Ruimtevaart en de digitale revolutie
Hoe mensen na 1957 de ruimte in trokken en op de maan landden, en hoe computers, het internet en het web de manier veranderden waarop mensen informatie bewaren en met elkaar praten.
Zo gemarkeerd: een woord dat Op.stap bij dit onderwerp expliciet gebruikt.
In oktober 1957 cirkelde er voor het eerst een voorwerp van mensenhanden rond de aarde. Twaalf jaar later zetten twee mensen voet op de maan. In dezelfde jaren stuurden onderzoekers in Californië elkaar het eerste bericht over een computernetwerk, en twintig jaar later schreef een onderzoeker bij CERN een voorstel waaruit het World Wide Web groeide. Dit artikel vertelt die twee verhalen: dat van de ruimtevaart en dat van computers, het internet en het web. Het begint met een kort overzicht. Daarna laat het de bronnen uit de tijd zelf spreken: een gesprek tussen de maan en Houston, twee toespraken van een Amerikaanse president, het voorstel voor het web en de herinnering van een van de mensen die het eerste bericht verstuurden. België komt in beide verhalen terug.
De hedendaagse tijd in het kort
Op.stap vraagt dat leerlingen in het zesde leerjaar weten hoe mensen in de hedendaagse tijd samenleefden. Twee doelen gaan over dit artikel: het ene noemt de ruimte-exploratie en Neil Armstrong, het andere de informatie-, communicatie- en technologierevoluties en het internet (KOV Op.stap 1.3). De minimumdoelen noemen dezelfde onderwerpen (AHOVOKS 2026, p. 97). De hedendaagse tijd is de periode waarin wij zelf leven. Hoe de indeling in periodes werkt, en waarom het een afspraak is, staat in het artikel over tijd en chronologie.
Alle jaartallen in dit artikel zijn jaren van onze tijdrekening (o.t.). Omdat er geen verwarring mogelijk is, laten we ‘o.t.’ weg. Hoe die telling werkt, staat bij tijd en chronologie.
In grote lijnen:
- De ruimte in. In 1957 lanceerde de Sovjet-Unie de eerste satelliet, Spoetnik (NASA, Sputnik). In 1961 vloog Joeri Gagarin als eerste mens de ruimte in (ESA, Gagarin: I see Earth). In juli 1969 landden Neil Armstrong en Buzz Aldrin met Apollo 11 op de maan (NASA, Apollo 11 overzicht). Sinds november 2000 wonen er voortdurend mensen in het internationale ruimtestation, dat vijf ruimtevaartorganisaties samen bouwden (NASA, ISS feiten).
- Computers en netwerken. ENIAC, een rekenmachine met 18.000 elektronenbuizen, werd in 1946 ingehuldigd (ETHW, ENIAC). In 1969 ging het eerste bericht over het ARPANET van de universiteit UCLA in Los Angeles naar het onderzoeksinstituut SRI (Kleinrock, eerste woorden). Uit dat netwerk groeide het internet (Leiner e.a., Brief History of the Internet).
- Het web. In 1989 schreef Tim Berners-Lee bij CERN een voorstel om informatie met elkaar te verbinden. Eind 1990 draaiden de eerste webserver en browser (CERN, A short history of the Web). In 1993 gaf CERN de software vrij voor iedereen (CERN, 30 jaar vrij en open web).
- België. Dirk Frimout vloog in 1992 als eerste Belg de ruimte in (ESA, STS-45). Frank De Winne werd in 2009 de eerste Europese commandant van het ruimtestation (ESA, De Winne commandant). De Belgische ingenieur Robert Cailliau schreef in 1990 samen met Berners-Lee het voorstel voor het World Wide Web (CERN, A short history of the Web).
Ruimte-exploratie
Ruimte-exploratie is het verkennen van de ruimte buiten de aarde: eerst met satellieten zonder mensen aan boord, daarna met mensen in een baan rond de aarde, op de maan en in een ruimtestation. In dit artikel volgen we die stappen een voor een, telkens met de bronnen van de organisaties die erbij betrokken waren, zoals de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA en het Europese ruimteagentschap ESA.
Spoetnik, 1957
Op 4 oktober 1957 lanceerde de Sovjet-Unie Spoetnik 1, vanaf de lanceerbasis Baikonoer in Kazachstan, dat toen bij de Sovjet-Unie hoorde. NASA schrijft dat de Sovjet-Unie daarmee ‘het ruimtetijdperk inluidde’ (NASA, Sputnik). De satelliet woog 184 pond, ongeveer 84 kilogram, en draaide om de 90 minuten een rondje om de aarde. Een zender aan boord stuurde een piepend signaal uit. Op 26 oktober waren de batterijen leeg, en op 4 januari 1958 verbrandde Spoetnik in de dampkring (NASA, Sputnik).

De Sovjet-Unie lanceerde Spoetnik als bijdrage aan het Internationaal Geofysisch Jaar, een internationaal onderzoeksprogramma dat liep van 1 juli 1957 tot 31 december 1958. In de Verenigde Staten kwam de lancering als een verrassing. NASA vat samen wat volgde: er begon een ‘ruimtewedloop’, de Verenigde Staten lanceerden eigen satellieten en richtten NASA op (NASA, Sputnik).
Die wedloop hoort bij de Koude Oorlog: de tegenstelling tussen twee blokken, met de Verenigde Staten in het ene en de Sovjet-Unie in het andere. Hoe die blokken ontstonden, staat in het artikel over rivaliteit en samenwerking na 1945.
Gagarin en Teresjkova
Op 12 april 1961 vloog de Sovjet-piloot Joeri Gagarin met het ruimtetuig Vostok 1 één keer rond de aarde, in 108 minuten (ESA, Gagarin: I see Earth). Hij was de eerste mens in de ruimte. Vostok 1 ging 27.400 kilometer per uur. De terugkeer werd door een computer geleid, en Gagarin landde niet in zijn capsule: hij werd uit het toestel geschoten en kwam met een parachute neer (NASA, Gagarin (april 1961)).
De eerste vrouw in de ruimte was Valentina Teresjkova. ESA vertelt haar verhaal. Ze werd op 6 maart 1937 geboren in de buurt van Jaroslavl. Haar vader was tractorbestuurder, haar moeder werkte in een textielfabriek. Teresjkova werkte zelf ook in de textiel en sprong in haar vrije tijd met een parachute. Op 16 februari 1962 werd ze gekozen uit meer dan 400 kandidaten. Op 16 juni vertrok ze met de roepnaam Chaika (‘meeuw’). Ze was toen 26 jaar en bleef bijna drie dagen in de ruimte: 2 dagen, 23 uur en 12 minuten (ESA, Teresjkova).
Teresjkova kwam uit een arbeidersgezin en werkte zelf in een fabriek. Haar verhaal laat zien dat de geschiedenis van de ruimtevaart niet alleen over piloten en ingenieurs gaat.
Kennedy kiest de maan
Zes weken na de vlucht van Gagarin, op 25 mei 1961, sprak de Amerikaanse president John F. Kennedy persoonlijk het Congres toe, het parlement van de Verenigde Staten. In een deel over de ruimte zei hij:
Uit de tijd zelf
Ik ben ervan overtuigd dat dit land zich ertoe moet verbinden om, vóór het einde van dit decennium, een mens op de maan te laten landen en hem veilig naar de aarde terug te brengen.
I believe that this nation should commit itself to achieving the goal, before this decade is out, of landing a man on the moon and returning him safely to the earth.

Iets meer dan een jaar later, op 12 september 1962, sprak Kennedy op het voetbalveld van Rice University, voor ongeveer 35.000 mensen (Kennedy, Rice University (1962)). Een zin uit die toespraak wordt nog vaak aangehaald:
Uit de tijd zelf
Wij kiezen ervoor om naar de maan te gaan … niet omdat het gemakkelijk is, maar omdat het moeilijk is.
We choose to go to the Moon … not because they are easy, but because they are hard.
In dezelfde toespraak zei hij ook: ‘Er is in de ruimte nog geen strijd, geen vooroordeel, geen conflict tussen naties’ (Kennedy, Rice University (1962)).
Hoe lees je zulke toespraken? Kennedy sprak als president van een land dat in de Koude Oorlog tegenover de Sovjet-Unie stond, tot een publiek dat hij wilde overtuigen om het project te steunen. De toespraken zijn een sterke bron voor wat de Amerikaanse regering wilde zeggen en welk doel ze zichzelf oplegde. Ze tonen op zichzelf niet alle redenen waarom het geld voor de maanreis er kwam, en ook niet hoe de Sovjet-Unie erover dacht. Hetzelfde geldt voor de toespraak die Kennedy in 1963 in Berlijn hield (zie Kennedy in Berlijn). Meer over zulke vragen bij vragen stellen over een bron.
Apollo 11
Op 16 juli 1969, om 9.32 uur Amerikaanse oostkusttijd, vertrok Apollo 11 vanaf lanceerplatform 39A. Aan boord zaten drie mannen: Neil Armstrong, de commandant; Edwin ‘Buzz’ Aldrin, de piloot van de maanlander; en Michael Collins, de piloot van de commandomodule (NASA, Apollo 11 overzicht). Armstrong en Aldrin landden met de maanlander Eagle; Collins ging niet mee naar het maanoppervlak (NASA, Apollo 11 overzicht).
Neil Armstrong op de maan
Neil Armstrong was de commandant van Apollo 11 en de eerste mens die op de maan stapte (NASA, Apollo 11 overzicht). Wat hij en de anderen zeiden, werd opgenomen en later uitgeschreven. Die transcripties staan, met uitleg, in het Apollo Lunar Surface Journal. De tijden in dat verslag zijn ‘tijden sinds de lancering’ (102:45:40 betekent 102 uur, 45 minuten en 40 seconden na de start). Erbij staat het tijdstip in UTC, de internationale referentietijd.
Op 20 juli 1969, om 20.17 uur UTC, meldde Aldrin Contact Light: het contactlicht brandde, de maanlander raakte de grond (ALSJ, Landing at Tranquility Base, 102:45:40 GET). Even later meldde Armstrong aan de vluchtleiding in Houston dat ze geland waren. Charles Duke, die vanuit Houston met de bemanning praatte, antwoordde:
Uit de tijd zelf
Armstrong: Houston, hier Tranquility Base. De Eagle is geland.
Duke: Begrepen, Twan… Tranquility. We horen jullie op de grond. Hier zitten een hoop mannen die bijna blauw aanliepen. We ademen weer. Hartelijk dank.
Houston, Tranquility Base here. The Eagle has landed.
Duke verspreekt zich: de roepnaam was net veranderd van Eagle naar Tranquility Base, de nieuwe naam voor de landingsplaats (ALSJ, Landing at Tranquility Base, 102:46:06 GET). ‘Blauw aanlopen’ betekent dat ze in Houston van spanning hun adem hadden ingehouden.
Uren later stapte Armstrong uit de maanlander. Volgens het officiële missierapport raakte hij de grond op 21 juli 1969 om 02.56 uur UTC (ALSJ, One Small Step). In België was het toen nacht. Wereldwijd keken naar schatting 650 miljoen mensen naar de televisiebeelden (NASA, Apollo 11 overzicht). Wat Armstrong zei, staat zo in het Journal:
Uit de tijd zelf
Armstrong: Oké. Ik ga nu van de maanlander af stappen.
Armstrong: Dat is een kleine stap voor een mens; een reuzensprong voor de mensheid.
That's one small step for (a) man; one giant leap for mankind.
Let op het woordje tussen haakjes, (a). Wat de wereld hoorde, was ‘one small step for man’: ‘een kleine stap voor de mens’. Dat klinkt vreemd, omdat ‘man’ en ‘mankind’ dan bijna hetzelfde betekenen. Armstrong zei achteraf dat hij ‘for a man’ bedoeld had en dacht dat hij het ook gezegd had. Op de opnames is dat ‘a’ niet te horen, en latere geluidsanalyses vonden er geen overtuigend bewijs voor (ALSJ, One Small Step). Daarom zet het Journal het tussen haakjes.
Kindvraag
Wie was de eerste mens op de maan?
Kort antwoord voor kinderen
Neil Armstrong, de commandant van Apollo 11. Hij landde op 20 juli 1969 samen met Buzz Aldrin op de maan. De eerste stap zette hij een paar uur later, op 21 juli 1969 volgens de internationale tijd (UTC) (ALSJ, Landing at Tranquility Base, 102:45:40 GET) (ALSJ, One Small Step).
Nuance voor de leerkracht
De landing en de eerste stap liggen op twee verschillende dagen in UTC. Daarom lees je in boeken soms 20 juli en soms 21 juli 1969. Aldrin stapte na Armstrong uit. Michael Collins, de derde man, ging niet mee naar het maanoppervlak.
Kindvraag
Zei Armstrong ‘a man’ of ‘man’?
Kort antwoord voor kinderen
Dat weten we niet zeker. Armstrong zei achteraf dat hij ‘for a man’ bedoeld had en dacht dat hij het gezegd had. Op de opnames hoor je het woordje ‘a’ niet (ALSJ, One Small Step).
Nuance voor de leerkracht
Hier zeggen twee bronnen iets anders: de geluidsopname en de herinnering van Armstrong zelf. Geen van beide is fout omdat de ander bestaat; ze tonen elk iets anders. Een goede oefening bij bron en bewijs.
Armstrong en Aldrin bleven 21 uur en 36 minuten op de maan. Hun eigenlijke wandeling buiten de maanlander duurde iets meer dan tweeënhalf uur. Ze lieten een schijfje achter met goodwillboodschappen van 73 landen, en herdenkingsmedaillons (NASA, Apollo 11 overzicht). Op 24 juli 1969 landde de capsule met de drie astronauten in de Stille Oceaan (NASA, Apollo 11 overzicht).

Uitbreiding De landing, regel per regel
Het Apollo Lunar Surface Journal zet de laatste seconden van de landing op een rij, met de tijd sinds de lancering en, waar het kan, de tijd in UTC. Drie regels:
Uit de tijd zelf
Aldrin: Contactlicht.
Contact Light.
Het Journal noteert erbij dat Aldrin dat meldde om 20.17.40 uur UTC op 20 juli 1969 (ALSJ, Landing at Tranquility Base, 102:45:40 GET).
Uit de tijd zelf
Armstrong (aan boord): ‘Engine arm’ staat uit. … Houston, hier Tranquility Base. De Eagle is geland.
Uit de tijd zelf
Duke: Begrepen, Twan… Tranquility. We horen jullie op de grond. Hier zitten een hoop mannen die bijna blauw aanliepen. We ademen weer. Hartelijk dank.
Wat opvalt: de bemanning praat kort en technisch. De mooie zinnen kwamen later, bij de eerste stap. De volledige transcriptie, met uitleg bij elke regel, staat in het Apollo Lunar Surface Journal.
Mensen achter de missie
Drie astronauten vlogen, maar duizenden mensen werkten mee. Eén voorbeeld is Margaret Hamilton. Zij leidde de afdeling software van het Instrumentation Laboratory van het MIT, het laboratorium dat in 1961 de opdracht kreeg om het geleidingssysteem van Apollo te bouwen (NASA, Margaret Hamilton). Dat systeem hielp het ruimtetuig zijn weg te vinden.

Tijdens de landing gaf de boordcomputer van de maanlander twee keer een alarm, met de codes 1201 en 1202: hij kreeg meer werk dan hij aankon. Volgens een latere verklaring in het Journal kwam dat doordat een schakelaar van de radar op de verkeerde stand stond. De computer liet minder belangrijke taken vallen en ging door met de belangrijke, en in Houston oordeelde men dat de landing veilig kon doorgaan (ALSJ, 1201/1202-alarmen).
Helden en ploegen: geen extra leerlingdoel
Wie over de maanlanding vertelt, noemt meestal Armstrong. Het is de moeite om ook de anderen te tonen: Collins in de commandomodule, Duke in Houston, de ploeg van Hamilton die aan het geleidingssysteem werkte. Wees voorzichtig met verhalen die één persoon de eer geven voor de goede afloop van de landing: de uitleg over de alarmen hierboven noemt geen held, maar een ploeg die snel moest oordelen.
De ruimte van iedereen
Midden in de wedloop maakten de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie en andere landen ook afspraken. Het Ruimteverdrag werd in januari 1967 ondertekend en trad in oktober 1967 in werking. Het VN-bureau voor de ruimte vat de beginselen samen: het verkennen van de ruimte gebeurt ‘ten voordele en in het belang van alle landen’ en is ‘het domein van de hele mensheid’; de ruimte is vrij voor alle staten; geen enkel land mag de maan of een ander hemellichaam als zijn bezit opeisen; er mogen geen kernwapens in een baan rond de aarde gebracht worden; en de maan en de andere hemellichamen mogen alleen voor vreedzame doelen gebruikt worden (UNOOSA, Outer Space Treaty).
Het verdrag zegt wat de staten beloofden. Het is een voorbeeld van samenwerking tussen tegenstanders, net als de afspraken in de Verenigde Naties (zie rivaliteit en samenwerking na 1945).
Samen in een ruimtestation
Later werd samenwerking het gewone werk in de ruimte. Het internationale ruimtestation (ISS) is gebouwd door vijf ruimtevaartorganisaties: NASA (Verenigde Staten), Roscosmos (Rusland), ESA (Europa), JAXA (Japan) en CSA (Canada). Sinds november 2000 wonen en werken er voortdurend mensen (NASA, ISS feiten).
Belgen in de ruimte
De eerste Belg in de ruimte was Dirk Frimout (ESA, STS-45). Hij vloog als wetenschappelijk specialist mee met de Amerikaanse spaceshuttle Atlantis, van 24 maart tot 2 april 1992. De bemanningslijst van NASA noemt hem ‘payload specialist Dirk Frimout, of Belgium’. De missie heette STS-45, en het onderzoek aan boord ging over de chemie van de dampkring, de straling van de zon, het plasma in de ruimte en sterrenkunde met ultraviolet licht (NASA, STS-45).

Frank De Winne werd op 25 april 1961 in Gent geboren. Hij vloog in 2002, van 30 oktober tot 10 november, naar het internationale ruimtestation. In 2009 bleef hij er een half jaar, van 27 mei tot 1 december (ESA, Frank De Winne). Op 11 oktober 2009 werd hij commandant van het station: de eerste Europeaan, en de eerste die geen Amerikaan of Rus was (ESA, De Winne commandant).
ESA liet de twee mannen later in het Nederlands vertellen over hun ervaring. Frimout zei: ‘Ruimtevaart stimuleert de verbeelding van kinderen en jongeren en kan hen aanmoedigen om wetenschappelijke studies aan te vatten.’ De Winne zei: ‘De ruimte is een bijzonder vijandige omgeving voor mensen’ (ESA, Belgen in de ruimte).
Kindvraag
Wie was de eerste Belg in de ruimte?
Kort antwoord voor kinderen
Dirk Frimout. Hij vloog in 1992 mee met de Amerikaanse spaceshuttle Atlantis (ESA, STS-45) (NASA, STS-45).
Nuance voor de leerkracht
Frank De Winne vloog later twee keer naar het internationale ruimtestation, in 2002 en in 2009. In 2009 was hij er een tijd de commandant (ESA, Frank De Winne).
Informatie, communicatie en technologie
Op.stap gebruikt een lang woord: informatie-, communicatie- en technologierevoluties (KOV Op.stap 1.3). Het meervoud zegt al dat het niet om één gebeurtenis gaat. Bedoeld zijn de grote veranderingen in de manier waarop mensen informatie bewaren en opzoeken (informatie), elkaar berichten sturen (communicatie) en daarvoor machines gebruiken (technologie). Het woord ‘revolutie’ betekent hier een ingrijpende verandering, zoals bij de industriële revolutie, en geen opstand. Vaak hoor je ook ‘de digitale revolutie’. Dit artikel gebruikt die woorden als verzamelnaam en volgt de concrete stappen: de computer, het netwerk, het internet, het web en de smartphone.
Computers met elektronenbuizen
Een van de eerste elektronische computers was ENIAC. Hij werd gebouwd aan de Moore School of Electrical Engineering van de University of Pennsylvania, door J. Presper Eckert en John Mauchly, en op 15 februari 1946 formeel ingehuldigd. Hij telde 18.000 elektronenbuizen. Aan het bedieningspaneel werkten onder anderen Betty Jennings en Frances Bilas (ETHW, ENIAC). ENIAC wordt ‘algemeen beschouwd als de eerste elektronische digitale computer voor algemeen gebruik’ (ETHW, ENIAC). Die voorzichtige formulering is bewust: welke machine ‘de eerste computer’ was, hangt af van wat je precies een computer noemt.

Lo, het eerste bericht
Eind jaren 1960 begon een netwerk van computers aan Amerikaanse universiteiten en onderzoeksinstellingen: het ARPANET. In september 1969 kwam het eerste knooppunt aan de University of California in Los Angeles (UCLA). Een maand later ging het eerste bericht van de ene computer naar de andere (Leiner e.a., Brief History of the Internet).
Leonard Kleinrock, een van de onderzoekers aan UCLA, vertelt hoe het ging. Op 29 oktober 1969, om 22.30 uur, stuurde de student-programmeur Charley Kline vanuit UCLA een bericht naar Bill Duvall bij het onderzoeksinstituut SRI. Er kwamen twee letters aan, ‘lo’ (Kleinrock, eerste woorden):
Uit de tijd zelf
… en toen viel het systeem uit!
and then the system crashed!

Het eerste bericht over het netwerk was dus ‘lo’. Kleinrock schreef dit veel later op, als iemand die er zelf bij was. Zo’n herinnering is een waardevolle bron, maar het blijft het verhaal van één betrokkene.
Een netwerk van netwerken
Het ARPANET groeide. In 1972 kwam er e-mail bij, dankzij software van Ray Tomlinson. Op 1 januari 1983 stapte het netwerk over op een nieuwe set afspraken, TCP/IP, waarmee verschillende netwerken met elkaar konden praten. Op 24 oktober 1995 legde een Amerikaanse overheidsraad vast wat met het woord ‘internet’ bedoeld werd (Leiner e.a., Brief History of the Internet). Dat overzicht werd in 1997 geschreven door negen mensen die zelf aan het internet meebouwden, onder wie Vinton Cerf, Robert Kahn en Leonard Kleinrock (Leiner e.a., Brief History of the Internet).
Het internet is dus geen enkel apparaat en geen enkel bedrijf. Tim Berners-Lee, die verderop in dit artikel terugkomt, zegt het kort: ‘het internet (het net) is een netwerk van netwerken.’ De verbindingen zijn kabels tussen computers (Berners-Lee, FAQ (Net en Web)).
Kindvraag
Wie heeft het internet uitgevonden?
Kort antwoord voor kinderen
Niet één persoon. Het internet groeide in stappen, met veel mensen: eerst het ARPANET in 1969, daarna e-mail in 1972 en in 1983 de afspraken die verschillende netwerken met elkaar lieten praten (Leiner e.a., Brief History of the Internet).
Nuance voor de leerkracht
Het web, met websites en links, is iets anders dan het internet. Dat bedachten Tim Berners-Lee en Robert Cailliau later, rond 1990 (CERN, A short history of the Web).
Een voorstel bij CERN
CERN is een Europees onderzoekslaboratorium in Zwitserland. In maart 1989 schreef Tim Berners-Lee, die daar werkte, een voorstel (CERN, A short history of the Web). Het begint zo:
Uit de tijd zelf
Dit voorstel gaat over het beheer van algemene informatie over versnellers en experimenten bij CERN.
This proposal concerns the management of general information about accelerators and experiments at CERN.
Het probleem dat hij wilde oplossen, was heel praktisch. Onderzoekers kwamen en gingen, en wat ze wisten, verdween met hen:
Uit de tijd zelf
Als een verblijf van twee jaar gebruikelijk is, gaat er voortdurend informatie verloren.
When two years is a typical length of stay, information is constantly being lost.
Zijn oplossing was een ‘verspreid hypertekstsysteem’: documenten op verschillende computers die met elkaar verbonden zijn (Berners-Lee, Information Management (1989), samenvatting). Later schreef Berners-Lee er zelf bij dat het voorstel bedoeld was om de leiding van CERN te overtuigen dat zo’n systeem in het belang van CERN was. Het heette toen nog Mesh. De naam World Wide Web koos hij pas in 1990, toen hij de programma’s schreef (Berners-Lee, Information Management (1989), inleiding van de auteur).
Berners-Lee en Cailliau
Op 12 november 1990 volgde een nieuw voorstel, met twee namen erboven: T. Berners-Lee en R. Cailliau (Berners-Lee en Cailliau, WorldWideWeb Proposal (1990), titelblad). CERN noemt die tweede auteur ‘de Belgische systeemingenieur Robert Cailliau’ (CERN, A short history of the Web). In dat voorstel staat een korte uitleg van wat hypertekst is:
Uit de tijd zelf
Hypertekst is een manier om informatie van allerlei soort met elkaar te verbinden en te raadplegen, als een web van knooppunten waarin de gebruiker vrij kan rondkijken.
HyperText is a way to link and access information of various kinds as a web of nodes in which the user can browse at will.
Het voorstel was bescheiden. Het vroeg vier software-ingenieurs en een programmeur, en de eerste fase zou drie maanden duren (Berners-Lee en Cailliau, WorldWideWeb Proposal (1990)). Eind 1990 had Berners-Lee de eerste webserver en de eerste browser aan de praat bij CERN (CERN, A short history of the Web), op een computer van het merk NeXT (CERN, Web History).

Daarna ging het snel. In maart 1991 kwam er een tweede browser, de Line-Mode browser van Nicola Pellow. Op 6 augustus 1991 kondigde Berners-Lee de software aan in de nieuwsgroep alt.hypertext. In mei 1994 organiseerde Cailliau bij CERN de eerste internationale conferentie over het World Wide Web, met 380 deelnemers. Ze kreeg de bijnaam ‘het Woodstock van het web’ (CERN, Web History).
Uitbreiding Het eerste voorstel voor het web lezen
De twee voorstellen zijn vrij te lezen op de website van W3C, waar Berners-Lee ze zelf in HTML bewaarde. Wie ze naast elkaar legt, ziet hoe het idee groeide.
Maart 1989: ‘Information Management: A Proposal’. Berners-Lee schrijft voor zijn eigen werkgever. Hij begint bij een probleem dat iedereen bij CERN kende: informatie raakt kwijt.
Uit de tijd zelf
Het bespreekt de problemen van het verlies van informatie over ingewikkelde systemen die voortdurend veranderen, en leidt daaruit een oplossing af die steunt op een verspreid hypertekstsysteem.
It discusses the problems of loss of information about complex evolving systems and derives a solution based on a distributed hypertext system.
Het woord ‘web’ staat nog niet in de titel. De tekst is volgens de auteur ongewijzigd bewaard; in mei 1990 voegde hij alleen een datum toe (Berners-Lee, Information Management (1989)). Volledige tekst: w3.org/History/1989/proposal.html.
November 1990: ‘WorldWideWeb: Proposal for a HyperText Project’. Nu staan er twee auteurs boven, Berners-Lee en Cailliau, en heeft het project een naam. Het voorstel legt uit wat hypertekst is (zie hierboven) en vraagt mensen en tijd: vier software-ingenieurs, een programmeur en drie maanden voor de eerste fase (Berners-Lee en Cailliau, WorldWideWeb Proposal (1990)). Volledige tekst: w3.org/Proposal.html.
Een vraag voor de klas: waarom begint Berners-Lee in 1989 bij een probleem van CERN, en niet bij een idee voor de hele wereld? Wie een voorstel schrijft, wil de lezer overtuigen. Berners-Lee zei later zelf dat hij de leiding van CERN wilde overhalen (Berners-Lee, Information Management (1989), inleiding van de auteur).
De eerste website
De eerste website ging over het webproject zelf. CERN herstelde hem in 2013 (CERN, Web History). Op info.cern.ch noemt de pagina het project ‘een initiatief om over grote afstanden hypermedia-informatie op te zoeken, met als doel iedereen toegang te geven tot een groot universum van documenten’ (CERN, eerste website (info.cern.ch)). De pagina bestaat uit tekst en links naar rubrieken over het project, zoals hulp, software, mensen en geschiedenis. Welke versie uit de beginjaren CERN precies bewaard heeft, staat niet op de pagina zelf (CERN, eerste website (info.cern.ch)).
Het web voor iedereen
Op 30 april 1993 maakte CERN een document bekend, ondertekend door twee directeurs, Walter Hoogland en Helmut Weber. CERN gaf daarin de programma’s van het web vrij: ‘CERN doet afstand van alle intellectuele eigendomsrechten op deze code’ (CERN, 30 jaar vrij en open web). Iedereen mocht de software dus gebruiken zonder ervoor te betalen (CERN, A short history of the Web). CERN spreekt in zijn eigen tijdlijn van het web ‘in het publieke domein brengen’ (CERN, Web History); een jaar later volgde een nieuwe versie onder een open licentie (CERN, 30 jaar vrij en open web).
Internet en web: niet hetzelfde
Mensen gebruiken ‘internet’ en ‘web’ vaak door elkaar. Berners-Lee legt het verschil uit: het internet is een netwerk van netwerken, met kabels tussen computers. Het web is ‘een abstracte (denkbeeldige) ruimte van informatie’, waarin de verbindingen hyperlinks zijn (Berners-Lee, FAQ (Net en Web)). Hij bedacht het web toen het internet al bestond (Berners-Lee, FAQ (Net en Web)). Daarom schrijft hij:
Uit de tijd zelf
Het web zou niet kunnen bestaan zonder het net.
The Web could not be without the Net.
Kindvraag
Wat is het verschil tussen het internet en het web?
Kort antwoord voor kinderen
Het internet is een netwerk van netwerken: computers die met kabels met elkaar verbonden zijn. Het web is de verzameling pagina’s die je via dat netwerk bekijkt en die met links aan elkaar hangen (Berners-Lee, FAQ (Net en Web)).
Nuance voor de leerkracht
Het internet bestond al voor het web. Het web kwam er rond 1990; e-mail werkte al sinds 1972 (Leiner e.a., Brief History of the Internet) (CERN, A short history of the Web).
Van telefoon tot smartphone
Een smartphone is een telefoon die ook een kleine computer is (CHM, IBM Simon). Het Computer History Museum in Californië noemt de IBM-BellSouth Simon uit 1993 ‘de eerste smartphone’. Dat toestel was telefoon, agenda, fax en pieper in één, met een aanraakscherm. Het kostte 899 dollar en had bijna alles wat latere smartphones konden, behalve een webbrowser. Een succes werd het niet (CHM, IBM Simon).
Op 9 januari 2007 stelde het bedrijf Apple de iPhone voor. Het persbericht beschreef hem als drie toestellen in één:
Uit de tijd zelf
een revolutionaire mobiele telefoon, een iPod met breed scherm en aanraakbediening, en een baanbrekend toestel om via internet te communiceren.
a revolutionary mobile phone, a widescreen iPod with touch controls, and a breakthrough Internet communications device
Een persbericht is reclame: een bedrijf beschrijft zijn eigen product zo gunstig mogelijk. Het is een goede bron voor hoe Apple de iPhone wilde voorstellen, en voor wat er in 2007 nieuw leek: een telefoon, een muziekspeler en het internet in één toestel. Het bewijst op zichzelf niet dat het toestel ‘revolutionair’ was.
Twee verhalen uit dezelfde tijd
De ruimtevaart en de digitale revolutie vonden in dezelfde decennia plaats, en vaak in hetzelfde land. In 1969 landden mensen op de maan en verstuurde een computer in Los Angeles de letters ‘lo’ (NASA, Apollo 11 overzicht) (Kleinrock, eerste woorden). Beide verhalen tonen ook iets wat typisch is voor de hedendaagse tijd: veel van wat er gebeurde, werd meteen vastgelegd, in transcripties, foto’s, televisiebeelden, voorstellen en persberichten. Wie vandaag naar die tijd kijkt, heeft daardoor heel veel bronnen. Dat betekent niet dat alle vragen beantwoord zijn, zoals het woordje ‘a’ van Armstrong toont.
En België? Frimout vloog mee met een Amerikaanse spaceshuttle, De Winne als astronaut van het Europese ruimteagentschap ESA naar een station van vijf ruimtevaartorganisaties. Cailliau werkte niet in België maar bij CERN, een Europees laboratorium in Zwitserland. De Belgen in dit artikel speelden dus mee in internationale samenwerking.
Geen oorzaak verzinnen tussen de twee verhalen: geen extra leerlingdoel
Het ligt voor de hand om te zeggen dat het internet ‘uit de ruimtewedloop voortkwam’. De bronnen van dit artikel leggen dat verband niet: NASA zegt dat de Verenigde Staten na Spoetnik NASA oprichtten (NASA, Sputnik), maar over het ARPANET of het internet zegt die pagina niets. Laat leerlingen dus wel zien dat de twee verhalen in dezelfde tijd en in dezelfde rivaliteit speelden, maar stel geen oorzakelijk verband voor zonder bron. Het is een goede oefening in het verschil tussen ‘tegelijk’ en ‘daardoor’.
Een tweede punt: wat smartphones en het web veranderden in het dagelijks leven van mensen en kinderen, gaat dit artikel niet na. Het volgt de technische stappen. De klas kan dat stuk zelf onderzoeken met bronnen uit de eigen omgeving: grootouders vragen hoe ze vroeger informatie opzochten of met elkaar belden.
Wat we weten en wat onzeker is
- Zeker en goed gedocumenteerd: de data van Spoetnik (4 oktober 1957), de vlucht van Gagarin (12 april 1961), de lancering van Apollo 11 (16 juli 1969), de landing (20 juli 1969, UTC) en de eerste stap van Armstrong (21 juli 1969, UTC), de vluchten van Frimout (1992) en De Winne (2002 en 2009), het eerste bericht over het ARPANET (29 oktober 1969), de voorstellen van Berners-Lee (1989) en van Berners-Lee en Cailliau (1990) en de vrijgave van het web door CERN (30 april 1993). Voor de ruimtevaart zijn er transcripties uit de missie zelf; voor het web de originele voorstellen.
- Een open vraag: wat Armstrong precies zei bij zijn eerste stap. Hij bedoelde ‘a man’, maar op de opnames is het ‘a’ niet te horen.
- Titels die van de definitie afhangen: ‘de eerste computer’ en ‘de eerste smartphone’. ENIAC wordt ‘algemeen beschouwd als’ de eerste elektronische computer voor algemeen gebruik; het Computer History Museum noemt de Simon de eerste smartphone. Andere instellingen kunnen andere toestellen kiezen.
- Een schatting: de 650 miljoen televisiekijkers bij de maanlanding is een schatting van NASA, geen telling.
- Bronnen met een doel: de toespraken van Kennedy tonen wat de Amerikaanse regering wilde zeggen; het persbericht van Apple hoe een bedrijf zijn product wilde verkopen; de herinnering van Kleinrock is het verhaal van een betrokkene. Ze zijn bruikbaar, maar bewijzen niet alles wat ze beweren.
- Herinneringen achteraf: wat Berners-Lee later over zijn eigen voorstel schreef, en wat Armstrong later over zijn woorden zei, is geschreven of gezegd met kennis van wat daarna kwam.
Kaarten
ARPA Network, Logical Map, September 1973 · Bolt Beranek and Newman Inc. (BBN), 1973
Het ARPANET in september 1973: nog geen tientallen knooppunten, met satellietverbindingen naar Hawaii en Londen.
Toont hoe klein het netwerk was voor het internet ontstond. Gebruik als schema, niet als geografische kaart.
Verbanden
- Gelijktijdig Rivaliteit en samenwerking na 1945
- Begrip Tijd en chronologie
- Vergelijking De industriële revolutie
- Verdieping Vragen stellen over een bron
- Begrip Bron en bewijs
- Verwijst hierheen Hedendaagse tijd
Bronnen en verdieping
Historische bronnen
- John F. Kennedy (1961 (toespraak); online uittreksel). The Decision to Go to the Moon: President John F. Kennedy's May 25, 1961 Speech before a Joint Session of Congress.
- John F. Kennedy (1962). President John F. Kennedy at Rice University (toespraak 12 september 1962, NASA).
- NASA (Apollo Lunar Surface Journal) (1969 (transcript); latere annotatie). Apollo 11 Lunar Surface Journal: Landing at Tranquility Base.
- NASA (Apollo Lunar Surface Journal, ed. Eric M. Jones en Ken Glover) (1969 (transcript); latere annotatie). Apollo 11 Lunar Surface Journal: One Small Step.
- UCLA, Leonard Kleinrock (2000s (online)). The first words on the Internet (Leonard Kleinrock, UCLA).
- Tim Berners-Lee (1989). Information Management: A Proposal (Tim Berners-Lee, CERN, maart 1989, herzien mei 1990).
- Tim Berners-Lee, Robert Cailliau (1990). WorldWideWeb: Proposal for a HyperText Project (T. Berners-Lee en R. Cailliau, CERN, 12 november 1990).
- Tim Berners-Lee (2000s (online)). Frequently asked questions by the Press: what is the difference between the Net and the Web? (Tim Berners-Lee).
- Apple (2007). Apple Reinvents the Phone with iPhone (persbericht, 9 januari 2007).
Geraadpleegde literatuur
- NASA (2022). 65 Years Ago: Sputnik Ushers in the Space Age.
- ESA (2011). 'I see Earth! It is so beautiful!' (Vostok 1, ESA).
- NASA (2020s (online)). April 1961 - First Human Entered Space.
- ESA (2013). First woman in space: Valentina (ESA).
- NASA (2019). Apollo 11 Mission Overview.
- NASA (Apollo Lunar Surface Journal) (1969 (gebeurtenis); latere annotatie). Apollo 11 Lunar Surface Journal: Program Alarms (1201/1202).
- NASA Science (2020s (online)). Margaret Hamilton (NASA Science).
- United Nations Office for Outer Space Affairs (1967 (verdrag); online inleiding). Outer Space Treaty (inleiding, UN Office for Outer Space Affairs).
- NASA (2020s (online)). Space Station Facts and Figures (NASA).
- NASA (1992). STS-45 (NASA).
- ESA (1992). STS-45 patch, 1992 (ESA).
- ESA (2009-2025 (online)). Frank De Winne (ESA astronautenprofiel).
- ESA (2009). First European commander of the International Space Station (ESA, 11 oktober 2009).
- ESA (2010s). Belgen in de ruimte: van nostalgie tot een blik naar de toekomst (ESA).
- ETHW (IEEE) (2000s (online)). ENIAC (Engineering and Technology History Wiki, IEEE).
- Barry M. Leiner, Vinton G. Cerf, David D. Clark, Robert E. Kahn, Leonard Kleinrock, Daniel C. Lynch, Jon Postel, Larry G. Roberts, Stephen Wolff (1997). Brief History of the Internet (Leiner, Cerf, Clark, Kahn, Kleinrock, Lynch, Postel, Roberts, Wolff).
- CERN (home.cern) (2020s (online)). A short history of the Web (CERN).
- CERN (web30.web.cern.ch) (2019). Web History (tijdlijn bij de 30e verjaardag van het web).
- CERN (info.cern.ch) (1990-1992 (versie niet vastgesteld)). info.cern.ch: The World Wide Web project (eerste website, zoals CERN hem bewaart).
- CERN (home.cern) (2023). 30 years of a free and open web (CERN).
- Computer History Museum (2000s (online)). Phones Get Smart / IBM-BellSouth Simon (Computer History Museum).
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
- Vlaamse overheid, AHOVOKS (2026). Minimumdoelen en visieteksten voor het derde jaar kleuteronderwijs, het vierde jaar lager onderwijs en het zesde jaar lager onderwijs.
Nog geen aanbevolen verdieping geselecteerd.
Doelen
Op.stap
- 5.1.GL6.13 6de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: ruimte-exploratie, Neil Armstrong.‘Ruimte-exploratie’ wordt uitgelegd als het verkennen van de ruimte en gedragen door losse, gebronde stappen; een vakbron voor het begrip als geheel is niet gebruikt. Latere Apollo-vluchten, onbemande ruimtesondes en het dagelijks leven van astronauten in het ruimtestation komen niet aan bod. ‘Hedendaagse tijd’ en ‘onze tijdrekening’ worden alleen kort gesitueerd. Verder in: Tijd en chronologie, Hedendaagse tijd, Rivaliteit en samenwerking na 1945.
- 5.1.GL6.14 6de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: informatie-, communicatie- en technologierevoluties, het internet.‘Informatie-, communicatie- en technologierevoluties’ wordt als verzamelnaam uitgelegd en gedragen door losse, gebronde stappen; een vakbron voor het begrip als geheel (of voor ‘digitale revolutie’) is niet gebruikt. Wat computers, het web en smartphones veranderden in het dagelijks leven, op het werk en voor kinderen, en eerdere communicatiemiddelen (telegraaf, telefoon, radio, televisie) zijn niet uitgewerkt. ‘Hedendaagse tijd’ en ‘onze tijdrekening’ worden alleen kort gesitueerd. Verder in: Tijd en chronologie, Hedendaagse tijd, De industriële revolutie.
Minimumdoelen
- 5.1.3 zesde leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden.De overige onderdelen van dit minimumdoel: de Tweede Wereldoorlog, de internationale rivaliteit en samenwerking (Verenigde Naties, Europese Unie, de Muur van Berlijn), en vrouwenemancipatie en burgerrechten. Verder in: De Tweede Wereldoorlog: vervolging, verzet en collaboratie, Rivaliteit en samenwerking na 1945, Vrouwenemancipatie en burgerrechten, Hedendaagse tijd.
Over dit artikel
- Geschreven
- 4 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 4 november 2026
- Fout gezien?
- Meld een correctie