← terug naar het dossiervolgende stap →
De industriële revolutie
Hoe machines, steenkool en fabrieken in de negentiende eeuw het werk, het landschap en het dagelijks leven in België veranderden, van de spinmachine van Lieven Bauwens in Gent tot de mijnen van Charleroi, de landverhuizers van de Red Star Line en de fabrieksbel.
Zo gemarkeerd: een woord dat Op.stap bij dit onderwerp expliciet gebruikt.
In de negentiende eeuw veranderde in België de manier waarop mensen werkten en woonden sneller dan ooit tevoren. Spinnen, dat vroeger thuis met de hand gebeurde, verhuisde naar fabrieken met machines. In Henegouwen en Luik groeiden de steenkoolmijnen en de fabrieken, en nieuwe kanalen en spoorwegen verbonden ze met de rest van het land. Rond de mijnen en fabrieken groeiden dorpen aan elkaar vast, mensen trokken van het platteland naar de industriestreken, en anderen vertrokken naar Amerika. Wie in een fabriek werkte, leefde voortaan op het ritme van de bel en de klok. Dit artikel volgt die veranderingen in Gent en in Charleroi, en laat zo veel mogelijk de bronnen uit die tijd zelf spreken. Daarbij hoort één waarschuwing: die bronnen zijn bijna allemaal geschreven door fabrikanten, ingenieurs, artsen en ambtenaren. De arbeiders zelf komen er zelden aan het woord.
Wat was de industriële revolutie?
Met de industriële revolutie bedoelen we de overgang van werk met de hand, thuis of in een kleine werkplaats, naar werk met machines in fabrieken. Volgens de Canon van Vlaanderen begon die overgang in de late achttiende eeuw in het noordwesten van Engeland (Canon van Vlaanderen: Mule Jenny). Het leerplan noemt ze samen met een verandering op het platteland: de industriële en agrarische revolutie (KOV Op.stap 1.3). In België zie je de eerste vooral in de steden en mijnstreken, de tweede op het land, waar de oude manier van leven in de jaren 1830 en 1840 in een diepe crisis kwam.
Het woord ‘revolutie’ kan misleiden. Het gaat niet om één gebeurtenis op één dag, maar om een verandering over tientallen jaren, die in de ene streek vroeger begon dan in de andere. De Canon schrijft dat Luik en Henegouwen in de negentiende eeuw industriestreken werden, terwijl Oost- en West-Vlaanderen landelijke gebieden bleven met veel huisnijverheid, werk dat thuis gebeurde (Canon van Vlaanderen: aardappelcrisis). Gent, met zijn katoenspinnerijen, was daarop een uitzondering.
Machines die spinnen
Vóór de machines was spinnen thuiswerk. Volgens de Canon van Vlaanderen waren er ongeveer tien spinners nodig om één wever van garen te voorzien. In 1779 vond de Brit Samuel Crompton de Mule Jenny uit, een spinmachine die volgens de Canon bijna tweehonderd keer sneller katoen kon spinnen dan een traditioneel spinnewiel (Canon van Vlaanderen: Mule Jenny). Zulke machines kwamen niet in de huiskamers te staan, maar in spinnerijen: fabrieken met veel machines naast elkaar.
Kindvraag
Wat is een fabriek?
Kort antwoord voor kinderen
Een groot gebouw waar veel mensen samen met machines werken. In de fabrieken van Gent stonden spinmachines die veel sneller garen maakten dan iemand thuis met een spinnewiel. De arbeiders werkten er niet voor zichzelf, maar voor de eigenaar van de fabriek, die hun een loon betaalde.
Lieven Bauwens
De Mule Jenny bleef niet lang in Engeland. Lieven Bauwens, een Gentse ondernemer, smokkelde in 1798 een Britse spinmachine van Engeland naar het vasteland. Stad Gent schrijft dat hij daarmee de eerste moderne katoenspinnerij van het vasteland oprichtte (Stad Gent 2025). Het Industriemuseum in Gent noemt hem ‘Gents ondernemer en industrieel spion’: de machine werd volgens het museum ‘onderdeel per onderdeel’ naar het vasteland gesmokkeld (Industriemuseum 2023). Volgens de Canon smokkelde hij behalve de spinmachine ook een stoommachine, en wierf hij Britse technici aan door hen te misleiden over waar ze zouden gaan werken. Hij probeerde de opstelling eerst uit in Passy, bij Parijs, en vestigde zich daarna in een voormalig kartuizerklooster in Gent (Canon van Vlaanderen: Mule Jenny).

Wanneer de eerste spinnerij in Gent precies draaide, zeggen de bronnen niet op dezelfde manier: Stad Gent en het museum spreken van 1798 voor de smokkel, een artikel van de VRT noemt 1799 voor de eerste katoenspinnerij in Gent (Stad Gent 2025) (VRT NWS 26.2.2020). ‘Rond 1798–1799’ is dus de veiligste formulering.
Held of spion?
Over Bauwens bestaan twee verhalen. In het ene is hij de man die de industrie naar Gent bracht. Volgens de Canon schreef hij in 1803 zelf: ‘Ik heb een tweede Manchester geschapen’ (Canon van Vlaanderen: Mule Jenny). Manchester was een Engelse katoenstad. In het andere verhaal is hij een industriële spion. De Canon is kritisch over zijn methoden: hij betaalde lage lonen, liet Gentse gevangenen voor zich werken en werkte nauw samen met de Franse bezetter, die zijn goederen kocht. In 1814 werden zijn fabrieken openbaar verkocht (Canon van Vlaanderen: Mule Jenny).
Beide verhalen steunen op dezelfde feiten. Het verschil zit in wat je belangrijk vindt: de nieuwe machines en de werkgelegenheid, of de manier waarop hij eraan kwam en hoe hij zijn arbeiders behandelde. Dat maakt Bauwens tot een goed voorbeeld van hoe een stad een persoon kan herdenken en hoe historici daar kritisch naar kunnen kijken.
Een citaat zonder vindplaats: geen extra leerlingdoel
De zin uit 1803, ‘Ik heb een tweede Manchester geschapen’, staat in de Canon van Vlaanderen zonder vermelding van de brief of het document waarin hij voorkomt (Canon van Vlaanderen: Mule Jenny). Gebruik hem dus als ‘volgens de Canon schreef Bauwens …’, niet als een bron die je zelf kunt laten zien. Dat is meteen een mooie oefening: wat weet je van een citaat als je niet weet waar het vandaan komt?
Het Industriemuseum in Gent
Het Industriemuseum zit in een voormalige katoenspinnerij, die van Desmet-Guequier: een gebouw van vijf verdiepingen dat tot 1975 als fabriek in gebruik was (VRT NWS 26.2.2020). De vaste tentoonstelling heet ‘Over mensen en machines’ (Visit Gent: Industriemuseum). Visit Gent schrijft dat Gent de eerste stad op het vasteland was waar de industriële revolutie wortel schoot (Visit Gent: Industriemuseum); dat is de stem van de stad zelf, en ook het bekken van Charleroi heeft een vroege industriële geschiedenis (zie verderop).
Het museum bewaart een Mule Jenny. Na meer dan drie jaar onderzoek met het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK-IRPA), met röntgenfoto’s, jaarringonderzoek en literatuurstudie, besloot het museum dat dit ‘wellicht’ niet de machine is die in 1798 werd gesmokkeld, maar ‘mogelijk de allereerste machine die in Gent door Bauwens werd ineengezet, wellicht rond 1810’ (Industriemuseum 2023). Het museum noemt ze het oudste bewaarde exemplaar ter wereld (Industriemuseum 2023).

Het platteland in crisis
Op het platteland van Oost- en West-Vlaanderen leefden veel gezinnen van de landbouw en van thuiswerk, vooral het spinnen van vlas. Vanaf ongeveer 1830 kwam die huisnijverheid onder druk, omdat de mechanische vlasspinnerijen in Groot-Brittannië goedkoper garen maakten dan de Vlaamse handspinners. Een groot deel van het thuiswerk verdween (Canon van Vlaanderen: aardappelcrisis).
Daarna sloeg ook de landbouw zelf toe. In de zomer van 1845 werd rond Kortrijk voor het eerst een ziekte van de aardappelen opgemerkt. Tussen 1845 en 1847 stierven in België naar schatting 44.000 mensen aan honger en ziekte, ongeveer 30.000 van hen in Oost- en West-Vlaanderen. De Canon schrijft dat de armoede op het Vlaamse platteland daarna nog tientallen jaren aanhield (Canon van Vlaanderen: aardappelcrisis). Dat is de achtergrond van veel van de migratie die verderop in dit artikel aan bod komt.
Wat het leerplan de agrarische revolutie noemt, is de verandering van de landbouw zelf: hoe boeren hun grond bewerkten, wat ze teelden en hoeveel het land opbracht. Daarover gaat dit artikel niet verder dan deze crisis. De veranderingen in landbouwtechnieken en landbouwproductie zelf worden hier nog niet uitgewerkt.
Twee kanten van dezelfde tijd: geen extra leerlingdoel
In Gent draaiden sinds Bauwens katoenspinnerijen met machines; in dezelfde decennia verloren op het Vlaamse platteland veel thuisspinners hun inkomen door de Britse machines (Canon van Vlaanderen: aardappelcrisis). Dat is een goed voorbeeld om met leerlingen over gevolgen te praten: mechanisering kon in de ene bedrijfstak nieuw fabriekswerk opleveren, terwijl handwerkers in een andere bedrijfstak hun inkomen verloren. De Gentse katoenindustrie en de Vlaamse vlashuisnijverheid tonen verschillende kanten van die ontwikkeling. Wie de verandering in de landbouw zelf (nieuwe teelten en technieken) wil uitwerken, vindt die hier niet.
Het landschap verandert
Wie in 1800 en in 1900 over dezelfde streek in Henegouwen zou kijken, zag een ander land. Die landschapsverandering had drie kanten: nieuwe wegen voor het vervoer van steenkool en goederen (kanalen en spoorwegen), de mijnen zelf met hun torens en afvalbergen, en de huizen van de mensen die er kwamen werken. Over dat laatste gaat het hoofdstuk over Charleroi.
Kanalen
Om steenkool en andere zware vracht per schip te vervoeren, werden kanalen gegraven: kunstmatige waterwegen, met sluizen om hoogteverschillen te overbruggen. Het kanaal van Brussel naar Charleroi werd in 1832 ingehuldigd. Het begint in Dampremy bij Charleroi en werd ontworpen naar het voorbeeld van de Engelse steenkoolkanalen. Er konden bakken door van 70 ton, die men ‘baquets de Charleroi’ noemde. Later werd het kanaal verbreed voor schepen van 1.350 ton, om de industrie en de uitvoer van Waalse steenkool te steunen; het pronkstuk daarvan is het hellend vlak van Ronquières (1968). Volgens de auteurs was het kanaal een belangrijke as in de industriële en commerciële geschiedenis van Brussel (Vanderhulst & Bouteiller 2015, p. 34).
Spoorwegen
Een paar jaar later kwamen de spoorwegen: rails waarover treinen, getrokken door een stoomlocomotief, goederen en mensen vervoerden. Op 1 mei 1834 werd de wet ondertekend die de Belgische spoorwegen oprichtte, en op 5 mei 1835 reden de eerste treinen tussen Brussel (Groendreef) en Mechelen, drie treinen met samen ongeveer 900 reizigers. Volgens de VRT wilde de jonge Belgische staat zo goederen over land naar de haven van Antwerpen brengen, nadat het de toegang tot de Nederlandse waterwegen verloren had (VRT NWS 14.9.2025).

Spoorwegen lagen niet alleen boven de grond. In de Enquête van 1843 (zie verderop) schreef de Kamer van Koophandel van Charleroi over het slepen van de steenkoolkarren in de mijngangen:
Uit de tijd zelf
Gelukkig heeft de wetenschap al enkele veranderingen gebracht in het stelsel dat al lang gevolgd werd; in sommige mijnen maken spoorwegen het trekken van de volgeladen karren gemakkelijker.
… dans certaines exploitations, des chemins de fer rendent plus facile la traction des chariots chargés de houille.
Met ‘spoorwegen’ bedoelt de kamer hier rails onder de grond, in de mijngangen, en dus niet de spoorlijn tussen de steden. Het woord toont wel hoe nieuw en hoe breed het idee was: een karretje op rails rolt veel lichter dan een kar over een ruwe vloer.
Mijnen en terrils
De steenkool zat diep onder de grond. Om ze boven te halen, werden schachten gegraven, en onder de grond lange gangen. Bij het delven kwam niet alleen steenkool naar boven, maar ook veel steen. Die werd naast de mijn op een hoop gestort. Zo ontstonden de terrils, de steenbergen die je in de mijnstreken van Wallonië nog ziet. Michaël Bianchi, van de Universiteit van Luik, schrijft dat terrils ontstonden als ‘gewone afvalhopen, nevenproducten van de mijnbouw, waar men toen niet goed wist wat mee aan te vangen’. Ze bestaan vooral uit afval van schiefer en zandsteen, met resten steenkool (Bianchi 2023, p. 22–25).
Wat ooit afval was, kreeg later een andere betekenis. Toen in 1975, tijdens de oliecrisis, in Wallonië plannen kwamen om de bruikbare schiefer uit de terrils te halen, protesteerden de bewoners. Volgens Bianchi is de rij terrils in de verbeelding van de streek stilaan een toeristische en ecologische rijkdom geworden, en zelfs een teken van de eigenheid van het landschap (Bianchi 2023).

Kindvraag
Wat is een terril?
Kort antwoord voor kinderen
Een berg van stenen die bij het delven van steenkool mee naar boven kwamen. De mijnwerkers konden er niets mee, dus stortten ze die stenen naast de mijn op een hoop. Zo groeiden er in de mijnstreken grote bergen. Lang zagen mensen ze als afval; nu zien veel bewoners ze als een deel van hun landschap.
Nuance voor de leerkracht
Terrils bestaan vooral uit schiefer- en zandsteenafval met wat steenkoolresten (Bianchi 2023). Bianchi beschrijft hoe de streek er anders naar is gaan kijken: van afval naar een toeristische en ecologische rijkdom en een teken van de eigenheid van het landschap.
Van de mijngebouwen uit die tijd zijn er enkele bewaard. UNESCO beschermt in Wallonië vier mijnsites, Grand-Hornu, Bois-du-Luc, Bois du Cazier en Blegny-Mine, als de best bewaarde plaatsen van de steenkoolmijnbouw in België, met de mijngebouwen, de arbeiderswoningen en de aanleg van de mijnwijken (UNESCO, mijnsites Wallonië). Wat zo’n site als bron vertelt, staat in het artikel over soorten bronnen.
Charleroi
Het bekken van Charleroi, in Henegouwen, is het voorbeeld bij uitstek van een streek die door de industrie veranderde. Er werd al lang steenkool gedolven. Volgens de samenvatting van een proefschrift van C. Dumont (Université libre de Bruxelles, 1989) was het gebied in de zestiende eeuw al een van de meest geïndustrialiseerde van Europa, maar kwam ‘de beslissende versnelling’ pas na 1830. De industriële revolutie ontwikkelde zich er volgens die samenvatting ‘op een heel voorbeeldige manier’, samen met een ‘plotse en wonderbaarlijke’ groei van de bevolking (Dumont (1989), p. 278–279).
Welke bedrijven er waren, schreef de Kamer van Koophandel van Charleroi in 1843 zelf op, in haar antwoord op de vraag waar jonge arbeiders werkten:
Uit de tijd zelf
Het zijn de steenkoolmijnen, de glasfabrieken, de ijzerfabrieken, de steengroeven, de spijkerfabrieken en de suikerfabrieken. Een zesde van onze jonge arbeiders is jonger dan zestien jaar.
Ce sont : les mines de houille; les verreries; les usines sidérurgiques; les carrières; les clouteries; les fabriques de sucre.
Hoe het landschap er daardoor uitzag, vat Dumont in één zin samen: ‘dorpen bedekken zich met allerlei ongelijksoortige bouwsels, de eigendom wordt versnipperd, het landschap verandert’ (Dumont (1989), p. 279). Dat is verstedelijking: steeds meer mensen gaan dicht bij elkaar wonen, en dorpen groeien uit tot één bebouwd gebied rond de mijnen en fabrieken. Rond Charleroi groeiden zo de dorpen rond de mijnen en fabrieken.

Kindvraag
Waarom gingen zoveel mensen in Charleroi wonen?
Kort antwoord voor kinderen
Omdat er werk was. Rond Charleroi lagen steenkoolmijnen, glasfabrieken en ijzerfabrieken die veel arbeiders nodig hadden. Mensen van het platteland, ook uit Vlaanderen, kwamen er werken en bleven er wonen. Zo groeiden de dorpen rond de stad aan elkaar vast.
Mensen op weg
Waar werk is, komen mensen naartoe; waar armoede is, vertrekken ze. Migratie betekent dat mensen gaan wonen in een andere streek of een ander land. Tijdens de industriële revolutie gebeurde dat op twee manieren: binnen België, van het platteland naar de industriestreken, en over de grens, naar Frankrijk of naar Amerika.
Van het platteland naar Charleroi
Volgens Dumont groeide de bevolking van het bekken van Charleroi vooral door migratie. De meeste arbeiders kwamen uit landelijke streken ten noordoosten van het bekken, uit de arrondissementen Nijvel en Namen. Na 1846 ontstond een nieuwe streek waar de bedrijven arbeiders vonden: Oost-Vlaanderen. Buitenlanders leverden hooguit een tiende van de gekende inwijking. De nieuwkomers waren vooral jonge volwassenen, en er waren meer mannen dan vrouwen (Dumont (1989), p. 279).
Dat Vlamingen in die jaren vertrokken, past bij de crisis op het Vlaamse platteland. De Canon van Vlaanderen schrijft dat veel Vlamingen seizoenswerk deden in Frankrijk en dat sommigen naar Wallonië of Noord-Frankrijk trokken om in de textiel te werken. Tot de Eerste Wereldoorlog vertrokken er uit Vlaanderen meer mensen dan er kwamen wonen (Canon van Vlaanderen: aardappelcrisis).
Welkom waren ze niet altijd. Volgens Dumont werden de Vlamingen ‘vaak buitengesloten’ door de samenleving waar ze aankwamen, maar zonderden ze zich meestal niet af van de rest van de arbeiders (Dumont (1989), p. 279). Ook wie binnen het eigen land verhuisde, kon dus als vreemde behandeld worden.
Landverhuizers naar Amerika
Landverhuizers zijn mensen die hun land verlaten om ergens anders te gaan wonen, meestal voorgoed. In de negentiende eeuw vertrokken miljoenen Europeanen naar de Verenigde Staten. Belgen waren daarbij een kleine groep. De historicus Torsten Feys geeft, naar Stengers (1978), deze cijfers voor wie zich in de negentiende eeuw in de Verenigde Staten vestigde: 29.000 Belgen, tegenover 94.000 Nederlanders, 582.000 Zweden en 2.500.000 Duitsers. Stengers verklaarde dat kleine Belgische aantal door de migratie binnen België en naar Frankrijk (Feys 2004, p. 195–196). De VRT noemt voor een latere periode een ander cijfer: tussen 1871 en 1930 zouden ongeveer 137.000 Belgen naar de Verenigde Staten zijn uitgeweken (VRT NWS 4.2.2020). De twee cijfers gaan over andere periodes en zijn dus niet met elkaar in tegenspraak.
Toch dacht de Belgische overheid in de crisisjaren aan uitwijking als oplossing. Feys onderzocht hoe de autoriteiten tussen 1847 en 1856 probeerden een deel van de arme bevolking naar de Verenigde Staten te laten vertrekken, in de jaren na de plattelandscrisis in Vlaanderen. Antwerpen gold toen als een ‘ideale emigratiehaven’ (Feys 2004, p. 195–196).
Waarom iemand vertrok, hoor je het best van de landverhuizers zelf. In 1913 schreef Arthur Rousseau, een jonge bouwvakker uit Deinze die in Detroit was terechtgekomen, aan zijn moeder: ‘…dat is ongelooflijk wat geld er hier te winnen is voor ons… En daarom moeder moet gij u niet te kort doen als gij wat nodig hebt, laat het mij weten, want het steekt hier niet op honderd frank…’ (Van Assche 2014). We kennen die zinnen uit een artikel van Dirk Van Assche over het Red Star Line Museum, niet uit de brief zelf. Ze tonen wat deze landverhuizer in Amerika vond: werk, een beter loon, en geld om naar huis te sturen.
Kindvraag
Waarom gingen mensen naar Amerika?
Kort antwoord voor kinderen
Sommigen vertrokken omdat ze thuis arm waren, anderen hoopten er meer te verdienen. Een jonge bouwvakker uit Deinze schreef in 1913 vanuit Detroit aan zijn moeder dat je er ‘ongelooflijk’ veel geld kon verdienen, en dat zij hem moest laten weten als ze iets nodig had.
Nuance voor de leerkracht
Uit België vertrokken in de negentiende eeuw veel minder mensen naar Amerika dan uit Duitsland of Zweden; veel meer Belgen trokken naar Wallonië of naar Frankrijk (Feys 2004). Op de schepen van de Red Star Line uit Antwerpen waren de meeste passagiers geen Belgen (Van Assche 2014).
De Red Star Line
Wie vanuit Antwerpen naar Amerika vertrok, deed dat vaak met de Red Star Line. Tussen 1873 en 1934 vervoerde die rederij meer dan twee miljoen passagiers van Antwerpen naar New York, en een klein deel naar Canada. Minder dan tien procent van hen was Belg. De meesten kwamen uit Oost-Europa, en een belangrijk deel was Joods. Op het drukste moment kwamen er elke week enkele duizenden landverhuizers in Antwerpen aan (Van Assche 2014).
Een ticket was vaak een hele reis in één: de treinreis naar Antwerpen, het logement in de stad, de overtocht en de verdere treinreis in Amerika. Wie niet gezond bleek, werd teruggestuurd, op kosten van de rederij (Van Assche 2014). Eind september 2013 opende in Antwerpen het Red Star Line Museum. Het vertelt onder meer het verhaal van Ita Moel, die in 1921 werd teruggestuurd omdat ze een oogziekte had (Van Assche 2014).
De rederij maakte reclame met grote affiches. Een affiche van de kunstenaar Henri Cassiers (1858–1944) uit 1901, met de woorden ‘Red Star Line. Antwerpen – New York’, wordt onder meer bewaard in het Museum für Kunst und Gewerbe in Hamburg (Cassiers 1901 (MKG)); een exemplaar met het schip Zeeland zit in de collectie van de stad Antwerpen (Cassiers 1901 (Antwerpen)). Het Red Star Line Museum bewaart ongeveer zesduizend voorwerpen, waaronder affiches en postkaarten van Cassiers (Red Star Line Museum: collectie). Zo’n affiche is een bron over hoe de rederij de reis wilde tonen, niet over hoe de reis voor de meeste passagiers was.

Passagierslijsten als bron: geen extra leerlingdoel
Van veel schepen bestaan passagierslijsten, en leerlingen vinden het spannend om echte namen te lezen. Let op wat er bewaard is. Een lijst van de SS Zeeland van de Red Star Line (8 augustus 1908) in een Amerikaanse privéverzameling bevat alleen de passagiers van de eerste klasse (99 namen) en de tweede klasse (153 namen) (GG Archives: Red Star Line). De meeste landverhuizers reisden in de derde klasse. Hen vind je eerder in de Amerikaanse aankomstlijsten, de manifesten, die per passagier onder meer naam, leeftijd, geslacht, beroep, nationaliteit, laatste woonplaats en bestemming noteerden, en vanaf 1903 ook hoeveel geld hij of zij bij zich had. Volgens een regeling van 1917 stond de eerste klasse op roze, de tweede op gele en de derde klasse op witte bladen (Smith 1996 (Prologue)). De manifesten van schepen die tussen 1892 en 1924 in New York aankwamen, zijn gratis te doorzoeken via de Statue of Liberty-Ellis Island Foundation (NPS: aankomstregisters).
Wonen en werken in de industriestad
Hoe zagen de leef- en werkomstandigheden eruit van de mensen die in de mijnen en fabrieken werkten? Met leefomstandigheden bedoelen we hoe ze woonden, wat ze aten en wat het leven kostte; met werkomstandigheden hoe lang, hoe zwaar en hoe gevaarlijk hun werk was en wat ze verdienden. De beste bron daarvoor uit de eerste helft van de negentiende eeuw is een grote enquête van de Belgische overheid.
Een enquête uit 1843
Bij koninklijk besluit van 7 september 1843 werd een commissie opgericht die een wet over de kinderarbeid en het toezicht op de werkplaatsen moest voorbereiden. Ze stuurde reeksen vragen naar bedrijfsleiders, kamers van koophandel, mijningenieurs, geneeskundige commissies en gezondheidsraden. De antwoorden werden tussen 1846 en 1848 in drie delen gedrukt onder de titel Enquête sur la condition des classes ouvrières et sur le travail des enfants, enquête over de toestand van de arbeidersklasse en over de kinderarbeid (Enquête 1843-48, t. I, deel I, p. I–II). Het tweede deel bevat onder meer de antwoorden van de kamers van koophandel, het derde die van de artsen (Enquête 1843-48, t. II) (Enquête 1843-48, t. III).
Wie leest deze bron, moet één ding onthouden: de antwoorden komen van patroons, ingenieurs en artsen. De kamer van koophandel van Charleroi was een vereniging van ondernemers, dus van de mensen die de kinderen in dienst namen. De vragen gingen niet naar de arbeiders zelf. Wat volgt is dus hoe de werkgevers en de deskundigen van de tijd het werk beschreven. Dat maakt de bron niet waardeloos: als de werkgevers zelf opschrijven hoe jong de kinderen waren en hoe lang ze werkten, hadden ze weinig reden om dat erger voor te stellen dan het was.
Kinderen in de mijn
De Kamer van Koophandel van Charleroi antwoordde op 3 november 1843 op de vraag vanaf welke leeftijd kinderen werkten, en welk werk ze in de mijnen deden:
Uit de tijd zelf
De kinderen worden gewoonlijk tewerkgesteld vanaf tien of elf jaar, maar meestal vanaf twaalf jaar. De meisjes worden op dezelfde leeftijd toegelaten als de jongens. … In de mijnen worden de kinderen gebruikt: 1° om de wegen en galerijen te vegen en te besproeien; 2° om de stenen te verzamelen die in de steenkool zitten; 3° om wagentjes door de galerijen te trekken of te duwen; 4° om de verluchtingsdeuren te sluiten.
Les enfants commencent à être employés ordinairement à dix ou onze ans, mais plus généralement à douze ans.
Het zwaarste werk beschrijft de kamer in dezelfde passage:
Uit de tijd zelf
Vaak worden ze gebruikt om te ‘hiercheren’, dat wil zeggen de met steenkool beladen karren te trekken of te duwen van de plaats waar de eigenlijke mijnwerker werkt tot aan de schacht waarlangs de kolen naar boven gaan: dat is zeer vermoeiend werk. Omdat de galerij soms zo laag is dat hij moet kruipen, bindt de jonge arbeider een riem om zijn lichaam, met aan het eind een ketting die aan de kar of het wagentje vastzit. Hij sleept zich dan, zo goed als hij kan, voort op handen en voeten, terwijl een ander kind achter de kar die met het hoofd en de handen voor zich uit duwt.
… c'est un travail très-fatigant.
De kinderen die de verluchtingsdeuren openden en sloten, zaten volgens de kamer ‘gewoonlijk in het donker, want men geeft hun niet altijd licht, en in de vochtigheid, gedurende de hele werkdag’ (Enquête 1843-48, t. II, deel II, p. 122–123). Hoe lang die werkdag duurde en wat ze verdienden, staat op de volgende bladzijden. Een kind werkte in de mijn minstens negen en hoogstens twaalf uur per dag, de rusttijden inbegrepen, en kinderen en jonge arbeiders wisselden net als de volwassenen per week af tussen dagwerk en nachtwerk (Enquête 1843-48, t. II, deel II, p. 123–124). Het gemiddelde loon van een kind was volgens de kamer 75 centiemen in de mijnen en 85 centiemen in de andere bedrijven (Enquête 1843-48, t. II, deel II, p. 124).
Uitbreiding De werkdag, de nachtploeg en het loon: wat de kamer van Charleroi verder schreef
De Kamer van Koophandel van Charleroi beantwoordde de vragen van de commissie één voor één. Op de vragen naar de duur van de werkdag, het nachtwerk en het loon antwoordde ze zo:
Uit de tijd zelf
De dagelijkse arbeidsduur voor de kinderen in de steenkoolmijnen kan vastgesteld worden op minstens negen uur en hoogstens twaalf uur, de etensuren inbegrepen. Vroeger werkten de arbeiders in de kolenmijnen maar acht uur per dag …
La durée du travail journalier pour les enfants dans les mines de houille, peut être fixée au minimum à neuf heures, et au maximum à douze heures, y compris les heures de repas.
Uit de tijd zelf
In onze voornaamste bedrijven wisselen de kinderen en de jonge arbeiders, net als de andere arbeiders, wekelijks en in gelijke aantallen af tussen dagwerk en nachtwerk. Wie een week overdag gewerkt heeft, werkt de week daarna ’s nachts.
Uit de tijd zelf
In de mijnen is het gemiddelde loon voor de kinderen 75 centiemen; in de andere nijverheden 85 centiemen.
Dans les mines, le prix moyen des salaires pour les enfants est de 75 centimes; pour les autres industries 85 centimes.
Drie dingen vallen op. De kamer zegt dat vroeger maar acht uur per dag gewerkt werd, maar geeft daar geen bewijs voor: het is een bewering, geen vastgesteld feit. De nachtploeg gold ook voor kinderen: in de voornaamste bedrijven werkten zij om de week ’s nachts. En het loon wordt zonder eenheid gegeven; uit de tekst zelf blijkt niet of het om een dagloon gaat. Wie wil rekenen, moet dat dus voorzichtig doen.
De drie delen van de enquête zijn als scan vrij te lezen op archive.org (Enquête 1843-48, t. I) (Enquête 1843-48, t. II) (Enquête 1843-48, t. III). Ze zijn in het Frans.
Kindvraag
Werkten kinderen echt in de mijn?
Kort antwoord voor kinderen
Ja. In 1843 schreven de ondernemers van Charleroi dat kinderen er meestal vanaf twaalf jaar begonnen te werken, soms al vanaf tien of elf, meisjes even goed als jongens. Ze trokken of duwden karren met steenkool door lage gangen, soms kruipend, en ze openden en sloten deuren voor de verse lucht, vaak in het donker.
Nuance voor de leerkracht
Dit zijn de woorden van de werkgevers zelf, in antwoord op een vragenlijst van de overheid (Enquête 1843-48, t. II, deel II, p. 121–123). Een wet die industriearbeid onder twaalf jaar verbood, kwam er volgens Dhondt pas in 1889 (Dhondt, arbeidersbeweging h. 13).
Gevaar onder de grond
Mijnwerk was gevaarlijk, en ook dat schreef de kamer van koophandel op:
Uit de tijd zelf
Zeer zware ongelukken komen vrij vaak voor in de steenkoolmijnen: het meest voor komen instortingen of vallende stenen en kolen in de galerijen, en ontploffingen van brandbare gassen, die er heel gewoon zijn. … Een gevreesde vijand van de mijnwerker is het water. … Men heeft tien, twintig, veertig arbeiders tegelijk zien omkomen, en in 1828 maakte een gelijkaardig ongeluk in de buurt van Charleroi zestig slachtoffers.
Des accidents très-graves ont assez souvent lieu dans les mines de houille
Het ‘gelijkaardige ongeluk’ is hier een instroming van water in de mijngangen. Dat er in 1828 bij Charleroi zestig doden vielen, kennen we in dit artikel alleen uit deze passage.

Duur leven in de stad
Een mijningenieur uit het tweede mijndistrict van Henegouwen beschreef in dezelfde enquête wat de industrie met de omgeving van Charleroi deed. Volgens hem was de kleine landbouw er door de grote industriële bedrijven bijna verdwenen. De groenten en het kleine vee op de markt van Charleroi kwamen uit de omgeving van Brussel, en daardoor was het leven in Charleroi duurder dan wat de inwoners gemiddeld verdienden. Hij vermeldt ook dat in februari 1843 op sommige plaatsen het werk door een industriële crisis gehalveerd was (Enquête 1843-48, t. II, deel II, p. 274–275). De ingenieur vond bovendien dat vrouwen van alle leeftijden en jongens van tien tot veertien jaar beter landbouwwerk dan mijnwerk zouden doen (Enquête 1843-48, t. II, deel II, p. 274–275).
Zo zie je wat verstedelijking betekende voor het dagelijks leven: rond Charleroi werd weinig eten meer in de buurt gekweekt, het moest van verder komen en gekocht worden, en dat maakte het leven duur. Dumont schrijft dat de inwijking in het bekken van Charleroi enkele tientallen jaren lang een te hoge sterfte compenseerde (Dumont (1989), p. 279): de nieuwkomers vulden aan wat de hoge sterfte wegnam.
Lange dagen in Gent
In Gent beantwoordden de artsen van de Société de médecine de Gand de vragen van de commissie. Over de werkuren in de Gentse fabrieken schreven ze:
Uit de tijd zelf
In de winter begint het werk ’s ochtends met het daglicht en eindigt het ’s avonds om negen of tien uur. … In de zomer komen de arbeiders binnen om vijf uur of half zes en vertrekken ze regelmatig om acht uur ’s avonds. Daarvan moet men voor de maaltijden een half uur ’s ochtends, een uur ’s middags en een half uur ’s avonds aftrekken. … De gewone duur van het werk in onze bedrijven is dus twaalf tot veertien uur, vijf dagen per week, en zeven tot negen uur op maandag, wat neerkomt op zevenenzestig of negenenzeventig uur per week, naargelang het seizoen.
La durée habituelle des travaux, dans nos établissements, est donc de douze à quatorze heures
De artsen voegen eraan toe dat nachtwerk in die jaren zeldzaam geworden was, omdat de fabrieken door de slechte tijden minder werk hadden, en dat het zou terugkomen als de industrie weer opleefde (Enquête 1843-48, t. III, deel III, p. 365). Lange dagen waren dus geen uitzondering, maar de gewone gang van zaken.
Een week van 67 tot 79 uur: geen extra leerlingdoel
Laat leerlingen de cijfers van de Gentse artsen zelf narekenen en naast hun eigen schoolweek leggen. Dat maakt de bron concreet zonder dat je hoeft te overdrijven. Wijs er ook op dat het cijfers zijn van artsen uit 1843–1844, die ‘de gewone duur’ beschrijven: individuele fabrieken konden ervan afwijken (Enquête 1843-48, t. III, deel III, p. 364–365).
Eerste wetten
Pas tegen het einde van de negentiende eeuw kwamen er wetten die het werk regelden. De historicus Jan Dhondt, die de geschiedenis van de sociale wetgeving vanuit de socialistische arbeidersbeweging schreef, vat ze zo samen. Een wet van 1887 beperkte het betalen van lonen in natura, in goederen in plaats van geld. De wet van 13 december 1889 verbood industriearbeid voor kinderen onder twaalf jaar; jongens van twaalf tot zestien en meisjes van twaalf tot eenentwintig mochten hoogstens twaalf uur per dag en zes dagen per week werken, en geen nachtwerk doen. Een wet van 1892 verbood vrouwen onder eenentwintig jaar in de mijnen, een wet van 1911 alle vrouwen. In 1905 kwam de verplichte zondagsrust, en in 1914 een verbod op werk voor kinderen onder veertien (Dhondt, arbeidersbeweging h. 13).
Tussen de enquête van 1843 en de eerste wet op de kinderarbeid lagen dus meer dan veertig jaar. Hoe de arbeiders in die tijd zelf hun stem lieten horen en stemrecht eisten, staat in het artikel over revoluties, grondwetten en emancipatie.
Leven op het ritme van de klok
In de fabriek draaiden de machines op vaste uren, en wie er werkte, moest er op tijd zijn. Dat is wat leven op het ritme van de klok betekent: niet de zon of het werk bepaalt wanneer je begint en stopt, maar een afgesproken uur, aangekondigd door een bel.
Werken op vaste uren
De bronnen uit 1843 tonen dat ritme in de uren zelf. In de mijnen van Charleroi waren er vaste rusttijden:
Uit de tijd zelf
De rusturen zijn: om acht uur ’s ochtends een half uur, om twaalf uur ’s middags een uur, om vier uur ’s namiddags een half uur. De dag eindigt vaak tegen zes of zeven uur ’s avonds.
Les heures de repos sont : à huit heures du matin, une demi-heure; à midi, une heure; à quatre heures de relevée, une demi-heure.
Ook in andere bedrijven lagen de uren vast. Een drukkerij in Brabant liet in de enquête haar reglement afdrukken: de werkplaatsen waren van 1 april tot 30 september open van zes uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds, en van 1 oktober tot 1 april van zeven tot acht uur ’s avonds. De boetes uit het reglement gingen naar een kas van het bedrijf (Enquête 1843-48, t. II, deel II, p. 522–523). Dat is maar één bedrijf, maar het toont hoe een werkgever de dag in uren vastlegde.
Niet iedereen paste zich zomaar aan. In Gent werkten de arbeiders op maandag maar zeven tot negen uur (Enquête 1843-48, t. III, deel III, p. 364–365), en de artsen spreken van het ‘chômage du lundi’, de gewoonte om op maandag niet of minder te werken. In de enquête beschrijven verschillende bedrijven hoe ze dat maandagverzuim bestreden: een vlasspinnerij verbood het en ontsloeg wie het bleef doen, een mechanische werkplaats legde een boete op die naar de ziekenkas ging (Enquête 1843-48, t. II). Dat de patroons het verzuim moesten bestrijden, toont dat niet alle arbeiders het nieuwe ritme zomaar volgden.
De bel en de boete
Wie te laat kwam, betaalde. De Gentse artsen beschreven de straffen in de fabrieken:
Uit de tijd zelf
De boete wordt opgelegd aan de arbeider die een kwartier na de opening van het bedrijf aankomt of die dronken verschijnt. Ze wordt ook toegepast bij slecht werk, bij te veel afval of bij opzettelijk aangebrachte schade. … De inhoudingen gaan van 25 centiemen tot 2 frank; zelden gaan ze daarboven. … In een fabriek van tweehonderd arbeiders zijn in 1845 eenenzestig boetes opgelegd, samen voor een bedrag van 94 frank.
L'amende est infligée à l'ouvrier qui arrive un quart d'heure après l'ouverture de l'établissement
Volgens de artsen zagen de meeste fabrikanten de boetes eerder als een manier om de arbeiders te ontmoedigen dan als een vergoeding voor de schade (Enquête 1843-48, t. III, deel III, p. 361–362). Dat is hun inschatting.
Over de kinderen schreven dezelfde artsen een passage waarin de klok, de bel en de machine samenkomen:
Uit de tijd zelf
In de fabrieken krijgen de kinderen geen onderwijs en geen opvoeding, maar ze zijn niet aan hun lot overgelaten. Ze worden vroeg onderworpen aan het werk, de orde en de tucht; hun tijd is geteld. Ze worden op een vast uur, bij het geluid van de bel, naar het werk geroepen, en elke vertraging en elke afwezigheid wordt gestraft. … De machine, in haar regelmatige en ononderbroken gang, laat geen verstrooidheid toe en luistert naar geen excuus; zij beveelt en gehoorzaamt niet.
Appelés à l'ouvrage à heure fixe, au son de la cloche, tout retard, toute absence sont punis
Lees deze passage twee keer. De eerste keer als beschrijving: kinderen werden op een vast uur met een bel geroepen, wie te laat kwam werd gestraft, en de machine bepaalde het tempo. De tweede keer als mening: de artsen verdedigen hier de fabriek als een plaats waar kinderen tenminste orde en tucht leren, tegenover kinderen die op straat rondzwerven. Even verder schrijven ze dat ze het regime van de fabrieken daarmee niet willen ophemelen (Enquête 1843-48, t. III, deel III, p. 468).
Kindvraag
Waarom had een fabriek een bel?
Kort antwoord voor kinderen
Om iedereen op hetzelfde moment aan het werk te roepen. De machines begonnen op een vast uur te draaien, en dan moesten alle arbeiders er zijn. Wie te laat kwam, kreeg een boete: in Gent al als je een kwartier te laat was.
Nuance voor de leerkracht
Zowel de bel als de boete voor wie een kwartier te laat kwam, staan in het verslag van de Gentse artsen in de enquête van 1843–1846 (Enquête 1843-48, t. III, deel III, p. 361–362 en 468). Hoe het in elke fabriek precies ging, verschilde per bedrijf.
Dezelfde tijd voor het hele land
Als iedereen op hetzelfde uur moet beginnen, moet ook iedereen dezelfde tijd gebruiken. Dat was lang niet vanzelfsprekend. Volgens de Koninklijke Sterrenwacht van België gebruikte men tot 1 mei 1892 de plaatselijke tijd, meestal die van een grote stad in de buurt. De wet van 28 april 1892, die op 1 mei 1892 in werking trad, nam de gemiddelde zonnetijd van de meridiaan van Greenwich als wettelijke tijd voor het hele land (Sterrenwacht: legale tijd).
De openbare klok in andere landen: geen extra leerlingdoel
Het verslag van de Commissie van de Arbeid, ingesteld bij koninklijk besluit van 15 april 1886, vat ook de fabriekswetten van andere landen samen. Over Engeland staat er dat de werkuren geregeld worden volgens een openbare klok die de inspecteur aanwijst, en over Zwitserland dat de werkuren geregeld worden volgens de openbare klok (Commission du travail 1886-87, v. III). Dat gaat over buitenlandse wetten, niet over België. Het is wel een mooi voorbeeld om te tonen waarom één gemeenschappelijke klok belangrijk werd: wie de werkdag wil beperken, moet eerst afspreken op welke klok de uren geteld worden.
Wat we weten en wat onzeker is
- Zeker, uit de bronnen van de tijd zelf: wat de kamer van koophandel van Charleroi, een mijningenieur uit Henegouwen en de Gentse artsen in de enquête van 1843–1848 schreven over de leeftijd van werkende kinderen, hun werk in de mijn, de werkuren, de rusttijden, de boetes en de fabrieksbel. Het blijft wel hun beschrijving: van werkgevers, ingenieurs en artsen. De stem van de arbeiders zelf horen we in deze bronnen bijna niet.
- Goed gedocumenteerd: dat Lieven Bauwens rond 1798 een Britse spinmachine naar het vasteland smokkelde en in Gent een katoenspinnerij begon; de aardappelcrisis van 1845–1847; de inhuldiging van het kanaal Brussel-Charleroi in 1832; de eerste spoorlijn Brussel-Mechelen in 1835; de wettelijke tijd van 1892; de Red Star Line tussen 1873 en 1934.
- Verschillend in de bronnen: of de eerste spinnerij van Bauwens in Gent in 1798 of in 1799 draaide. De Mule Jenny in het Industriemuseum is volgens het museum zelf wellicht niet de gesmokkelde machine, maar een machine van rond 1810.
- Een kwestie van oordeel: of Bauwens vooral een vernieuwer of vooral een industriële spion was. De feiten zijn dezelfde; de nadruk verschilt.
- Schattingen: het aantal doden van de aardappelcrisis (naar schatting 44.000) en de aantallen landverhuizers. De cijfers voor Belgen in de Verenigde Staten gaan over verschillende periodes en tellen niet op dezelfde manier.
- Uit tweede hand: de brief van Arthur Rousseau kennen we uit een artikel van het Red Star Line Museum; de wetten van 1887 tot 1914 uit de samenvatting van Jan Dhondt, die vanuit de arbeidersbeweging schreef; de geschiedenis van de migratie naar Charleroi uit de samenvatting van het proefschrift van C. Dumont, niet uit het proefschrift zelf.
- Hier niet uitgewerkt: hoe de landbouw zelf veranderde (nieuwe teelten en technieken), en de kleiputten.
Kaarten

Carte officielle des chemins de fer de la Belgique au 31 décembre 1892 · Ministère des chemins de fer, postes et télégraphes (Belgique), 1892
Het Belgische spoorwegnet op 31 december 1892 (officiële kaart van het ministerie).
Toont het dichte spoornet na zowat zestig jaar (GL5.15); passend bij 'spoorwegen' en 'landschapsverandering'. Op 1600 px is het kleine drukwerk niet leesbaar; de kaart toont vooral de dichtheid van het net.
Verbanden
- Gelijktijdig Revoluties, grondwetten en emancipatie
- Verdieping Soorten bronnen
- Begrip Tijd en chronologie
- Voortwerking Vrouwenemancipatie en burgerrechten
- Overzicht Moderne tijd
- Verwijst hierheen Vrouwenemancipatie en burgerrechten
- Verwijst hierheen Historisch redeneren
- Verwijst hierheen Moderne tijd
- Verwijst hierheen Revoluties, grondwetten en emancipatie
- Verwijst hierheen Ruimtevaart en de digitale revolutie
Bronnen en verdieping
Historische bronnen
- Henri Cassiers (1901). Red Star Line. Antwerpen - New York (affiche van Henri Cassiers, 1901).
- Henri Cassiers (1901). Red Star Line Anvers = New York (op het schip) Zeeland (affiche, Henri Cassiers, 1901), collectie Stad Antwerpen (DAMS), via Wikimedia Commons.
- Royaume de Belgique, Ministère de l'intérieur (Brussel, Th. Lesigne) (1848). Enquête sur la condition des classes ouvrières et sur le travail des enfants, tome I (rapport van de commissie ingesteld bij koninklijk besluit van 7 september 1843; wetten en reglementen).
- Royaume de Belgique, Ministère de l'intérieur (Brussel, Th. Lesigne) (1846). Enquête sur la condition des classes ouvrières et sur le travail des enfants, tome II (antwoorden, memories en verslagen van kamers van koophandel, mijningenieurs en anderen).
- Royaume de Belgique, Ministère de l'intérieur (Brussel, Th. Lesigne) (1846). Enquête sur la condition des classes ouvrières et sur le travail des enfants, tome III (antwoorden, brieven, memories en verslagen van geneeskundige colleges).
- Brussel, Imprimerie A. Lesigne (1887). Commission du travail instituée par arrêté royal du 15 avril 1886: Rapports, propositions des sections et conclusions, volume III.
Geraadpleegde literatuur
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
- Canon van Vlaanderen (Vlaamse overheid). Mule Jenny from 1810. Oldest preserved specimen in the world | Ghent, Museum of Industry.
- Industriemuseum Gent / Stad Gent (2023). Twijn- en spinmolen van Industriemuseum blijken oudste ter wereld (persbericht Stad Gent).
- Stad Gent / Archief Gent (2025). Engelse afstammeling van Lieven Bauwens schenkt familiearchief aan Gent.
- VRT NWS (2020). Discover Ghent's industrial past at the Industry Museum.
- Visit Gent (Stad Gent). About people and machines (Industriemuseum Gent) - Visit Gent.
- Canon van Vlaanderen (Vlaamse overheid). The Potato Crisis (Canon van Vlaanderen).
- Guido Vanderhulst, Anna Bouteiller (2015). Les portiques et grues du canal de Charleroi.
- VRT NWS (2025). Belgium was the birthplace of the railways in continental Europe.
- Michaël Bianchi (2023). Les terrils de Wallonie : du déchet industriel au paysage culturel.
- UNESCO World Heritage Centre (2026). Major Mining Sites of Wallonia (UNESCO Werelderfgoed 1344).
- C. Dumont (1989). Doctorale proefschriften: C. Dumont, Migrations intérieures et immigration dans le bassin industriel de Charleroi (1800-1866), U.L.B., 1989 (samenvatting in de Kronijk).
- Torsten Feys (2004). Radeloosheid in crisistijd: pogingen van de Belgische autoriteiten om een deel van de arme bevolking naar de Verenigde Staten te sturen 1847-1856.
- Dirk Van Assche (2014). Een museum vol verhalen. Red Star Line in Antwerpen.
- Colin Clapson (2020). Two million people travelled to the US and Canada on the Red Star Line.
- Red Star Line Museum (Stad Antwerpen). The collection (Red Star Line Museum).
- Gjenvick-Gjønvik Archives (privéverzameling, Wisconsin). Red Star Line Passenger Lists 1892-1938 (Gjenvick-Gjønvik Archives).
- Marian L. Smith (1996). The Creation and Destruction of Ellis Island Immigration Manifests: Part 1.
- Koninklijke Sterrenwacht van België (ROB). Universele tijd en legale tijd in België.
Verder lezen en kijken
- U.S. National Park Service. Finding Arrival Records Online - Ellis Island (National Park Service).
Doelen
5de leerjaar
- 5.1.GL5.14De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: industriële en agrarische revolutie, Lieven Bauwens.De agrarische revolutie zelf (nieuwe teelten, technieken en opbrengsten van de landbouw) is niet uitgewerkt: er is geen geopende bron voor; het artikel beperkt zich tot de crisis van de vlasnijverheid en de aardappelcrisis. De algemene schets van de industriële revolutie (begin in Engeland, Mule Jenny 1779) steunt alleen op de Canon van Vlaanderen; een academisch overzicht en een algemene uitleg van de stoommachine ontbreken. Verder in: Moderne tijd.
- 5.1.GL5.15De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: landschapsverandering (terrils, kleiputten, kanalen, spoorwegen), Charleroi.Kleiputten komen niet aan bod: er is geen bron voor gevonden. De gegevens over de eerste spoorlijn steunen op één nieuwsbron (VRT); de uitbreiding van het spoorwegnet en het aantal terrils zijn niet uitgewerkt. Bevolkingscijfers van Charleroi ontbreken. Verder in: Soorten bronnen.
- 5.1.GL5.16De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: migratie, landverhuizers.Migratie naar België na 1945 (gastarbeiders) hoort bij een later artikel. De brief van Rousseau is alleen uit tweede hand bekend. Verder in: Vrouwenemancipatie en burgerrechten.
- 5.1.GL5.17De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: effecten van verstedelijking op leef- en werkomstandigheden, Charleroi.Woonomstandigheden (arbeiderswoningen, hygiëne) zijn alleen via de UNESCO-mijnsites en het artikel over bronsoorten aangeraakt; bevolkingscijfers ontbreken. De sociale wetten steunen op de samenvatting van Dhondt, niet op de wetteksten. De stem van de arbeiders zelf ontbreekt in de gebruikte bronnen. Het stemrecht en de arbeidersbeweging staan in het artikel over revoluties en emancipatie. Verder in: Revoluties, grondwetten en emancipatie, Soorten bronnen.
- 5.1.GL5.18De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten: leven op het ritme van de klok.Belgische fabrieksreglementen zijn maar met één voorbeeld (een drukkerij) vertegenwoordigd. Een eventueel verband tussen de spoorwegen en de eenheidstijd van 1892 is niet beweerd, omdat er geen bron voor gevonden is. Het verschil met het werkritme vóór de fabriek (landbouw, thuiswerk) is niet uitgewerkt. Verder in: Tijd en chronologie.
Einde zesde leerjaar
- 5.1.2De leerlingen weten hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur omgingen, overleefden, samenleefden en dachten.
Over dit artikel
- Geschreven
- 4 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 4 november 2026
- Fout gezien?
- Meld een correctie