiseren niet (Harnes 2025, p. 9). Dat is ook waarom Op.stap deze doelen altijd aan kennis van het verleden koppelt.
Maker en doel
De eerste vraag bij elke bron is: wie is de maker, en wat was zijn doel? Een sterk voorbeeld is een rede die de Romeinse schrijver Tacitus in de mond legde van Calgacus, een Britse leider die tegen Rome vocht:
Uit de tijd zelf
… Roven, moorden, stelen noemen ze met een valse naam ‘gezag’, en waar ze een woestenij maken, noemen ze het ‘vrede’.
… atque ubi solitudinem faciunt, pacem appellant.
Het klinkt als de stem van de overwonnenen. Maar de maker is een Romein: Tacitus schreef de rede zelf (Tacitus, Agr., 30). Het is dus Romeinse kritiek op Rome, in de mond van een tegenstander. Welk doel had hij daarmee? Die vraag kunnen leerlingen stellen, ook als het antwoord open blijft. Zie Augustus: keizer van een wereldrijk, waar de rede naast Augustus’ eigen verslag van zijn daden staat. Daar staat ook hoe een machthebber over zichzelf schrijft, tegenover wat zijn biograaf Suetonius over de nederlaag van Varus vertelt (Res gestae) (Suetonius, Aug.), bij de Germanen en de nederlaag van Varus.
Voor de Kongostaat van Leopold II zijn er drie verslagen met drie verschillende makers: een open brief van de Afro-Amerikaanse predikant George Washington Williams in 1890, het verslag van de Britse consul Roger Casement uit 1903, en het rapport van een onderzoekscommissie die Leopold zelf in 1904 aanstelde (Williams 1890, open brief) (Casement Report 1904) (Onderzoekscommissie 1905). Ze staan bij kritiek en onderzoek, en hieronder in een uitbreiding.
Feit en mening
Een feit is iets wat met bronnen na te gaan is. Een mening is wat iemand ervan vindt. Bij perspectief helpen die twee woorden om te zien dat twee mensen het over dezelfde feiten eens kunnen zijn en toch iets anders vinden.
Over Lieven Bauwens, die in 1798 een Britse spinmachine naar het vasteland smokkelde (Stad Gent 2025), bestaan twee verhalen. In het ene is hij de man die de industrie naar Gent bracht; in het andere een industriële spion, die lage lonen betaalde, gevangenen voor zich liet werken en nauw samenwerkte met de Franse bezetter (Canon van Vlaanderen: Mule Jenny). Beide verhalen steunen op dezelfde feiten. Wat verschilt, is wat je belangrijk vindt. Zie held of spion?.
Bij de drie verslagen over de Kongostaat werkt het omgekeerd. De makers hadden elk een eigen perspectief, en toch bevestigen ze elkaar op belangrijke punten, zoals gijzelname en verminking (Onderzoekscommissie 1905). Wat drie verschillende perspectieven elk afzonderlijk vaststellen, staat sterker als feit.
Voordeel en nadeel
Wat voor de ene een voordeel is, is voor de andere een nadeel. In de negentiende eeuw draaiden in Gent katoenspinnerijen met machines. In dezelfde decennia verloren veel thuisspinners op het Vlaamse platteland hun inkomen, omdat mechanische spinnerijen in Groot-Brittannië goedkoper garen maakten (Canon van Vlaanderen: aardappelcrisis). Dezelfde nieuwe machine betekende werk voor de ene en armoede voor de andere. Zie het platteland in crisis.
Winnaar en verliezer
Na de Eerste Wereldoorlog kreeg België met het Verdrag van Versailles Eupen en Malmedy, ‘een deel van het Duitse grondgebied’ (Senaat en Kamer, Groote Oorlog (2014)). Voor de Belgische staat was dat een winst. Wie winnaar en wie verliezer is, hangt hier af van wiens perspectief je neemt. De inwoners konden in 1920 in registers laten optekenen dat ze Duits wilden blijven, met hun naam erbij. Van de 33.726 kiesgerechtigden deden 271 dat. Volgens de jurist Matthias Vanhullebusch kregen de inwoners geen echte keuze over de overdracht zelf (Vanhullebusch 2025, Oost-Belgische identiteit). Wat de anderen dachten, tonen de registers niet: ze tonen wie tekende, niet waarom de rest het niet deed. Zie een raadpleging met registers.
Lokaal, regionaal, mondiaal
Een gebeurtenis ziet er anders uit naargelang je ze lokaal, regionaal of mondiaal bekijkt: vanuit één dorp of stad, vanuit een streek of land, of vanuit de hele wereld. In 1494 spraken de kronen van Castilië en Portugal in het verdrag van Tordesillas een lijn af van pool tot pool, en verdeelden ze onder elkaar ook landen die nog gevonden moesten worden (Verdrag van Tordesillas (Davenport), art. 1). Dat is een blik op wereldschaal, vanuit twee hoven in Europa. De mensen die in die landen woonden, komen in de tekst niet voor (Verdrag van Tordesillas (Davenport)). Hun lokale perspectief ontbreekt. Zie Karel V en de verdeling van de wereld.
Geslacht en macht
Wie macht had, schreef vaker en werd vaker bewaard. Bij geslacht gaat het om de vraag hoe vrouwen en mannen in de bronnen voorkomen, en wie over wie schrijft. Malintzin, de inheemse vrouw die tolk was voor Cortés, spreekt in de bronnen niet met haar eigen woorden, alleen als tolk van anderen. Haar beeld veranderde volgens Sandra M. Cypess sterk: gewaardeerd tijdens en kort na de verovering, na de onafhankelijkheid van Mexico een verraadster, en sinds het einde van de twintigste eeuw door vooral schrijfsters opnieuw bekeken (Cypess 2021). Zie van Doña Marina tot verraadster en collaborateur of niet. Ook de Romeinse Cornelia kennen we vooral via mannen: als dochter, echtgenote, moeder of schoonmoeder, bij Cornelia en de plaats van vrouwen.
Invloed en betekenis: twee herdenkingen
Een gebeurtenis heeft invloed: ze verandert iets voor de mensen die erna komen. Ze krijgt ook een betekenis: wat ze voor een groep wil zeggen. Die betekenis kan per groep verschillen, en ze kan in de loop van de tijd veranderen.
De gesneuvelden van de Eerste Wereldoorlog in de Westhoek worden op verschillende plaatsen herdacht. De Menenpoort in Ieper, ingehuldigd in 1927, is opgedragen aan de legers van het Britse Rijk en aan hun doden zonder bekend graf (Onroerend Erfgoed, Menenpoort). Zie de Menenpoort.

Ook in de Westhoek, in Diksmuide, staat de IJzertoren. Hij werd vanaf 1928 gebouwd als monument voor de Vlaamse gesneuvelden, op initiatief van het IJzerbedevaartcomité. Bij de inhuldiging in 1930 kwam het tot anti-Belgische betogingen, en volgens de Canon van Vlaanderen werd de toren ‘een van de meest omstreden monumenten in Vlaanderen’. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij opgeblazen, waarschijnlijk door verzetsstrijders, en later opnieuw opgebouwd. In 1986 werd hij erkend als gedenkteken voor de Vlaamse ontvoogding. Volgens de Canon is de opdracht van de toren en van de officiële IJzerbedevaart vandaag ‘vrede, vrijheid en verdraagzaamheid’ (Canon van Vlaanderen, IJzertoren).
Dezelfde oorlog, dezelfde streek, en toch twee heel verschillende betekenissen: de ene herdenkt de soldaten van een wereldrijk, de andere werd het teken van een Vlaamse beweging, waarover in Vlaanderen zelf hevig gediscussieerd werd. Zo zie je wat de visietekst bedoelt met herinneringen die ‘selectief en veranderlijk’ zijn (KOV, Visietekst Geschiedenis, par. 2).
Een beladen voorbeeld: geen extra leerlingdoel
De IJzertoren is een gevoelig onderwerp, en dat mag in de klas ook zo blijven. Het doel is niet dat leerlingen een kant kiezen, maar dat ze zien dat een monument iets zegt over wie het bouwde en waarom, en dat die betekenis veranderde. Vergelijk met de Menenpoort: wie bouwde dit, voor wie, en wie wordt hier herdacht? Herdenken en erfgoed in het algemeen komen aan bod in het artikel over erfgoed en herinnering.
Redeneren vanuit verschillende perspectieven
Vragen stellen is één stap. In het vijfde en zesde leerjaar leren leerlingen ook een redenering verwoorden vanuit verschillende perspectieven: hoe zag een persoon, een groep of een regering dezelfde gebeurtenis, en waarom (KOV Op.stap 1.3)? Dat lukt het best als er bronnen zijn die echt uit die verschillende hoeken komen.
Drie stemmen over augustus 1914
Op 2 augustus 1914 eiste Duitsland doortocht door België. De Belgische regering weigerde in haar antwoord van 3 augustus (Duitse nota en Belgisch antwoord (1914)):
Uit de tijd zelf
De aanval op haar onafhankelijkheid waarmee de Duitse regering haar bedreigt, is een flagrante schending van het internationaal recht. Geen enkel strategisch belang rechtvaardigt zo’n schending van het recht.
De Duitse nota gaf een andere reden: een Franse dreiging (Duitse nota en Belgisch antwoord (1914)). En in Berlijn noteerde de Belgische gezant Beyens wat de Duitse staatssecretaris Von Jagow hem zei: dat de doortocht voor Duitsland ‘een kwestie van leven of dood’ was, om eerst Frankrijk en dan Rusland te verslaan (Verslag Beyens over gesprek met Von Jagow (4 aug. 1914)). Drie bronnen over dezelfde dagen, elk vanuit een eigen plaats. En de derde komt van één deelnemer aan het gesprek: Von Jagows woorden kennen we alleen via Beyens. Zie het antwoord van België.
Hier kunnen leerlingen een redenering verwoorden: wat zou de Belgische regering zeggen over wat er op het spel stond? Wat zei de Duitse regering volgens haar eigen nota? En wat zei Von Jagow volgens Beyens? Het gaat er niet om dat ze ‘de kant van Duitsland’ kiezen, maar dat ze kunnen uitleggen hoe een partij haar eigen keuze rechtvaardigde, en waar die uitleg niet strookt met een andere bron.
Twee blikken op Panda Farnana
Paul Panda Farnana (1888–1930), de eerste Congolees met een diploma hoger onderwijs in België, richtte na de Eerste Wereldoorlog de Union congolaise op (AfricaMuseum, Panda Farnana). De koloniale Biographie Coloniale Belge van 1952 beschrijft hem vooral als iemand die gehecht was aan België en zwijgt over zijn kritiek (Coosemans 1952). Het AfricaMuseum en het expertenrapport van de Kamer tonen ook de man die meer inspraak en beter onderwijs voor Congolezen eiste (AfricaMuseum, Panda Farnana) (Expertenrapport Kamer 2021, p. 54). Twee perspectieven op dezelfde man, uit twee tijden: dat van de koloniale tijd zelf, en een terugkijkend perspectief van nu. Zie Paul Panda Farnana.

Uitbreiding Eén kolonie, drie verslagen: de Kongostaat stap voor stap
Dit is een uitgewerkt voorbeeld voor het zesde leerjaar. Het verhaal zelf staat bij kritiek en onderzoek.
De eerste stem. In 1890 schreef George Washington Williams, een Afro-Amerikaanse predikant, jurist en geschiedschrijver, na een reis door de Kongostaat een open brief aan Leopold II (Williams 1890, open brief):
Uit de tijd zelf
De regering van Uwe Majesteit heeft hun land in beslag genomen, hun dorpen verbrand, hun bezit gestolen, hun vrouwen en kinderen tot slaaf gemaakt en andere misdaden begaan, te talrijk om in bijzonderheden te vermelden.
Vraag: wie is de maker, en wat wil hij? Williams reisde zelf door het land en vroeg om een internationale onderzoekscommissie (Williams 1890, open brief). Hij noemt zijn getuigen niet.
De tweede stem. In 1903 reisde de Britse consul Roger Casement langs de rivieren. Hij ondervroeg Congolezen via tolken, en in zijn gedrukte verslag zijn hun namen vervangen door letters (Casement Report 1904). Vraag: wiens woorden lezen we hier? Die van getroffenen, maar opgeschreven door een Britse ambtenaar.
De derde stem. Leopold stelde daarop zelf een onderzoekscommissie aan. Haar rapport van 1905 bevestigde gijzelname, verminking en machtsmisbruik, maar keurde het stelsel van concessies en verplichte arbeid in beginsel goed (Onderzoekscommissie 1905). Vraag: wat bevestigt een commissie die in opdracht van de beschuldigde werkt, en wat niet?
Wie ontbreekt? Geen van de drie verslagen is door een Congolees zelf geschreven. De stemmen van de getroffenen komen alleen via anderen tot ons. Zie ook wie spreekt er?.
Een redenering verwoorden. Laat de leerlingen per maker één zin schrijven: ‘Williams zou zeggen dat …, omdat …’. Laat ze daarna samen zoeken wat alle drie vaststellen. Wat ze zo vinden, staat sterker dan wat maar één van hen beweert, juist omdat hun perspectieven zo verschillen.
Valkuilen
Het verleden meten met de maat van nu
Wie naar het verleden kijkt met de normen en het wereldbeeld van vandaag, zonder te vragen hoe de mensen van toen dachten, valt in wat onderzoekers presentisme noemen. Volgens het overzicht van Harnes is presentisme in veel studies vastgesteld: leerlingen veroordelen het verleden vaak vanuit hedendaagse mensenrechten, los van de context (Harnes 2025, p. 11). Een verklaring die de studies geven, zijn grote verhalen die leerlingen al kennen, zoals dat van de vooruitgang of van ‘het arme kindje dat moest werken’ (Harnes 2025, p. 11).
Inleven werkt ook niet vanzelf. Volgens hetzelfde overzicht vond een studie (De Leur en anderen, 2017) dat opdrachten in de ik-vorm, ‘schrijf alsof je toen leefde’, het risico op presentisme en op moreel oordelen net vergrootten (Harnes 2025, p. 11). Een ik-opdracht kan dus, maar alleen als de leerlingen eerst genoeg weten over de tijd en de persoon.
Betekent dat dat leerlingen het verleden niet mogen beoordelen? Nee. Harnes besluit dat een moreel antwoord op bijvoorbeeld slavernij of oorlog gepast is, maar dat het moet steunen op inhoudelijke kennis, historische context en het besef van de eigen positie in het heden (Harnes 2025, p. 14). Eerst begrijpen, dan oordelen, en weten dat je oordeelt vanuit nu.
Kindvraag
Mogen we zeggen dat slavernij toen ook fout was?
Kort antwoord voor kinderen
Ja. Je mag vandaag zeggen wat jij ervan vindt, en veel mensen vinden slavernij heel fout. Een goed oordeel begint wel met weten hoe het toen werkte en hoe mensen er toen over dachten. En je weet erbij dat je oordeelt als iemand van nu.
Nuance voor de leerkracht
Onderzoekers vinden een moreel oordeel over het verleden gepast, als het steunt op kennis van de tijd en op het besef dat je zelf in het heden staat (Harnes 2025, p. 14).
Één stem voor een hele groep
Een tweede valkuil is één bron laten spreken voor iedereen. ‘De Romeinen’ dachten niet één ding over slavernij. Afonso was een Kongolese koning, maar hij spreekt niet voor de boeren in zijn rijk, die we bijna alleen kennen via Europese schrijvers; zie boeren, dorpen en wie niet schreef. Panda Farnana was één man met een uitzonderlijke opleiding. Adalbero was één bisschop. Zeg in de klas met zoveel woorden wie er spreekt, en voor wie niet.
Vaak zijn het net de mensen die niet schreven, die het grootste deel van een samenleving uitmaakten: boeren, dienstbaren, slaafgemaakten, kinderen. Hun perspectief moet je soms reconstrueren uit wat anderen over hen schreven, uit wetten, of uit wat archeologen vinden. Dat lukt maar voor een deel, en dat mag je in de klas ook zo zeggen.
Drie vragen die altijd werken: geen extra leerlingdoel
Bij elke bron en elk verhaal over vroeger kun je drie vragen stellen, vanaf het eerste leerjaar in eenvoudige woorden en in de derde graad met de woordparen van Op.stap. Wie vertelt dit, en wanneer? Wat wist of wilde die persoon? Wie hoor je niet? De eerste vraag hoort ook bij vragen stellen over een bron. Hoe je die blik verbindt met oorzaak en gevolg, verandering en argumenteren, staat in het artikel over historisch redeneren.
Wat we weten en wat onzeker is
- Zeker: de bronnen die hier aangehaald worden, bestaan en zeggen wat er staat: Adalbero’s drie groepen, Cato, Seneca en Florentinus over slavernij, Caesar over de druïden, Tacitus’ rede van Calgacus, Afonso’s brief van 1514 en Pigafetta’s oordeel, de brief van Williams, het verslag van Casement en het rapport van de commissie, het Belgische antwoord van 1914. De Nederlandse weergaven in de bronkaders zijn vertalingen van de Kennisatlas.
- Onzeker of omstreden in het vak: wanneer Adalbero zijn gedicht schreef, en hoe servi in zijn tekst vertaald moet worden; wat de grotschilderingen voor hun makers betekenden; hoe Bruegel de boeren wilde tonen; wie de IJzertoren opblies.
- Interpretatie, met naam: dat een eigen zoon als bisschop paste bij Afonso’s streven naar een eigen kerk, is een redenering uit wat het AfricaMuseum schrijft. Het beeld van Malintzin door de eeuwen heen volgt Cypess. Wat leerlingen helpt of hindert bij perspectief, volgt het overzicht van Harnes, dat over historische empathie gaat, een begrip dat nauwer is dan perspectief zoals Op.stap het gebruikt.
- Woorden van het leerplan: ‘hedendaags’ en ‘retrospectief’ worden door Op.stap niet omschreven; de uitleg in dit artikel is een werkdefinitie.
Verbanden
- Begrip Bron en bewijs
- Verdieping Vragen stellen over een bron
- Begrip Historisch redeneren
- Begrip Tijd en chronologie
- Verdieping Slavernij en slaafgemaakten
- Verdieping Het Kongo-koninkrijk
- Verdieping De Onafhankelijke Kongostaat en Belgisch-Congo
- Verdieping De Eerste Wereldoorlog
- Verdieping Wereldwijde contacten en koloniale handel
- Verwijst hierheen Bron en bewijs
- Verwijst hierheen Soorten bronnen
- Verwijst hierheen Erfgoed en herinnering
- Verwijst hierheen Imperialisme
- Verwijst hierheen De Onafhankelijke Kongostaat en Belgisch-Congo
- Verwijst hierheen Slavernij en slaafgemaakten
- Verwijst hierheen Vragen stellen over een bron
Bronnen en verdieping
Historische bronnen
- Adalbero van Laon (overleden 19 juli 1030, volgens de inleiding), Didier Delannay (Franse vertaling; jaar niet vermeld) (begin 11de eeuw (datering onzeker)). Carmen ad Rotbertum regem Francorum (Latijnse tekst, met Franse vertaling).
- Pieter Bruegel de Oude (ca. 1525-1569) (1565). The Harvesters (Pieter Bruegel de Oude, 1565), Metropolitan Museum of Art, inv. 19.164.
- Marcus Porcius Cato (Cato de Oudere). De agri cultura (Latijnse tekst).
- Lucius Annaeus Seneca. Epistulae morales ad Lucilium, boek 5 (brief 47; Latijnse tekst).
- Publius Cornelius Tacitus. Annales, boek 15 (Latijnse tekst).
- Justinianus (opdrachtgever), Florentinus, Ulpianus, Marcianus, Gaius (geciteerde juristen). Digesta Iustiniani, boek 1 (Latijnse tekst).
- Gaius Iulius Caesar. Commentarii de bello Gallico (Latijnse tekst).
- Publius Cornelius Tacitus. Agricola (Latijnse tekst).
- Augustus. Res gestae divi Augusti (Latijnse tekst).
- Gaius Suetonius Tranquillus. De vita Caesarum: Divus Augustus (Latijnse tekst).
- Afonso I (Mvemba a Nzinga), Louis Jadin en Mireille Dicorato (uitgave 1974), Sammy Baloji, Congos Fragments (Villa Medici, 2020) (1514). Letter from Afonso I, King of Kongo, to Manuel I, King of Portugal, regarding the burning of the 'great house of idols', Kingdom of Kongo, 5 October 1514 (Engelse vertaling van de Franse vertaling van Jadin en Dicorato, met inleiding van Louis Jadin).
- Filippo Pigafetta, Duarte (Odoardo) Lopes, Abraham Hartwell (vertaler) (1597 (Italiaans origineel 1591)). A Report of the Kingdom of Congo, a Region of Africa (naar Filippo Pigafetta, Relatione del reame di Congo, Rome 1591, op grond van de verhalen van Duarte Lopes; Engelse vertaling door Abraham Hartwell, Londen 1597).
- George Washington Williams (1890). An Open Letter to His Serene Majesty Leopold II, King of the Belgians and Sovereign of the Independent State of Congo (Stanley Falls, 18 juli 1890).
- Roger Casement (Brits consul), Britse regering (Command Paper Cd. 1933) (1904 (verslag van Casement gedateerd 11 december 1903)). Correspondence and Report from His Majesty's Consul at Boma Respecting the Administration of the Independent State of the Congo (Africa No. 1, 1904; Casement Report).
- Edmond Janssens (voorzitter), Giacomo Nisco, E. de Schumacher, (onderzoekscommissie ingesteld door Leopold II bij decreet van 23 juli 1904) (1905 (Frans origineel in Bulletin officiel de l'État indépendant du Congo, sept.-okt. 1905; Engelse vertaling 1906)). The Congo: a report of the Commission of enquiry appointed by the Congo Free State government (Engelse vertaling, New York 1906). G. P. Putnam's Sons, New York en Londen.
- firstworldwar.com (Michael Duffy), archief Library and Archives Canada (2009). German Request for Free Passage through Belgium, and the Belgian Response, 2-3 August 1914.
- Baron Napoleon Eugene Beyens (1855-1934) (2009). Official Report of the Belgian Minister at Berlin as to how the German Government Received the Belgian Defiance (baron Beyens).
- Ferdinand en Isabella van Castilië en Aragon, Johan II van Portugal, F. G. Davenport (vertaler) (1494). Treaty between Spain and Portugal concluded at Tordesillas (Engelse vertaling).
Geraadpleegde literatuur
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
- Vlaamse overheid, AHOVOKS (2026). Minimumdoelen en visieteksten voor het derde jaar kleuteronderwijs, het vierde jaar lager onderwijs en het zesde jaar lager onderwijs.
- Projectteam nieuw leerplan basisonderwijs (2026). Visietekst Geschiedenis (nieuw leerplan basisonderwijs).
- Helga Bjørke Harnes (2025). What can empirical research tell us about how to develop students' historical empathy? A scoping review.
- Historical Thinking Project, Centre for the Study of Historical Consciousness (n.v.t.). Historical Perspectives (Historical Thinking Project).
- Canon van Vlaanderen (n.v.t.). The Yser Tower (Canon van Vlaanderen).
- Ministère de la Culture (Frankrijk), archeologie.culture.gouv.fr (2026). Lascaux: Interpretations.
- Loeb Classical Library, op LacusCurtius (Bill Thayer) (1934). Cato, De Agri Cultura: inleiding (Loeb Classical Library, 1934).
- Wayne Modest (concept en redactie), Robin Lelijveld (concept en redactie), Nationaal Museum van Wereldculturen (2018). Woorden doen ertoe / Words Matter: een incomplete gids voor woordkeuze binnen de culturele sector.
- KIK-IRPA, BALaT. Ambiorix (standbeeld, Grote Markt Tongeren), object 147186.
- Elian Pergola (2026). Mogelijke vestiging van Ambiorix ontdekt in Tongeren-Borgloon: ‘Toch is hij niet de eerste Belg’.
- AfricaMuseum (Koninklijk Museum voor Midden-Afrika), Tervuren (2020s). The Kongo kingdom (rubriek 'Before turning the page, you have to read it').
- M. Coosemans (1952). Panda Farnana (M'Fumu Paul), in: Biographie Coloniale Belge, deel III, 1952, kol. 668-669 (M. Coosemans).
- AfricaMuseum (Koninklijk Museum voor Midden-Afrika), Tervuren (2022). Paul Panda Farnana, a Congolese nationalist and pan-Africanist (AfricaMuseum).
- Sarah Van Beurden, Gillian Mathys, Elikia M'Bokolo, Mathieu Zana Etambala, Pierre-Luc Plasman, (e.a.; deskundigen van de Bijzondere Commissie) (2021). Verslag van de deskundigen, Bijzondere Commissie belast met het onderzoek over Congo-Vrijstaat (1885-1908) en het Belgisch koloniaal verleden in Congo (1908-1960), Rwanda en Burundi (1919-1962) (DOC 55 1462/003, 26 oktober 2021).
- Stad Gent / Archief Gent (2025). Engelse afstammeling van Lieven Bauwens schenkt familiearchief aan Gent.
- Canon van Vlaanderen (Vlaamse overheid). Mule Jenny from 1810. Oldest preserved specimen in the world | Ghent, Museum of Industry.
- Kamer van volksvertegenwoordigers en Belgische Senaat (2014). Het Parlement tijdens de Groote Oorlog: een thematische rondleiding (brochure).
- Canon van Vlaanderen (Vlaamse overheid). The Potato Crisis (Canon van Vlaanderen).
- Matthias Vanhullebusch (2025). The Birth of East-Belgian Identity and the Treaty of Versailles: A Critical Legal Analysis.
- Sandra M. Cypess (2021). Malintzin/Doña Marina/La Malinche.
- agentschap Onroerend Erfgoed, Inventaris van het Onroerend Erfgoed (2026). Menenpoort (Ieper), erfgoedobject 30393.
Verder lezen en kijken
- Jannet van Drie, Carla van Boxtel (2008). Historical reasoning: Towards a framework for analyzing students' reasoning about the past.
- Jason Endacott, Sarah Brooks (2013). An Updated Theoretical and Practical Model for Promoting Historical Empathy.
Doelen
Op.stap
- 5.2.GL1.9 1ste leerjaarDe leerlingen kunnen een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden herkennen.‘De periode’ en ‘de duur’ worden hier niet uitgelegd. ‘Hedendaags’ en ‘retrospectief’ staan als werkdefinitie, zonder woordenboekbron. De betekenis van de grotschilderingen staat alleen als verwijzing. De datering van Adalbero’s gedicht is onzeker en niet getoetst aan een moderne editie. Verder in: Tijd en chronologie, De prehistorie: de eerste mensen, Europa in de middeleeuwen.
- 5.2.GL2.9 2de leerjaarDe leerlingen kunnen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden op elementair niveau vergelijken.De Romeinse bronnen zelf worden in Slavernij uitgewerkt; hier alleen wat ze over perspectief tonen. ‘De toekomst’ alleen als korte werkdefinitie. Verder in: Slavernij en slaafgemaakten, Tijd en chronologie.
- 5.2.GL3.9 3de leerjaarDe leerlingen kunnen een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden benoemen.Op.stap geeft bij dit doel geen voorbeeld; Ambiorix is een keuze van de atlas. Het verhaal van Ambiorix en het standbeeld staat in De Romeinen. Verder in: De Romeinen, Tijd en chronologie.
- 5.2.GL4.11 4de leerjaarDe leerlingen kunnen een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden begrijpen.De vraag waarom de Europese clerus de Congolese bisschopszetel afschafte, is niet behandeld: geen bron die dit vaststelt of uitlegt. Bruegels Korenoogst staat alleen als vraag; dat het schilderij hard werk en armoede toont, is niet gebrond (de museumtekst zegt ‘unidealized’). Het verband tussen het bisschopsambt en Afonso’s doelen is een redenering, geen bronuitspraak. Verder in: Het Kongo-koninkrijk, Tijd en chronologie.
- 5.2.GL5.6 5de leerjaarDe leerlingen kunnen hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen in het verleden.De voorbeelden zijn kort en verwijzen naar de artikels waar ze uitgewerkt zijn. De woordparen krijgen een werkomschrijving, zonder eigen bron. Herdenken in het algemeen hoort bij Erfgoed en herinnering. Verder in: De Onafhankelijke Kongostaat en Belgisch-Congo, De Eerste Wereldoorlog, Wereldwijde contacten en koloniale handel, Historisch redeneren, Erfgoed en herinnering.
- 5.2.GL5.7 5de leerjaarDe leerlingen kunnen redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit verschillende perspectieven.De woordenschat wordt vooral bij het vragen stellen uitgelegd. De verwoording door leerlingen is didactiek, geen bronbewering. Harnes behandelt historische empathie, een nauwer begrip dan perspectief; geen leeftijdsgebonden uitspraken. Verder in: De Onafhankelijke Kongostaat en Belgisch-Congo, De Eerste Wereldoorlog, Wereldwijde contacten en koloniale handel, Historisch redeneren.
- 5.2.GL6.6 6de leerjaarDe leerlingen kunnen hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen in het verleden.De voorbeelden zijn kort en verwijzen naar de artikels waar ze uitgewerkt zijn. De woordparen krijgen een werkomschrijving, zonder eigen bron. Herdenken in het algemeen hoort bij Erfgoed en herinnering. Verder in: De Onafhankelijke Kongostaat en Belgisch-Congo, De Eerste Wereldoorlog, Wereldwijde contacten en koloniale handel, Historisch redeneren, Erfgoed en herinnering.
- 5.2.GL6.7 6de leerjaarDe leerlingen kunnen redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit verschillende perspectieven.De woordenschat wordt vooral bij het vragen stellen uitgelegd. De verwoording door leerlingen is didactiek, geen bronbewering. Harnes behandelt historische empathie, een nauwer begrip dan perspectief; geen leeftijdsgebonden uitspraken. Verder in: De Onafhankelijke Kongostaat en Belgisch-Congo, De Eerste Wereldoorlog, Wereldwijde contacten en koloniale handel, Historisch redeneren.
Minimumdoelen
- 5.2.8 vierde leerjaarDe leerlingen kunnen een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden begrijpen.
- 5.2.5 zesde leerjaarDe leerlingen kunnen hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen in het verleden.
- 5.2.6 zesde leerjaarDe leerlingen kunnen redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit verschillende perspectieven.
Over dit artikel
- Geschreven
- 4 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 4 november 2026
- Fout gezien?
- Meld een correctie