De Tweede Wereldoorlog: vervolging, verzet en collaboratie
Hoe België in mei 1940 bezet werd, hoe de Duitse bezetter de Joden en de Roma vervolgde en vanuit de Kazerne Dossin deporteerde, wat er in het Fort van Breendonk gebeurde, wie verzet pleegde en wie collaboreerde, en hoe het land in 1944 en 1945 bevrijd werd.
Zo gemarkeerd: een woord dat Op.stap bij dit onderwerp expliciet gebruikt.
Op 10 mei 1940 viel Duitsland België binnen. Vier jaar lang was het land bezet. In die jaren werden de Joden in België door de Duitse bezetter uitgesloten, beroofd van hun rechten en daarna gedeporteerd; de meesten van hen werden in Auschwitz-Birkenau vermoord. Andere mensen werden opgesloten in het Fort van Breendonk. Sommige Belgen pleegden verzet, andere werkten met de bezetter samen. Dit artikel begint met een kort overzicht. Daarna gaat het over de inval, de bezetting, de vervolging van de Joden en de Roma, de Kazerne Dossin en Breendonk, het verzet, de collaboratie en de bevrijding. De cijfers komen van de instellingen die deze geschiedenis onderzoeken: Kazerne Dossin, het Nationaal Gedenkteken Fort van Breendonk en Cegesoma, het studiecentrum voor oorlog en maatschappij.
De oorlog in het kort
Op 10 mei 1940 vielen Duitse legers het neutrale België aan. Na achttien dagen, op 28 mei, capituleerde het Belgische leger zonder voorwaarden (DHM LeMO, Belgien 1940) (Belgium WWII, tijdslijn). Een Duits militair bestuur nam het land over (DHM LeMO, Belgien 1940). Tussen oktober 1940 en juni 1942 vaardigde de bezetter 17 verordeningen tegen de Joden uit, en vanaf augustus 1942 werden vanuit de Dossinkazerne in Mechelen Joden en Roma gedeporteerd naar Auschwitz-Birkenau. Slechts 5% van hen overleefde (Belgium WWII, Jodenvervolging). In het Fort van Breendonk zaten van 1940 tot 1944 vooral politieke gevangenen (Breendonk, historisch overzicht). Vanaf de zomer van 1940 groeide een verzet, dat in de zomer van 1944 tussen 100.000 en 150.000 mensen telde (Belgium WWII, Verzet). Ongeveer 100.000 Belgen collaboreerden (Belgium WWII, Collaboratie). In september 1944 werd bijna heel België bevrijd (Belgium WWII, Jodenvervolging), en op 8 mei 1945 capituleerde Duitsland (Belgium WWII, tijdslijn).
Wat de nazi’s in heel Europa met de Joden deden, noemen we de Holocaust of de Shoah. Dit artikel vertelt het deel ervan dat zich in België afspeelde. Het noemt de daders bij naam: de Duitse bezetter en zijn veiligheidspolitie, de Sipo-SD (Belgium WWII, Jodenvervolging). Het vertelt ook wat Belgische overheden deden, omdat historici daarover onderzoek hebben gedaan.
Op.stap plaatst de verzetsstrijders en de collaborateurs, het Fort van Breendonk en de Kazerne Dossin in de hedendaagse tijd (KOV Op.stap 1.3). Dat is de laatste van de zes periodes waarin we het verleden indelen, en het is de periode waarin wij zelf leven. Meer over de periodes staat in het artikel over tijd en chronologie, en over de hedendaagse tijd als de tijd van nu in vroeger en nu. Alle jaartallen hier zijn jaren van onze tijdrekening (o.t.): 1940 is 1940 o.t. Omdat er geen verwarring mogelijk is, laten we ‘o.t.’ weg.
Het is de tweede keer in de twintigste eeuw dat Duitsland het neutrale België binnenviel. Over de eerste keer, in 1914, gaat het artikel over de Eerste Wereldoorlog.
Rivaliteit en samenwerking
Op.stap zet bij deze doelen ook internationale rivaliteit en samenwerking (KOV Op.stap 1.3). Rivaliteit is de strijd tussen landen die elkaar als tegenstander zien; samenwerking is wat landen samen doen, als bondgenoten. In dit artikel komt dat op één manier aan bod: als de strijd tussen nazi-Duitsland en de landen die er samen tegen vochten, de Geallieerden. Na de capitulatie van mei 1940 bleef de Belgische regering trouw aan de Geallieerden en zette ze de strijd met hen voort, vanuit Londen (Belgium WWII, Leopold III) (Belgium WWII, tijdslijn). Het verzet in België gaf inlichtingen door aan Londen en hielp geallieerde soldaten (Belgium WWII, Verzet). In september 1944 bevrijdden Britse en Amerikaanse troepen het land, met hulp van het verzet (Belgium WWII, De bevrijding).
Over de oorzaken van de oorlog en over het verloop ervan buiten België gaat dit artikel niet. Hoe landen na 1945 op een nieuwe manier gingen samenwerken, in de Verenigde Naties en in Europa, en hoe er een nieuwe rivaliteit ontstond, staat in een apart artikel over rivaliteit en samenwerking na 1945.
Mei 1940
Achttien dagen
Op 10 mei 1940 vielen twee Duitse legergroepen het neutrale België aan. Op 17 mei bezetten de Duitsers Brussel, en de regering verliet de hoofdstad (Belgium WWII, tijdslijn). Op 24 mei braken de Duitse troepen door aan de Schelde, en op 28 mei 1940 capituleerde het Belgische leger (DHM LeMO, Belgien 1940). De tijdslijn van Belgium WWII spreekt van een ‘onvoorwaardelijke capitulatie van het Belgische leger’ (Belgium WWII, tijdslijn). Omdat de strijd achttien dagen duurde, heet hij in België ‘de achttiendaagse veldtocht’ (Warpress, clandestiene pers WO II).
Koning en regering
Over wat er na de nederlaag moest gebeuren, verschilden koning Leopold III en de regering van eerste minister Pierlot van mening. Op 25 mei kwam het tot een breuk (Belgium WWII, tijdslijn). Volgens de historicus Alain Colignon betekende het standpunt van de koning ‘een duidelijke breuk met de politiek van de Belgische regering’, die trouw bleef aan de Geallieerden (Belgium WWII, Leopold III). De koning bleef na de capitulatie in België, als krijgsgevangene (DHM LeMO, Belgien 1940). Hij verbleef in Laken, dat volgens Colignon ‘toch geen Oflag’ was, geen kamp voor krijgsgevangen officieren, al stonden er Duitse wachten. Op 19 november 1940 ontmoette hij Hitler in Berchtesgaden; dat gesprek ‘liep op een sisser af’ (Belgium WWII, Leopold III).
Op 28 mei 1940 sprak Pierlot op de radio. De tekst van die toespraak zelf hebben we niet. Wel bracht een Nieuw-Zeelandse krant de volgende dag een bericht van het persagentschap Press Association, dat de toespraak zo weergaf: de koning had met een afzonderlijke afspraak met Duitsland de grondwet geschonden, die afspraak was ongeldig (‘null and void’), ‘de schuld van één man kan niet aan de hele natie aangerekend worden’, en de regering zette de strijd met de Geallieerden voort (Wairarapa Times-Age 29-05-1940, Pierlot). Zo’n persbericht is een bron uit de tijd zelf, maar het is een samenvatting door een journalist, in vertaling, en geen letterlijke tekst. Wat Pierlot precies zei, kun je er dus niet uit afleiden; wel hoe het nieuws in landen aan de kant van de Geallieerden bekend raakte. Over dat verschil tussen soorten bronnen gaat het artikel bron en bewijs.
Eind oktober 1940 waren Pierlot en minister Spaak in Londen (Belgium WWII, tijdslijn). De koning bleef tot in juni 1944 in België. Kort na de geallieerde landing in Normandië brachten de Duitsers hem en zijn familie met geweld naar Duitsland (Belgium WWII, Leopold III) (Belgium WWII, tijdslijn).
De koningskwestie: geen extra leerlingdoel
De breuk van mei 1940 bleef na de oorlog doorwerken. Of Leopold III mocht terugkeren als koning, werd een politieke strijdvraag. Colignon vat het zo samen: ‘Alleen de christendemocraten wilden dat de koning terugkeerde met al zijn bevoegdheden. De anderen vroegen, met nuances, om troonsafstand’ (Belgium WWII, Leopold III). Dit artikel gaat niet verder op die naoorlogse koningskwestie in. Voor de leerlingen volstaat dat koning en regering in 1940 een andere keuze maakten: de koning bleef in het bezette land, de regering vocht vanuit Londen verder aan de kant van de Geallieerden.
Een land onder bezetting
Het bezette België kreeg een Duits militair bestuur onder generaal Alexander von Falkenhausen (DHM LeMO, Belgien 1940). Een bezetting betekent dat een vreemd leger het land in handen heeft en er de regels oplegt. De Duitse militaire bevelhebber gold voor België en het noorden van Frankrijk samen (Delplancq 2003, registre des Juifs, p. 145).
Toch werd het land niet alleen door Duitsers bestuurd. De Belgische ministeries bleven werken, onder hun hoogste ambtenaren, de secretarissen-generaal, en ook de provinciale en gemeentelijke besturen en de politie bleven aan het werk (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 30). Volgens de historicus Thierry Delplancq volgden ze een ‘politiek van het minste kwaad’: ze werkten loyaal met de bezetter mee, zolang wat die vroeg niet tegen de Belgische wet inging. Volgens Delplancq leidde dat tot veel compromissen, en het liet de bezetter toe het land te besturen ‘met een klein aantal Duitse ambtenaren’ (Delplancq 2003, registre des Juifs, p. 143). Een team van historici van Cegesoma schreef in 2007 in een rapport voor de Senaat dat de Belgische overheden zo meteen na mei 1940 in ‘een dynamiek van escalerende collaboratie’ terechtkwamen, waarop ze niet voorbereid waren (vertaling Kennisatlas). Ze wijzen er ook op dat de Belgische overheden, de bezetter en het bedrijfsleven alle drie wilden dat het gewone leven zo snel mogelijk weer op gang kwam (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 28–29).
Dat rapport heet in het Frans La Belgique docile en in het Nederlands Gewillig België. Het onderzoekt alleen de rol van de Belgische overheden bij de vervolging van de Joden, en zegt zelf dat het niet alles over de bezetting vertelt (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 21). We komen er hieronder op terug.
De vervolging van de Joden
Wie vervolgd werd
Vóór de Duitse inval van 10 mei 1940 woonden in België ongeveer 70.000 Joden. Dat is een schatting (Belgium WWII, Jodenvervolging). De Duitse veiligheidspolitie registreerde er later 55.670 (Belgium WWII, Joods verzet). Het verschil komt doordat het twee verschillende tellingen zijn: een schatting van wie er woonde, en het aantal mensen dat de bezetter in zijn registers had.
De meeste Joden in België woonden in Antwerpen en Brussel, vooral in de buurt van de stations, en minder in Luik en Charleroi (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 23). Volgens schattingen had maar 5% van de Joden in België de Belgische nationaliteit (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 28). De meesten waren dus vreemdelingen of staatlozen: mensen die van elders gekomen waren, vaak op de vlucht. Dat speelde mee in hoe Belgische overheden zich tegenover hen opstelden, zoals hieronder blijkt.
De verordeningen
Tussen oktober 1940 en juni 1942 vaardigde de bezetter 17 anti-Joodse verordeningen uit (Belgium WWII, Jodenvervolging). Een verordening is een regel die de bezetter oplegde, zoals een wet. De eerste twee dateren van 28 oktober 1940. Ze werden gedrukt in het Verordnungsblatt, het blad waarin de militaire bevelhebber zijn verordeningen bekendmaakte, van 5 november 1940 (Delplancq 2003, registre des Juifs, p. 145).

De eerste verordening legde vast wie volgens de bezetter Jood was. Ze deed dat op basis van de grootouders: wie minstens drie Joodse grootouders had, was Jood, en in sommige gevallen ook wie er twee had (Delplancq 2003, registre des Juifs, p. 145). Zo bepaalden de nazi’s wie Jood was, ook als iemand zelf niet gelovig was of zich niet zo voelde. De verordening verplichtte de gemeenten om een register van Joden bij te houden. Joden ouder dan 15 jaar moesten zich vóór 30 november 1940 laten inschrijven, en Joodse ondernemingen moesten vóór 10 december aangegeven worden. Hotels, restaurants en cafés van Joodse eigenaars moesten een bord ophangen: ‘Jüdisches Unternehmen – Joodsche onderneming – entreprise juive’. De tweede verordening zette Joden tegen 31 december 1940 uit openbare ambten en uit de beroepen van advocaat, hoogleraar en journalist (Delplancq 2003, registre des Juifs, p. 147).
Uitbreiding Hoe de verordening van 28 oktober 1940 bepaalde wie ‘Jood’ was
De historicus Thierry Delplancq geeft de definitie uit de eerste verordening in het Frans weer. Hier volgt ze in vertaling. De woorden ‘van het Joodse ras’ zijn de woorden van de bezetter, niet de onze; daarom staan ze tussen aanhalingstekens.
- Jood is ieder persoon die afstamt van minstens drie grootouders ‘van het Joodse ras’. 2) Als Jood wordt beschouwd ieder persoon die afstamt van twee Joodse grootouders, als hij: a) op het ogenblik dat deze verordening in werking treedt de Joodse eredienst aanhangt of dat later doet, of b) als zijn echtgenoot Jood is of als hij later met een Jood trouwt. 3) In geval van twijfel wordt als Jood beschouwd ieder persoon die de Joodse eredienst aanhangt of aangehangen heeft.
(Vertaling Kennisatlas naar de Franse weergave bij Delplancq (Delplancq 2003, registre des Juifs, p. 145).) Een grootouder telde volgens dezelfde verordening ‘zonder voorwaarde of voorbehoud’ als Joods als hij tot de Joodse eredienst behoord had (Delplancq 2003, registre des Juifs, p. 145). Het oordeel lag dus bij de bezetter, en hing af van wat grootouders geloofd hadden.
Daarna volgden nog andere maatregelen. In juli 1941 liet de Belgische secretaris-generaal Romsée de gemeenten ‘Jood-Juif’ stempelen op de identiteitskaarten van Joden (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 30). Op 25 november 1941 richtte de bezetter de Vereniging der Joden in België op, de VJB (Belgium WWII, Jodenvervolging). De vereniging moest onder meer onderwijs organiseren, want een verordening van 1 december 1941 scheidde Joodse kinderen af in eigen scholen (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 31). Een verordening van 8 mei 1942 legde Joden dwangarbeid op: in negen konvooien werden 2.252 Joodse dwangarbeiders naar de werkkampen van de Duitse Organisation Todt in Noord-Frankrijk gebracht (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 31–32). Vanaf 27 mei 1942 moesten Joden een Davidster dragen (Belgium WWII, tijdslijn).
Stap na stap werden de Joden zo aangeduid, geteld, uit hun werk gezet, uit de scholen gehaald en zichtbaar gemaakt. Dat maakte de volgende stap mogelijk: de deportatie.
Wat de Belgische overheden deden
Hoe reageerden de Belgische overheden op die verordeningen? Daarover gaat het Cegesoma-rapport van 2007. Volgens dat rapport weigerden de secretarissen-generaal eerst om de maatregelen tegen de Joden zelf af te kondigen. Daarop vaardigde de bezetter ze zelf uit, en rekende hij erop dat de Belgische diensten ze zouden uitvoeren. Het rapport noemt de verordeningen ‘een fundamentele schending van de Belgische grondwettelijke en wettelijke orde’ (vertaling Kennisatlas). Toch zag de Raad van Wetgeving ‘weinig bezwaren’ tegen meewerken aan de uitvoering; zelf het initiatief nemen zou wel ‘over de grens gaan’ (vertaling Kennisatlas) (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 28–29). De historici noemen de houding die daaruit volgde ‘pragmatisch, om niet te zeggen volgzaam’ (‘docile’). Daaraan dankt het rapport zijn titel (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 29). Volgens het rapport was het ook ‘een bewuste keuze’, waarin meespeelde dat de meeste Joden vreemdelingen waren (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 28).
Tot mei 1942 werkten de nationale, provinciale en gemeentelijke besturen en de politie volgens het rapport in grote mate mee (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 30). De gemeenten hielden de Jodenregisters bij, en Joodse ambtenaren waren tegen 31 december 1940 uit hun dienst ontslagen. In het arrondissement Antwerpen kregen 8.609 vreemdelingen, bijna allemaal Joden, een bevel om naar Limburg te verhuizen (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 30).
In 1942 gingen niet alle besturen dezelfde weg. Het stadsbestuur van Brussel weigerde de Davidsterren uit te delen, Luik volgde, en alle andere gemeenten deelden ze wel uit (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 32–34). Op 5 juni 1942 schreef de burgemeester van Brussel aan de bezetter, zoals het rapport citeert:
Wij kunnen er niet toe komen ons aan te sluiten bij een voorschrift dat de waardigheid van iedere mens, wie hij ook is, zo rechtstreeks aantast.
(Vertaling Kennisatlas uit het Frans, naar het citaat in het rapport (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 32).) Op 3 september 1942 weigerde dezelfde burgemeester de Brusselse politie in te zetten bij razzia’s, de grote klopjachten waarbij Joden opgepakt werden. In Antwerpen gebeurde het omgekeerde. Tijdens de tweede razzia, op 28 en 29 augustus 1942, arresteerde de gemeentepolitie zelf 1.243 Joden, allemaal vreemdelingen. Het rapport noemt dat ‘een uniek feit in de geschiedenis van de bezetting in België’ (vertaling Kennisatlas) (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 33). Toen de massale deportaties vanuit Mechelen begonnen, aanvaardden de Belgische overheden dat volgens het rapport ‘zonder openlijk protest’ (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 34).
De Kazerne Dossin
Een verzamelkamp in Mechelen
Op 27 juli 1942 openden de nazi’s in de Dossinkazerne in Mechelen een verzamelkamp voor Joden, in het Duits een Sammellager (Kazerne Dossin, programma Trains and the Holocaust (2022)). De Kazerne Dossin was een plaats waar mensen werden opgesloten tot hun trein vertrok. De historica Laurence Schram van Kazerne Dossin schrijft dat het kamp maar één functie had: rassengedeporteerden verzamelen voor een deportatie die op hun vernietiging gericht was (Kazerne Dossin, programma Trains and the Holocaust (2022)). Van daaruit vertrokken de treinen naar Auschwitz-Birkenau.
De SS verliet de Dossinkazerne op 4 september 1944, bij de bevrijding (Belgium WWII, Jodenvervolging). Vandaag is de kazerne een gedenkplaats, en ernaast staat sinds november 2012 een museum (Belgium WWII, herinnering en onderzoek Jodenvervolging).
Kindvraag
Wat was de Kazerne Dossin?
Kort antwoord voor kinderen
Een kazerne in Mechelen waar de nazi’s van juli 1942 tot september 1944 Joden en Roma opsloten, tot ze met de trein naar Auschwitz-Birkenau werden gebracht. Volgens Kazerne Dossin werden zo ongeveer 25.500 Joden en ongeveer 350 Roma gedeporteerd. Slechts 5% van hen overleefde.
Nuance voor de leerkracht
De exacte getallen verschillen een beetje naargelang wie telt; Kazerne Dossin noemt 25.490 Joden en 353 Roma (Belgium WWII, Jodenvervolging) (Kazerne Dossin, programma Trains and the Holocaust (2022)).
Achtentwintig transporten
Vanaf augustus 1942 deporteerde de Sipo-SD, de Duitse veiligheidspolitie, 25.490 Joodse mannen, vrouwen en kinderen vanuit Mechelen. Slechts 5% overleefde (Belgium WWII, Jodenvervolging). Kazerne Dossin telt 25.490 Joden en 353 Roma, gedeporteerd met 28 treintransporten naar Auschwitz-Birkenau (Belgium WWII, Jodenvervolging). Andere publicaties komen tot iets andere getallen. Een uitgave van Auschwitz in Gedachtenis spreekt van 24.908 Joden (Auschwitz in Gedachtenis, Gedeporteerd van Mechelen naar Auschwitz, p. 3), en Laurence Schram schrijft ‘ongeveer 25.000 Joden en 350 Roma’ (Kazerne Dossin, programma Trains and the Holocaust (2022)). De orde van grootte is dezelfde; dit artikel volgt de telling van Kazerne Dossin. Naast die 28 transporten brachten vijf bijzondere transporten nog 218 Joden met een vijandige of neutrale nationaliteit naar andere kampen (Kazerne Dossin, programma Trains and the Holocaust (2022)).
Het eerste transport vertrok op 4 augustus 1942, met 999 mensen; 9 van hen overleefden. Het laatste, Transport XXVI, vertrok op 31 juli 1944, met 563 mensen; volgens Kazerne Dossin overleefden er 189 (Kazerne Dossin, Transports). In de eerste drie maanden werden bijna 17.000 Joden gedeporteerd, met een tot twee transporten per week. Vanaf november 1942 duurde het langer om een transport samen te stellen, soms tot drie maanden (Auschwitz in Gedachtenis, Gedeporteerd van Mechelen naar Auschwitz, p. 3).
Een transport telde in principe duizend mensen: mannen, vrouwen, kinderen en ouderen. Ze zaten tot drie dagen opgesloten in de trein, meestal zonder water of eten. Sommigen stierven onderweg (Auschwitz in Gedachtenis, Gedeporteerd van Mechelen naar Auschwitz, p. 3–4). Vanaf Transport XX, in april 1943, gebruikten de nazi’s goederenwagons (Kazerne Dossin, programma Trains and the Holocaust (2022)).
In Auschwitz-Birkenau selecteerden SS-artsen de mensen bij aankomst, in haast en op het zicht. Wie volgens hen niet kon werken, werd meteen vermoord. Volgens Auschwitz in Gedachtenis werd gemiddeld twee derde van de gedeporteerden uit Mechelen nog op de dag van aankomst in de gaskamers omgebracht (Auschwitz in Gedachtenis, Gedeporteerd van Mechelen naar Auschwitz, p. 5). Ook van wie voor dwangarbeid geselecteerd werd, overleefden weinigen: van alle gedeporteerden uit Mechelen bleef maar 5% in leven (Belgium WWII, Jodenvervolging).
Over de Holocaust praten in de klas: geen extra leerlingdoel
Dit onderwerp vraagt rust en precisie. Gebruik de woorden die de bronnen gebruiken: vervolgd, gedeporteerd, vermoord. Woorden als ‘weggevoerd’ of ‘verdwenen’ verbergen wat er gebeurde. Noem de daders: de Duitse bezetter en de Sipo-SD. Toon geen foto’s van slachtoffers in de kampen. Wat wel kan: de kazerne van buiten, een verordening, een aanplakbiljet, of het verhaal van één persoon zoals een gedenkplaats of museum het vertelt. Auschwitz in Gedachtenis vertelt in een educatieve uitgave de levensverhalen van zes gedeporteerden (Auschwitz in Gedachtenis, Gedeporteerd van Mechelen naar Auschwitz, p. 10–14); gebruik zulke verhalen zoals de instelling ze aanbiedt. Cijfers zijn nodig, maar achter elk cijfer staan mensen met een naam.
De aanval op Transport XX
Op 19 april 1943 vertrok Transport XX uit Mechelen. Bij Boortmeerbeek brachten drie jonge mannen de trein tot stilstand. Een van hen was Youra Livchitz (Belgium WWII, Joods verzet) (Auschwitz in Gedachtenis, Gedeporteerd van Mechelen naar Auschwitz, p. 4). Volgens Auschwitz in Gedachtenis ontsnapten tijdens het Belgische deel van de rit 232 gedeporteerden, ongeveer één op de zeven (Auschwitz in Gedachtenis, Gedeporteerd van Mechelen naar Auschwitz, p. 4). Ontsnappingen gebeurden ook bij andere transporten. Over alle 28 transporten samen telde Laurence Schram 585 ontsnappingen: 31 mensen werden doodgeschoten, 234 werden opnieuw gearresteerd en 320 ontkwamen (Auschwitz in Gedachtenis, Gedeporteerd van Mechelen naar Auschwitz, p. 4, voetnoot 1).

Roma en Sinti
Niet alleen Joden werden vervolgd. Vanaf oktober 1943 arresteerde de bezetter ook Roma en Sinti en sloot hij ze op in de Dossinkazerne. Op 15 januari 1944 vertrok het enige transport met Roma naar Auschwitz-Birkenau, met 185 volwassenen en 166 kinderen. Van dat transport, Transport Z genoemd, overleefden slechts 32 mensen (Belgium WWII, Jodenvervolging) (Kazerne Dossin, Transports). Volgens de historica Veerle Vanden Daelen blijven de Sinti en Roma een meer vergeten groep slachtoffers (Belgium WWII, herinnering en onderzoek Jodenvervolging).
Het Fort van Breendonk
Het Fort van Breendonk was een militair fort. Tussen de twee wereldoorlogen was het een militair kwartier, en in mei 1940 zat er het hoofdkwartier van de generale staf van het Belgische leger (Breendonk, historisch overzicht). Na de capitulatie maakte de bezetter er een Auffanglager van: een gevangenis die als opvangkamp diende, vooral voor politieke gevangenen. Van september 1940 tot augustus 1944 was het in handen van de SS-politie (Breendonk, historisch overzicht). Politieke gevangenen zijn mensen die opgesloten worden om wat ze denken of doen tegen de machthebbers, zoals verzetsstrijders, en niet omdat ze gestolen of gedood hebben.
In die vier jaar zaten er ongeveer 3.600 mensen gevangen, van ongeveer twintig nationaliteiten, maar nooit meer dan 600 tot 700 tegelijk. In het eerste jaar van de bezetting was ongeveer de helft van de gevangenen Joods; de meesten van hen werden in 1942 naar Mechelen overgebracht, toen daar het verzamelkamp geopend was. Ten minste 101 mensen stierven in het fort door ondervoeding, mishandeling of dwangarbeid. Enkele honderden gevangenen werden er opgehangen of gefusilleerd, meestal als gijzelaar. Maar ongeveer de helft van alle gevangenen overleefde de oorlog. Breendonk werd later ook een doorgangskamp naar andere kampen (Breendonk, historisch overzicht).
Een gijzelaar is iemand die gevangen gehouden wordt om anderen onder druk te zetten.
Op 4 september 1944 vonden Britse soldaten een verlaten kamp. Na de bevrijding werden er ongeveer 750 vermoedelijke collaborateurs vastgehouden. Op 17 juni 1947 sloot het fort voorgoed zijn deuren als gevangenis, en in de zomer van 1947 werd het een nationaal gedenkteken (Breendonk, historisch overzicht).
Kindvraag
Wat is Breendonk?
Kort antwoord voor kinderen
Een oud fort waar de Duitse bezetter van september 1940 tot augustus 1944 vooral politieke gevangenen opsloot. Er zaten in totaal ongeveer 3.600 mensen gevangen. Ten minste 101 van hen stierven er door honger, mishandeling of zware arbeid, en enkele honderden werden er gedood, meestal als gijzelaar. Vandaag is het een gedenkteken.
Nuance voor de leerkracht
De cijfers komen van het Nationaal Gedenkteken Fort van Breendonk; andere publicaties geven soms andere aantallen (Breendonk, historisch overzicht).
Verzet
Wat verzetsstrijders deden
Verzet plegen betekent ingaan tegen de bezetter, terwijl dat verboden en gevaarlijk is. Een verzetsstrijder is iemand die dat doet. Volgens de historicus Fabrice Maerten van Cegesoma kwamen al vanaf de zomer van 1940 mannen en vrouwen samen ‘om zich te engageren in de strijd tegen de bezetter’. Vanaf 1942 kwam daar ook de gewapende strijd bij (Belgium WWII, Verzet). Verzet had veel vormen: clandestiene kranten maken en verspreiden, inlichtingen naar Londen sturen, Joden, politieke gevangenen en werkweigeraars helpen of verbergen, geallieerde soldaten het land uit helpen langs ontsnappingslijnen zoals Comète en Pat O’Leary, en gewapende acties (Belgium WWII, Verzet). Er waren veel groepen, zoals het Geheim Leger, het Onafhankelijkheidsfront, de Witte Brigade en de Partizanen. Communistische militanten waren volgens Maerten ‘verhoudingsgewijs in de meerderheid’ (Belgium WWII, Verzet).
In de zomer van 1944 telde het verzet in het hele land tussen 100.000 en 150.000 mensen. Ongeveer vijftienduizend van hen ‘betaalden met hun leven voor hun verzetsengagement’ (Belgium WWII, Verzet). Het verzet zag er volgens dezelfde bron sterk anders uit naargelang de streek, de sociale klasse en de overtuiging. Veel wat we erover weten, werd net na de oorlog opgeschreven, en dat vraagt om een kritische lezing (Belgium WWII, Verzet).
Kindvraag
Wat is een verzetsstrijder?
Kort antwoord voor kinderen
Iemand die tijdens de bezetting tegen de bezetter inging, ook al was dat verboden en gevaarlijk. Dat kon door verboden krantjes te maken, geheime berichten door te geven, mensen te verbergen of met wapens te vechten. Ongeveer vijftienduizend verzetsmensen kwamen om het leven (Belgium WWII, Verzet).
De clandestiene pers
Een clandestiene krant is een krant die in het geheim gemaakt wordt, omdat ze verboden is. Al in de zomer van 1940 begonnen sommige Belgen in het geheim blaadjes uit te geven, ‘om het moreel weer wat op te krikken na de nederlaag tijdens de achttiendaagse veldtocht’ (Warpress, clandestiene pers WO II). Er verschenen ongeveer 675 verschillende titels. De meeste kwamen maar één keer per maand uit, met een oplage van 100 tot 1.000 exemplaren, en slechts een twintigtal titels hield het vol van het begin tot het einde van de bezetting. 71,5% was in het Frans geschreven en 25,7% in het Nederlands. Ten minste 1.650 medewerkers kwamen om door de Duitse repressie, en na de oorlog werden ongeveer 12.000 mensen officieel erkend voor hun werk in de clandestiene pers (Belgium WWII, clandestiene pers).
Een van de vroegste titels was La Libre Belgique (Belgium WWII, clandestiene pers). Twee Brusselse advocaten, Robert Logelain en Paul Struye, begonnen ze in de zomer van 1940. Een nummer werd in 10.000 tot 30.000 exemplaren gedrukt. Het officiële overzicht van de gevallenen telt 176 doden onder de medewerkers. Op 6 september 1944, na de bevrijding, verscheen de gewone Libre Belgique weer (Warpress, La Libre Belgique (Peter Pan)).

In Antwerpen verscheen Het Vrije Woord, voor het eerst op 25 september 1940, van de verzetsgroep Vrank en Vrij van Henri Mandel. Het werd met een stencilmachine in 3.000 exemplaren gedrukt, later in gemiddeld 4.200 (Warpress, Het Vrije Woord). Volgens de beschrijving van Cegesoma schreef de krant na de eerste verordeningen tegen de Joden dat die maatregelen ‘tegen onze Joodse medeburgers’ maar een begin waren. Toen de VJB in november 1941 opgericht werd, zag ze een massale deportatie aankomen en raadde ze Joden aan onder te duiken in een niet-Joods huis (Warpress, Het Vrije Woord). Een clandestiene krant toont dus wat sommige mensen toen al wisten of vermoedden. Meer over kranten als bron staat in het artikel over soorten bronnen.

Clandestiene kranten zelf bekijken: geen extra leerlingdoel
Cegesoma heeft met het project The Belgian War Press scans van clandestiene kranten online gezet, ook van Het Vrije Woord (Warpress, Het Vrije Woord). Een voorpagina laten bekijken is een goede opdracht: het formaat, het papier, de taal, hoe weinig er op één blad staat. Laat leerlingen bedenken waarom zo’n krant klein en zonder naam van de drukker gemaakt werd, en wat er gebeurde met wie ermee betrapt werd.
Joods verzet
Joden waren niet alleen slachtoffer; velen verzetten zich ook. Er zijn 1.164 erkende Joodse verzetsstrijders. Bijna 70% van de gewapende Joodse verzetsstrijders was aangesloten bij het Onafhankelijkheidsfront (Belgium WWII, Joods verzet). Youra Livchitz, die Transport XX mee tot stilstand bracht, was een van hen (Belgium WWII, Joods verzet).
Collaboratie
Wat collaboratie is
Volgens de historicus Bruno De Wever collaboreerden tijdens de Tweede Wereldoorlog ongeveer 100.000 Belgen met de Duitse bezetter (Belgium WWII, Collaboratie). Een collaborateur is iemand die dat deed. De Wever omschrijft collaboratie als ‘een doelbewuste en vrijwillige samenwerking’ om de doelen van de bezetter mee te helpen bereiken. Dat is iets anders dan een ambtenaar die gewoon zijn werk blijft doen, of die meewerkt omdat hij denkt dat het in het algemeen belang is. Maar De Wever zegt er ook bij dat de grens tussen collaboratie en verplichte of gewone medewerking vaak onduidelijk is, en dat mensen heel verschillende redenen hadden (Belgium WWII, Collaboratie).
Dat zie je bij de Belgische overheden. Wie als ambtenaar bleef werken, was daardoor geen collaborateur in de zin van De Wever. Toch voerden diezelfde besturen maatregelen tegen de Joden mee uit, zoals hierboven beschreven. Het Cegesoma-rapport van 2007 neemt voor de houding van de Belgische overheidsdiensten een term over van de historicus Herman Van Goethem: ‘maximale collaboratie’ (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007)). Beide dingen kunnen dus tegelijk waar zijn.
Partijen en vormen
De Wever onderscheidt verschillende vormen van collaboratie (Belgium WWII, Collaboratie):
- politieke collaboratie, door partijen en bewegingen. Het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) ‘zet in 1940 zijn programma opzij voor de onvoorwaardelijke collaboratie’. DeVlag wilde Vlaanderen ‘aanhechten bij Duitsland in een Groot-Duits rijk’. Rex, de partij van Léon Degrelle, werd ‘snel een Groot-Duitse partij in Franstalig België’;
- militaire collaboratie: Belgen die in het Duitse leger of in eenheden van de collaboratie vochten, vooral aan het oostfront;
- bestuurlijke, culturele, intellectuele en economische collaboratie, door ambtenaren, kunstenaars, schrijvers en bedrijven;
- verklikking: ‘Uit politieke, administratieve of louter persoonlijke motieven wordt vaak informatie verschaft aan de bezetter’. Verklikken betekent iemand aangeven bij de bezetter.
Kindvraag
Waren alle Belgen verzetsstrijders of collaborateurs?
Kort antwoord voor kinderen
Nee. Historici schatten dat het verzet in de zomer van 1944 tussen 100.000 en 150.000 mensen telde, en dat ongeveer 100.000 Belgen collaboreerden (Belgium WWII, Verzet) (Belgium WWII, Collaboratie). Hoeveel mensen bij geen van beide groepen hoorden, en hoe die leefden en dachten, kunnen we uit die twee schattingen niet afleiden.
Nuance voor de leerkracht
Ook wie niet bij het verzet of de collaboratie hoorde, moest onder de bezetting keuzes maken. Waar gewone medewerking ophoudt en collaboratie begint, is volgens historici niet altijd scherp te zeggen (Belgium WWII, Collaboratie).
Kindvraag
Wat is een collaborateur?
Kort antwoord voor kinderen
Iemand die tijdens de bezetting bewust en vrijwillig met de bezetter samenwerkte, om de bezetter te helpen, bijvoorbeeld als lid van een partij die met de nazi’s meedeed, als soldaat in het Duitse leger of door mensen te verklikken (Belgium WWII, Collaboratie).
Nuance voor de leerkracht
Iemand die gewoon bleef werken, bijvoorbeeld bij de gemeente of in een fabriek, was daarom nog geen collaborateur. Waar de grens precies ligt, is volgens historici niet altijd duidelijk.
Bestraffing na de oorlog
Na de bevrijding werden collaborateurs vervolgd en gestraft. Dat heet de repressie. Eind 1945 zaten 45.696 mensen in de gevangenis, op 1 augustus 1945 waren het er nog 59.680. Eind september 1945 waren ongeveer 10.000 collaborateurs veroordeeld. Alleen al voor economische collaboratie werden 52.398 dossiers opgesteld, waarvan 38.551 geseponeerd werden en 2.011 naar de krijgsraad gingen (Dhondt en Huyse, Onverwerkt verleden). Steven Dhondt en Luc Huyse waarschuwen dat er niet één repressie was: wraak door de bevolking, de rechtszaken en andere maatregelen waren ‘zes gezichten van de repressie’, en wie daar een algemeen oordeel over velt, moet oppassen (Dhondt en Huyse, Onverwerkt verleden).
Tussen 1944 en 1950 werden 242 ter dood veroordeelden geëxecuteerd. Volgens het onderzoeksproject POSTWAREX was dat ‘de grootste executie-operatie in de Belgische rechtsgeschiedenis’: tussen 1830 en 1940 waren in België 79 mensen terechtgesteld. Na 1950 vond geen enkele executie meer plaats (BELSPO, POSTWAREX).
Bevrijding
September 1944
Op 2 september 1944 om 14 uur werd Doornik bevrijd. Op 3 september rond 15 uur reden de eerste Britse pantsereenheden Brussel binnen, ‘temidden van een juichende menigte’. De dag daarna bereikte de voorhoede van de 11th Armoured Division Antwerpen. Gent werd op 5 en 6 september bevrijd, Luik op 7 en 8 september. De Britten trokken vooral door Vlaanderen, de Amerikanen door Wallonië, en het verzet hielp hen (Belgium WWII, De bevrijding). In september 1944 werd zo bijna heel België bevrijd (Belgium WWII, Jodenvervolging). De haven van Antwerpen kon pas vanaf 26 november gebruikt worden (Belgium WWII, De bevrijding).

Het Ardennenoffensief en het einde
De oorlog was nog niet voorbij. Op de ochtend van 16 december 1944 begon het Duitse leger een offensief in de Ardennen. Hitler wilde over de Maas en daarna Brussel en Antwerpen innemen. Op 27 december ging het Duitse leger over tot de verdediging, en tegen 16 januari 1945 was alle gewonnen grond weer verloren (DHM LeMO, Ardennenoffensive). Op 8 mei 1945 capituleerde Duitsland (Belgium WWII, tijdslijn).
Voor de Joden die gedeporteerd waren, eindigde de oorlog niet met de bevrijding van België. Hun terugkeer uit het Duitse Rijk begon pas eind maart 1945 (Belgium WWII, Jodenvervolging), en van wie vanuit Mechelen weggevoerd was, kwam maar 5% terug.
7 of 8 mei 1945?: geen extra leerlingdoel
Voor de leerlingen volstaat ‘8 mei 1945’. Wie het nauwkeurig wil: generaal Jodl ondertekende de Duitse capitulatie in de vroege ochtend van 7 mei 1945 in Reims. Een tweede akte, gedateerd op 8 mei, werd kort na middernacht, dus al op 9 mei, ondertekend in Berlijn-Karlshorst (DHM LeMO, Kriegsende 1945).
Herinneren
Hoe België na de oorlog met deze geschiedenis omging, veranderde in de loop van de tijd. Eind 1945 oordeelde de Belgische staat dat de Belgische overheden geen juridische verantwoordelijkheid droegen voor de vervolging van de Joden, en het onderzoek naar Antwerpse politiemensen werd stopgezet (Van Doorslaer e.a., La Belgique docile (2007), p. 39–40). Volgens Veerle Vanden Daelen stond de Jodenvervolging lang in de schaduw van de herinnering aan het verzet en aan de politieke gevangenen. Zij noemt het werk van Maxime Steinberg, L’Étoile et le Fusil (1983–1986), een pionierswerk. Nadat het rapport Gewillig België in 2007 tot een ‘volgzame’ houding van de Belgische overheden besloot, bood premier Di Rupo in 2012 namens de Belgische staat excuses aan. In november 2012 opende het nieuwe museum naast de Dossinkazerne (Belgium WWII, herinnering en onderzoek Jodenvervolging). Breendonk is al sinds 1947 een nationaal gedenkteken (Breendonk, historisch overzicht).
Wat we weten en wat onzeker is
- Zeker en goed gedocumenteerd: de inval van 10 mei en de capitulatie van 28 mei 1940; de verordeningen van 28 oktober 1940 en de maatregelen die volgden; de opening van het verzamelkamp in Mechelen op 27 juli 1942 en de 28 transporten naar Auschwitz-Birkenau tussen augustus 1942 en juli 1944; de functie van Breendonk als Auffanglager; de bevrijding in september 1944. Dat de Dossinkazerne en Breendonk verschillende soorten kampen waren, is ook goed bekend.
- Tellingen die verschillen: het aantal Joden in België in 1940 (een schatting van ongeveer 70.000 tegenover 55.670 die de bezetter registreerde), het aantal gedeporteerde Joden (25.490 volgens Kazerne Dossin, 24.908 in een andere telling) en het aantal Roma (rond 350). Ook voor Breendonk circuleren verschillende cijfers; dit artikel volgt het Nationaal Gedenkteken.
- Schattingen: het aantal verzetsstrijders (100.000 tot 150.000 in de zomer van 1944) en collaborateurs (ongeveer 100.000) zijn schattingen van historici. Hoeveel mensen ertussenin leefden en hoe ze dachten, valt daaruit niet af te leiden.
- Een kwestie van uitleg: hoe je de houding van de Belgische overheden bij de Jodenvervolging moet beoordelen. Het Cegesoma-rapport van 2007 spreekt van ‘volgzaamheid’ en neemt de term ‘maximale collaboratie’ over; andere historici bekijken de klemtonen kritisch. Ook waar gewone medewerking eindigt en collaboratie begint, is volgens De Wever niet altijd scherp te trekken.
- Bronnen die zelf een verhaal vertellen: veel van wat we over het verzet weten, werd net na de oorlog opgeschreven. Het persbericht over de toespraak van Pierlot is een samenvatting, geen letterlijke tekst. Zulke bronnen zijn waardevol, maar je moet nagaan wie ze maakte en waarom.
Verbanden
- Voorgeschiedenis De Eerste Wereldoorlog
- Verdieping Soorten bronnen
- Begrip Bron en bewijs
- Begrip Tijd en chronologie
- Begrip Vroeger en nu: mijn straat, mijn huis, mijn familie
- Verwijst hierheen Democratie en rechtsstaat door de tijd
- Verwijst hierheen Hedendaagse tijd
Bronnen en verdieping
Geraadpleegde literatuur
- Deutsches Historisches Museum (DHM), Berlin (2026). Besetzung von Belgien 1940 (LeMO, Lebendiges Museum Online).
- Belgium WWII (CegeSoma/Rijksarchief) (2026). Tijdslijn (Belgium WWII).
- Alain Colignon (2026). Leopold III (persoonspagina, Belgium WWII).
- Wairarapa Times-Age, 29 mei 1940, p. 5 (Papers Past, Nationale Bibliotheek van Nieuw-Zeeland) (1940). Null and Void (persbericht Press Association, Parijs 28 mei, over de radiotoespraak van premier Pierlot).
- Rudi Van Doorslaer (dir.), Emmanuel Debruyne, Frank Seberechts, Nico Wouters, met Lieven Saerens (2007). La Belgique docile. Les autorités belges et la persécution des Juifs en Belgique pendant la Seconde Guerre mondiale. Rapport final: avant-propos, introduction et conclusions.
- Thierry Delplancq (2003). Des paroles et des actes. L'administration bruxelloise et le registre des Juifs, 1940-1941.
- Laurence Schram, Dorien Styven, Veerle Vanden Daelen (2026). Jodenvervolging (themapagina, Belgium WWII).
- Janiv Stamberger, Dorien Styven (2026). Joods verzet in België (artikel, Belgium WWII).
- Veerle Vanden Daelen (2026). Jodenvervolging in België: herinnering en onderzoek (artikel, Belgium WWII).
- Laurence Schram, Nico Wouters (2022). Programme 'Trains and the Holocaust': Deportation from the Dossin barracks 1942-1944 (Laurence Schram) en A lesser or a greater evil? (Nico Wouters).
- Kazerne Dossin, Memoriaal, Museum en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten (2026). Transports (onderzoeksproject, Kazerne Dossin).
- Stéphanie Perrin, Sarah Timperman (documentaire), Georges Boschloos (boekje) (2015). Gedeporteerd van Mechelen naar Auschwitz. Getuigen vertellen (Archiefverhalen vol. 3).
- Nationaal Gedenkteken Fort van Breendonk (Oorlogserfgoed / War Heritage Institute) (2026). Historical overview (Nationaal Gedenkteken Fort van Breendonk).
- Fabrice Maerten (2026). Verzet (themapagina, Belgium WWII).
- Fabrice Maerten (2025). De clandestiene pers (artikel, Belgium WWII).
- Fabrice Maerten (2012). Clandestiene pers in WO II (The Belgian War Press).
- The Belgian War Press (CegeSoma/Rijksarchief) (2012). Het Vrije Woord (titelfiche en scans, The Belgian War Press).
- The Belgian War Press (CegeSoma/Rijksarchief) (2012). La Libre Belgique (Peter Pan) (titelfiche, The Belgian War Press).
- Bruno De Wever (2026). Collaboratie (themapagina, Belgium WWII).
- Steven Dhondt, Luc Huyse (1991). Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België, 1942-1952. Uitgeverij Kritak / Davidsfonds (online op DBNL).
- Dirk Luyten (coördinator), Stanislas Horvat (2022). POSTWAREX. De ultieme straf: het militair gerecht en de uitvoering van de doodstraf voor collaborateurs na de Tweede Wereldoorlog in België (1944-1950).
- Alain Colignon (2026). De bevrijding (artikel, Belgium WWII).
- Deutsches Historisches Museum (DHM), Berlin (2026). Ardennenoffensive (LeMO).
- Deutsches Historisches Museum (DHM), Berlin (2026). Kriegsende 1945 (LeMO).
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
Nog geen aanbevolen verdieping geselecteerd.
Doelen
Op.stap
- 5.1.GL6.4 6de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: internationale rivaliteit en samenwerking, verzetsstrijders en collaborateurs, het Fort van Breendonk‘Internationale rivaliteit en samenwerking’ is hier versmald tot de strijd tussen Duitsland en de Geallieerden zoals België die beleefde (de regering in Londen, inlichtingen van het verzet, de bevrijding); oorzaken en verloop van de oorlog buiten België komen niet aan bod, en de samenwerking na 1945 (VN, Europese Unie) staat in een apart artikel. ‘Hedendaagse tijd’ en ‘onze tijdrekening’ worden alleen kort gesitueerd. Getuigenissen van gevangenen van Breendonk, aantallen Oostfrontvrijwilligers en het totaal aantal veroordelingen ontbreken. Verder in: Rivaliteit en samenwerking na 1945, Tijd en chronologie, Vroeger en nu: mijn straat, mijn huis, mijn familie.
- 5.1.GL6.5 6de leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden: internationale rivaliteit en samenwerking, verzetsstrijders en collaborateurs, de Kazerne Dossin.Geen bronfragment uit de tijd zelf: het Verordnungsblatt van 5 november 1940, een transportlijst of een getuigenis van een overlevende is nog niet zelf gelezen (de definitie van ‘Jood’ staat er via een wetenschappelijke weergave). Over ondergedoken Joodse kinderen en hun helpers staat nog niets in het artikel. ‘Internationale rivaliteit en samenwerking’ is versmald tot de oorlog zoals België die beleefde; de samenwerking na 1945 staat in een apart artikel. Verder in: Rivaliteit en samenwerking na 1945, Tijd en chronologie, Vroeger en nu: mijn straat, mijn huis, mijn familie.
Minimumdoelen
- 5.1.3 zesde leerjaarDe leerlingen weten hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd samenleefden.De Verenigde Naties, de Europese Unie en de Muur van Berlijn; vrouwenemancipatie en burgerrechten (Rosa Parks, gastarbeiders, de pil, stemrecht voor vrouwen, homohuwelijk); de informatie-, communicatie- en technologierevoluties en de ruimte-exploratie (Neil Armstrong, het internet). Verder in: Rivaliteit en samenwerking na 1945, Vrouwenemancipatie en burgerrechten.
Over dit artikel
- Geschreven
- 4 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 4 november 2026
- Fout gezien?
- Meld een correctie