Democratie en rechtsstaat door de tijd
Van een stemming in de kleuterklas tot de Grondwet, de mensenrechten en het verlies ervan in 1933, met bronnen uit Athene, Rome, Brabant, België en Europa.
Zo gemarkeerd: een woord dat Op.stap bij dit onderwerp expliciet gebruikt.
Wie beslist er, en volgens welke regels? Die vraag stellen kleuters als ze kiezen welk spel ze spelen, en ze staat ook in de oudste wetten die we kennen. Een democratie is een manier om samen te beslissen waarbij het volk meebeslist. Een rechtsstaat is een staat waarin ook wie regeert zich aan de wetten moet houden. De twee horen bij elkaar, maar ze zijn niet hetzelfde. En beide woorden betekenden door de tijd heen niet altijd hetzelfde. In Athene beslisten alleen de burgermannen mee. In België mocht in 1831 ongeveer één op de honderd inwoners stemmen. In Duitsland verloren de burgers in 1933 binnen enkele weken vrijheden die in de grondwet stonden.
Dit artikel tekent een lijn door de tijd. Het herhaalt niet wat in de onderwerpartikels staat, maar wijst ernaar en legt de voorbeelden naast elkaar. Bij elke stap laten bronnen uit de tijd zelf zien wat mensen over macht, regels en rechten schreven.
Een leerlijn in drie stappen
Het leerplan bouwt deze begrippen op over de hele basisschool (KOV Op.stap 1.3) (AHOVOKS 2026):
| Wanneer | Wat de doelen vragen | Hoofdstuk |
|---|---|---|
| Kleuterklas | de begrippen mening, overleg en stemmen herkennen, benoemen en kennen; daarbij de woorden meerderheid en minderheid | Mening, overleg en stemmen |
| Eerste tot vierde leerjaar | de begrippen verkiezingen, vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels, afspraken en gelijkheid herkennen (1), benoemen (2), uitleggen (3) en kennen (4); daarbij de woorden democratie en rechtstaat | Regels, afspraken, rechten en plichten en Wie beslist? |
| Derde en vierde leerjaar | principes van een democratische rechtsstaat herkennen in samenlevingen uit het verleden | Sporen van democratie en rechtsstaat in het verleden |
| Vijfde en zesde leerjaar | de begrippen democratie, regering, parlement, rechtbank, bescherming, wetten, grondwet en vrijheid kennen; de relatie tussen verleden, heden en toekomst verwoorden, onder meer bij democratische instellingen en dictatorschap | De macht verdelen, Vrijheid en bescherming, Duitsland in 1933 en Verleden, heden en toekomst |
Een leerlijn, geen ladder per leeftijd: geen extra leerlingdoel
De werkwoorden in de doelen lopen niet strikt op: na ‘uitleggen’ in het derde leerjaar volgt ‘kennen’ in het vierde (KOV Op.stap 1.3). Lees de tabel dus als wat het leerplan per leerjaar vraagt, niet als een uitspraak over wat kinderen op een bepaalde leeftijd kunnen. De woorden ‘democratie’ en ‘rechtstaat’ staan in het leerplan als richtinggevende woordenschat: de leerkracht gebruikt ze, de leerlingen hoeven ze in die jaren nog niet zelf te kennen (KOV Op.stap 1.3). Het leerplan spelt ‘rechtstaat’; in de doelteksten zelf staat ‘democratische rechtsstaat’. Dit artikel schrijft ‘rechtsstaat’. Een deel van de doelen over verleden, heden en toekomst gaat ook over erfgoed en over racisme en discriminatie. Dat hoort bij andere artikels; dit artikel neemt alleen ‘democratische instellingen en dictatorschap’ voor zijn rekening.
Mening, overleg en stemmen
Voor kleuters begint democratie in de klas. Een mening is wat jij ergens van vindt: welk liedje je het mooiste vindt, of je liever buiten of binnen speelt. Bij overleg vertellen kinderen elkaar hun mening, luisteren ze naar elkaar en zoeken ze samen een oplossing. Lukt dat niet, dan kun je stemmen: iedereen kiest, en je telt. Wie de meeste stemmen heeft, de meerderheid, krijgt zijn zin. De anderen, de minderheid, hebben ook gekozen, maar verloren de stemming.
Dat kinderen een mening mogen hebben en zeggen, staat in een internationaal verdrag. Het Verdrag inzake de rechten van het kind werd op 20 november 1989 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aanvaard en trad op 2 september 1990 in werking (VN-Kinderrechtenverdrag, art. 12). Artikel 12 zegt:
Uit de tijd zelf
De staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen het recht die mening vrij te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.
… the right to express those views freely in all matters affecting the child …
Let op het slot: de mening van het kind krijgt gewicht ‘naar leeftijd en rijpheid’. Het verdrag zegt dus niet dat kinderen over alles beslissen, wel dat er naar hen geluisterd moet worden. UNICEF België legt daarbij de nadruk op wat ook zeer jonge kinderen al kunnen begrijpen (UNICEF België, participatie).
Kindvraag
Waarom stemmen we?
Kort antwoord voor kinderen
Als we het niet eens zijn en samen moeten kiezen, kan iedereen een stem geven. Dan tellen we. Wat de meeste kinderen kiezen, doen we. Zo telt de mening van ieder kind even zwaar.
Wat weten we over kleuters en de meerderheid?: geen extra leerlingdoel
Een onderzoeksgroep aan de TU Dortmund (Thomas Goll en Norbert Zmyj, project DeFaKi) liet kinderen van drie tot vijf jaar in 156 tests oordelen over beslissingen in een groep. Volgens het nieuwsbericht van de universiteit beginnen kinderen pas rond vijf jaar het meerderheidsprincipe te begrijpen; jongere kinderen volgen eerder hun eigen voorkeur, en als in het verhaal de leerkracht beslist, vinden kinderen van alle leeftijden dat goed (TU Dortmund, DeFaKi). Het gaat om één Duits experiment, beschreven in een nieuwsbericht; het zegt niets over een bepaalde aanpak in Vlaamse klassen. Het is wel een reden om in de kleuterklas niet te veronderstellen dat een stemming vanzelf als eerlijk aanvoelt. Laat zien dat je telt, en zeg hardop dat ook de kinderen die verloren, meegestemd hebben.
Waarover kun je stemmen?: geen extra leerlingdoel
Een stemming beslist wat een groep doet, niet wat waar is. ‘Welk liedje zingen we?’ is een vraag voor een stemming. ‘Is het vandaag dinsdag?’ niet: dat zoek je op. Dat onderscheid tussen een keuze en een feit kun je al met kleuters maken. Verderop in dit artikel komt een voorbeeld uit Athene waarin een man stemde om iemand weg te sturen die hij niet eens kende.
Regels, afspraken, rechten en plichten
In de eerste graad gaat het om de woorden waarmee een groep haar samenleven regelt. Afspraken maak je samen: we ruimen op voor we naar buiten gaan. Een regel geldt voor iedereen in een groep, ook als je hem niet zelf bedacht hebt, zoals de schoolregels of de verkeersregels. Een regel die een staat oplegt, heet een wet. Rechten zijn wat je mag of waar je aanspraak op hebt, zoals je mening zeggen. Plichten zijn wat je moet doen. En gelijkheid betekent dat dezelfde regels voor iedereen gelden, wie je ook bent.
Die woorden zijn oud, en de bronnen laten zien dat ze niet altijd voor iedereen hetzelfde betekenden.
Gelijkheid was niet vanzelfsprekend. In de wetten van Hammurabi, in Mesopotamië, verloor wie het oog uitstak van een awīlum, een vrije man van de groep die de wet steeds als eerste noemt, zelf een oog. Ging het om het oog van een muškēnum, een vrij persoon met een lagere status, dan woog hij één mina zilver af. Was het de slaaf van een man, dan betaalde hij de helft van wat die slaaf waard was (eHammurabi (OMNIKA), art. 196–199). Dezelfde daad kreeg dus een andere straf, naargelang wie het slachtoffer was. Meer daarover in het artikel over Mesopotamië.
Veel later staat in de Belgische Grondwet van 1831: ‘De Belgen zijn gelijk voor de wet’ (Constitution belge 1831, art. 6). En de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 zegt het voor alle mensen:
Uit de tijd zelf
Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. … Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder onderscheid aanspraak op gelijke bescherming door de wet.
Rechten en plichten hoorden bij elkaar. In Athene had een burger rechten, zoals meedoen aan de volksvergadering, maar ook plichten. Plutarchus beschrijft een wet die hij aan Solon toeschrijft:
Uit de tijd zelf
Onder zijn andere wetten is er een heel eigenaardige en verrassende, die bepaalt dat wie bij een burgertwist geen partij kiest, zijn burgerrechten verliest.
Of de wet echt zo bestond en hoe ze werd toegepast, zegt Plutarchus niet. Wat hij wel laat zien: in zijn beeld van Athene was meedoen geen vrije keuze, maar een plicht van de burger. Meer bij de Griekse wereld. Ook vandaag kent België een plicht die bij een recht hoort: ‘Voor de verkiezingen van de Kamer is er stemplicht’, schrijft de Kamer van volksvertegenwoordigers (Kamerfiche verkiezing).
Kindvraag
Wat is het verschil tussen een regel en een afspraak?
Kort antwoord voor kinderen
Een afspraak maak je samen met de anderen, bijvoorbeeld met je klas. Een regel geldt voor iedereen in een groep, ook als je er zelf niet over mee beslist hebt, zoals de regels van de school of van het verkeer. Regels die het land maakt, heten wetten.
Wie beslist?
Macht
Macht is de mogelijkheid om over anderen te beslissen: regels maken, bevelen geven, straffen. In Mesopotamië noemde koning Hammurabi zich ‘de beschermende koning’, door de goden geroepen ‘om gerechtigheid in het land te brengen’ (Codex Hammurabi (King), proloog; epiloog); de wetten kwamen van hem (zie Mesopotamië). In Athene werden de bestuurders vóór Solon ‘gekozen op grond van geboorte en rijkdom’ (Aristoteles, Ath. Pol., 3): een kleine groep van rijke families had het voor het zeggen (zie de Griekse wereld). De grote vraag door de tijd is daarom: van waar komt de macht, en wie kan haar controleren?
In een democratie is het antwoord: van het volk. Het woord komt uit het Grieks (Thucydides 2.37 (Grieks), 2.37.1), en Perikles legt het in zijn grafrede uit, zoals verderop te lezen staat. In de Belgische Grondwet van 1831 klinkt het zo:
Uit de tijd zelf
Alle machten gaan uit van de natie. Zij worden uitgeoefend op de wijze die de grondwet bepaalt.
Tous les pouvoirs émanent de la nation.

De Grondwet spreekt van ‘machten’ in het meervoud. Dat woord komt terug bij de scheiding der machten.
Vertegenwoordiging en verkiezingen
In een grote staat kan niet iedereen tegelijk vergaderen. Daarom kiezen de burgers mensen die in hun plaats beslissen. Dat heet vertegenwoordiging: een kleine groep spreekt en beslist namens een grote groep. De Grondwet van 1831 zegt wie de Kamerleden en senatoren vertegenwoordigen:
Uit de tijd zelf
De leden van beide kamers vertegenwoordigen de natie, en niet enkel de provincie of de onderverdeling van een provincie die hen heeft benoemd.
Les membres des deux chambres représentent la nation …
Wie die vertegenwoordigers zijn, bepalen verkiezingen: de burgers kiezen wie hen vertegenwoordigt. Vandaag telt de Kamer van volksvertegenwoordigers 150 Kamerleden. Ze worden in 11 kieskringen rechtstreeks verkozen, voor vijf jaar, tenzij de Kamer eerder ontbonden wordt. Alle Belgische mannen en vrouwen vanaf 18 jaar mogen stemmen (Kamerfiche verkiezing). De Universele Verklaring van 1948 maakt van zulke verkiezingen een recht van ieder mens:
Uit de tijd zelf
Een ieder heeft het recht om deel te nemen aan het bestuur van zijn land, rechtstreeks of door middel van vrij gekozen vertegenwoordigers. … De wil van het volk zal de grondslag zijn van het gezag van de Regering; deze wil zal tot uiting komen in periodieke en eerlijke verkiezingen, die gehouden zullen worden krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemmingen of volgens een procedure, die evenzeer de vrijheid van de stemmen verzekert.
Elk woord in die zin doet ertoe. ‘Periodiek’: er zijn regelmatig verkiezingen, zodat je een vertegenwoordiger ook weer kunt wegstemmen. ‘Algemeen’: iedereen mag stemmen. ‘Gelijkwaardig’: elke stem telt even zwaar. ‘Geheim’: niemand kan zien wat je stemt.
Kindvraag
Waarom gaan niet alle mensen zelf naar het parlement?
Kort antwoord voor kinderen
Omdat er veel te veel mensen zijn om samen te vergaderen. Daarom kiezen we vertegenwoordigers. In België kiezen we 150 Kamerleden. Zij beslissen in onze plaats, en bij de volgende verkiezingen kunnen we iemand anders kiezen.
Wie mocht meebeslissen?
Dat iedereen vanaf 18 jaar stemt, is nieuw in de geschiedenis. Wie de voorbeelden uit de atlas naast elkaar legt, ziet hoe de groep die meebesliste, groter werd:
| Wanneer | Wie besliste mee |
|---|---|
| Athene, in de tijd van Perikles | de burgermannen; vrouwen, vreemdelingen en slaafgemaakten niet (Rotroff en Lamberton 2006, pdf-p. 9) |
| Brabant, 1312 | in de raad van Kortenberg: vier ridders en tien mannen uit zes steden (Charter van Cortenberg (ed. David 1842), art. IV) |
| België, 1831 | mannen die genoeg belasting betaalden: ongeveer 1,1 procent van de inwoners bracht een stem uit (Senaat, stemrecht VI) |
| België, 1893 | elke man vanaf 25 jaar een stem, sommige mannen één of twee extra stemmen (Senaat, stemrecht VI) |
| België, 1919 | eerste parlementsverkiezingen met ‘één man, één stem’ (Senaat, stemrecht VI) |
| België, 1948–1949 | wet op het stemrecht voor alle vrouwen (1948); eerste parlementsverkiezingen met vrouwen op 26 juni 1949 (Senaat, stemrecht V) |
| België, vandaag | alle Belgen vanaf 18 jaar, met stemplicht voor de Kamer (Kamerfiche verkiezing) |

Die uitbreiding kwam niet vanzelf. Arbeiders staakten en betoogden voor het stemrecht, en vrouwen wachtten tot 1949. Dat verhaal staat in het artikel over revoluties, grondwetten en emancipatie en, voor de vrouwen, bij vrouwenemancipatie en burgerrechten. Het woord voor zo’n strijd om gelijke rechten is emancipatie.
Sporen van democratie en rechtsstaat in het verleden
In het derde en vierde leerjaar leren de leerlingen principes van een democratische rechtsstaat herkennen in de samenlevingen uit het verleden die ze bestuderen (KOV Op.stap 1.3). Herkennen is iets anders dan gelijkstellen. Wie in Athene of in Kortenberg een spoor van vandaag ziet, moet er meteen bij zeggen wat er anders was. Drie voorbeelden, telkens met een verwijzing naar het artikel waar ze uitgewerkt staan. De jaartallen staan in de jaartelling van het leerplan: v.o.t. betekent ‘voor onze tijdrekening’ (zie tijd en chronologie).
Athene: een democratie voor sommigen
Athene was een stadstaat. Rond 594 v.o.t. maakte Solon er wetten die de schuldslavernij van Atheense burgers afschaften en de burgers naar hun bezit indeelden; ook de armsten kregen een plaats in de volksvergadering (ASCSA, Agora-tijdlijn) (Aristoteles, Ath. Pol., 6–7). Kleisthenes zette in 508/507 v.o.t. een volgende stap, en volgens de Staatsinrichting van Athene werd de staatsinrichting daardoor ‘veel democratischer dan die van Solon’ (ASCSA, Agora-tijdlijn) (Aristoteles, Ath. Pol., 22). Hoe dat in zijn werk ging, staat bij de wetten van Solon en na Solon.
De beroemdste uitleg van het woord democratie geeft Perikles in de grafrede die de geschiedschrijver Thucydides voor hem schreef:
Uit de tijd zelf
Het bestuur is in handen van de velen en niet van de enkelen; daarom heet het een democratie.
καὶ ὄνομα μὲν διὰ τὸ μὴ ἐς ὀλίγους ἀλλ᾽ ἐς πλείονας οἰκεῖν δημοκρατία κέκληται
Hoe je die Griekse zin precies vertaalt, is in het vak een discussie (Thucydides 2.37 (Grieks), 2.37.1). Volgens de historicus Mogens Herman Hansen is ‘de macht ligt bij de meerderheid en niet bij de enkelen’ een redelijk betrouwbare weergave van wat Perikles bedoelde. Andere vakmensen die hij aanhaalt, vertalen voorzichtiger: het bestuur is gericht op de belangen van de velen (Hornblower), of het berust niet op enkelen maar op een groter aantal (Rhodes) (Hansen 2008 (GRBS), p. 15–18). Voor de klas volstaat: volgens Perikles heet het een democratie omdat het bestuur bij de velen ligt, of voor de velen werkt, en niet bij een kleine groep.
En wie waren ‘de velen’? De volledige deelnemers aan de Atheense democratie waren de burgermannen (Rotroff en Lamberton 2006, pdf-p. 9). Vrouwen, vreemdelingen die in Athene woonden en slaafgemaakten stemden niet mee. Dat staat uitgewerkt bij wie was burger?.
Perikles in een Europese grondwet: geen extra leerlingdoel
Hoe een zin uit de oudheid in het heden terugkeert, toont Hansen met een voorbeeld uit 2003. Een ontwerp voor de inleiding van een Europese grondwet citeerde toen de zin van Perikles in een Engelse vertaling waarin de macht bij ‘het hele volk’ lag. Dat noemt Hansen de enige echt foute vertaling; ze werd verbeterd tot ‘de grootste groep’, en de passage verdween later uit de definitieve tekst (Hansen 2008 (GRBS), p. 15–18). Een mooi voorbeeld voor de derde graad van hoe een bron uit het verleden gebruikt wordt om iets over vandaag te zeggen, en hoe precies je dan moet vertalen.
Een opvallende Atheense manier van stemmen was het ostracisme. Volgens de Staatsinrichting voerde Kleisthenes de wet erop in, oorspronkelijk als voorzorg tegen mannen in hoge ambten, omdat Peisistratos zijn positie als volksleider en veldheer gebruikt had om tiran te worden (Aristoteles, Ath. Pol., 22). De Atheners konden zo een man die te machtig dreigde te worden, voor tien jaar uit de stad sturen (Plutarchus, Aristides (Loeb), 7.5).

Uitbreiding Het ostracisme, en de man die Aristides niet kende
Hoe zo’n stemming verliep, beschrijft Plutarchus in zijn levensbeschrijving van Aristides, een Atheens politicus die men ‘de Rechtvaardige’ noemde (Plutarchus, Aristides (Loeb), 7):
Uit de tijd zelf
Elke kiezer nam een ostrakon, een potscherf, schreef er de naam op van de burger die hij uit de stad wilde verwijderen en bracht ze naar een plaats op de agora die helemaal met hekken was afgezet. De archonten telden eerst het totaal aantal scherven; als er minder dan zesduizend kiezers waren, was het ostracisme ongeldig. Daarna scheidden ze de namen, en wie de meeste stemmen had, werd voor tien jaar verbannen, met behoud van de inkomsten van zijn bezit.
Daarna vertelt Plutarchus een verhaal over Aristides zelf:
Uit de tijd zelf
Terwijl de kiezers hun scherven beschreven, zou een ongeletterde, ruwe man zijn scherf aan Aristides hebben gegeven met de vraag er ‘Aristides’ op te schrijven. Verbaasd vroeg die wat Aristides hem ooit misdaan had. ‘Niets,’ zei de man, ‘ik ken hem niet eens, maar ik ben het beu dat ik hem overal “de Rechtvaardige” hoor noemen.’ Aristides antwoordde niet, schreef zijn naam op de scherf en gaf ze terug.
Plutarchus vertelt het als iets wat ‘men zegt’. Het verhaal bewijst dus niet wat Aristides werkelijk deed. Het toont wel wat men zich later over het ostracisme vertelde: dat een stem ook kon voortkomen uit afgunst, en dat wie niet kon schrijven, een ander om hulp moest vragen. Het quorum van zesduizend is de weergave van Plutarchus.
Een echte scherf met een naam erop, die van Themistokles, werd bij de opgravingen op de Agora gevonden. Ze staat in het artikel over de Griekse wereld.
Een goede vraag voor de klas: is dit een verkiezing zoals wij die kennen? Nee: je stemde niet om iemand te kiezen, maar om iemand weg te sturen.
Kindvraag
Was Athene een democratie zoals België?
Kort antwoord voor kinderen
Niet helemaal. In Athene mochten de burgermannen zelf meestemmen in de volksvergadering. Vrouwen, vreemdelingen en slaafgemaakten mochten dat niet. In België stemmen vandaag alle mannen en vrouwen vanaf 18 jaar, maar ze kiezen vertegenwoordigers die in hun plaats beslissen.
Rome: een republiek met consuls
Ook Rome had in het begin koningen. Daarna kwamen er consuls, de hoogste ambtenaren, in plaats van een koning (Tacitus, Ann. 1, 1.1) (Smith, Dictionary, Fasti). Elk jaar waren er nieuwe consuls. Livius ziet daarin het begin van de Romeinse vrijheid:
Uit de tijd zelf
De oorsprong van de vrijheid mag je eerder daarin zoeken dat het consulaat een jaarlijks bewind werd, dan in het feit dat er iets van de koninklijke macht werd weggenomen.
Libertatis autem originem inde magis quia annuum imperium consulare factum est … numeres.
Macht met een einddatum: dat principe herken je ook in de verkiezingen van vandaag. Hoe de Romeinen met de consuls de jaren telden, staat bij tijd en chronologie.
Was Rome dan een democratie? De geschiedschrijver Polybius, die de Romeinse staatsinrichting uitgebreid beschreef, gaf een eigen antwoord:
Uit de tijd zelf
De drie staatsvormen waarover ik sprak, hadden alle deel aan het bestuur van de Romeinse staat. … Keek je naar de macht van de consuls, dan leek de staatsinrichting volkomen monarchaal en koninklijk; keek je naar die van de senaat, dan leek ze weer aristocratisch; en keek je naar de macht van de massa, dan leek ze duidelijk een democratie. … Het is het volk alleen dat het recht heeft eer toe te kennen en straf op te leggen.
Volgens Polybius was Rome dus een mengvorm: een beetje koning (de consuls), een beetje bestuur door de besten (de senaat) en een beetje volk. Dat is zijn analyse, geen beschrijving die de Romeinen zelf zo in een wet schreven.
Maar ook in Rome woog niet elke stem even zwaar. Livius beschrijft hoe de stemmen ingedeeld werden volgens bezit, een regeling die hij toeschrijft aan een van de koningen, Servius Tullius (Livius, boek 1, 1.42.5–1.43.10):
Uit de tijd zelf
Want het stemrecht werd niet, zoals de andere koningen sinds Romulus gedaan hadden, aan iedereen afzonderlijk met dezelfde kracht en hetzelfde recht zonder onderscheid gegeven; er werden rangen gemaakt, zodat niemand van de stem uitgesloten leek en toch alle kracht bij de voornaamsten van de burgerij lag; eerst werden namelijk de ridders opgeroepen, daarna de tachtig eeuwen van de eerste klasse.
… ut neque exclusus quisquam suffragio videretur et vis omnis penes primores civitatis esset …
‘Zodat niemand uitgesloten leek’: Livius zegt het zelf. Iedereen stemde, maar de rijksten stemden eerst en hadden het meeste gewicht. Of het historisch zo gebeurd is en wanneer, kan Livius’ verhaal over een koning uit de vroegste tijd niet bewijzen; het toont wel hoe een Romeinse schrijver ongelijk stemrecht beschreef. Dat Rome ook burgerrecht ‘zonder stemrecht’ gaf, staat in het artikel over de stadstaat.
Keuren en charters: ook de vorst gebonden
In de middeleeuwen beloofden vorsten in geschreven oorkonden welke rechten ze zouden eerbiedigen. In 1127 beloofde de graaf van Vlaanderen aan de burgers van Saint-Omer dat ze recht zouden krijgen ‘door het juiste oordeel van de schepenen, tegenover iedereen en tegenover mijzelf’ (Keure van Saint-Omer 1127 (ed. Giry 1877), art. 1). Een rechter uit de stad die ook over een geschil met de graaf oordeelt: dat is een spoor van wat we nu een rechtsstaat noemen. Meer bij stadsrechten in een keure.
Op woensdag 27 september 1312 gaf hertog Jan II van Brabant een oorkonde die we de Keure van Kortenberg noemen (Charter van Cortenberg (ed. David 1842)) (Connaître la Wallonie, Cortenberg 1312). Hij stelde een raad in van vier ridders en tien goede lieden uit de steden, die om de drie weken in Kortenberg samenkwam om klachten te horen en te herstellen (Charter van Cortenberg (ed. David 1842), art. IV). Het opvallendste is het zevende artikel. De hertog bepaalt zelf wat er gebeurt als hij of zijn opvolgers de afspraken van de raad breken:
Uit de tijd zelf
En zou het gebeuren dat de ridders en goede lieden te Kortenberg iets zouden maken, bedenken of ordenen, en wij of onze opvolgers of iemand anders dat zouden breken of niet willen houden, dan stemmen wij daarmee in en willen wij, voor ons en onze opvolgers, dat men in ons land geen vonnis zal uitspreken en geen dienst zal doen, totdat men die dingen houdt en laat gebeuren zoals gezegd.
… dat men binnen onsen lande engheen vonnesse segghen sal, noch dienst doen en sal …

De hertog bindt zichzelf: wie de macht heeft, moet zich ook aan de afspraken houden. Dat is het principe dat je hier kunt herkennen. Wat er anders was: in de raad zaten alleen ridders en mannen uit zes steden, geen boeren en geen vrouwen (Charter van Cortenberg (ed. David 1842), art. IV). Gelijke politieke rechten voor iedereen kent de tekst niet. Dat de keure vaak ‘de eerste grondwet van Europa’ genoemd wordt, is een etiket van later (Damen 2012, p. 247). Alles over de keure staat bij de Keure van Kortenberg en bij bron en bewijs.
Kindvraag
Moest een hertog zich aan de regels houden?
Kort antwoord voor kinderen
In Brabant beloofde hertog Jan II dat in 1312. In de Keure van Kortenberg staat dat zijn onderdanen hem niet meer hoefden te dienen als hij de afspraken met de raad brak.
Nuance voor de leerkracht
De tekst zegt wat de hertog beloofde (Charter van Cortenberg (ed. David 1842), art. VII). Of later echt iemand de dienst weigerde omdat een hertog de keure brak, staat er niet in. Het korte antwoord spreekt daarom over Brabant en over een belofte, niet over alle vorsten.
Principes herkennen
Wie de drie voorbeelden naast elkaar legt, kan met leerlingen telkens dezelfde vragen stellen. Zo herkennen ze de principes van een democratische rechtsstaat zonder te doen alsof het verleden al was zoals nu:
- Wie besliste mee? In Athene de burgermannen, in Rome alle burgers maar de rijken het zwaarst, in Kortenberg ridders en mannen uit de steden.
- Had de macht een grens? In Rome een termijn van een jaar voor de consuls, in Kortenberg een hertog die zichzelf aan de afspraken bond.
- Was iedereen gelijk? Nergens: niet in Athene, niet in Rome, niet in Brabant. Juist die vraag maakt het verschil met vandaag zichtbaar.
- Wie sprak recht? In Athene mochten ook de armste burgers in de rechtbanken zetelen (Aristoteles, Ath. Pol., 7), in Saint-Omer de schepenen, ‘ook tegenover’ de graaf (Keure van Saint-Omer 1127 (ed. Giry 1877), art. 1).
Herkennen zonder gelijkstellen: geen extra leerlingdoel
Het gevaar bij dit doel is dat leerlingen het verleden gaan beoordelen als een mislukte versie van vandaag, of omgekeerd overal een begin van onze democratie zien. Laat ze bij elk voorbeeld twee dingen zeggen: wat herken je, en wat is anders? Zo blijft het een vergelijking. Het artikel over perspectief gaat dieper in op die valkuil.
De macht verdelen
In het vijfde en zesde leerjaar komen de begrippen die een moderne rechtsstaat beschrijven: wetten, parlement, regering, rechtbank, grondwet (KOV Op.stap 1.3). Ze hangen samen met één idee: de macht moet verdeeld zijn.
Montesquieu
De Franse schrijver Montesquieu werkte dat idee uit in De l’esprit des lois (Over de geest van de wetten), dat in 1748 verscheen (Montesquieu, Esprit des lois XI.6). In een hoofdstuk over de staatsinrichting van Engeland schrijft hij:
Uit de tijd zelf
Wanneer in dezelfde persoon of in hetzelfde lichaam van magistraten de wetgevende macht met de uitvoerende verenigd is, is er geen vrijheid, want men kan vrezen dat dezelfde monarch of dezelfde senaat tirannieke wetten maakt om ze op tirannieke wijze uit te voeren. Er is evenmin vrijheid als de macht om te oordelen niet gescheiden is van de wetgevende en de uitvoerende macht. … Alles zou verloren zijn als dezelfde man, of hetzelfde lichaam van de aanzienlijken, of van de edelen, of van het volk, deze drie machten zou uitoefenen: die om wetten te maken, die om de openbare besluiten uit te voeren, en die om misdaden of geschillen tussen particulieren te beoordelen.
Tout seroit perdu, si le même homme, ou le même corps des principaux, ou des nobles, ou du peuple, exerçoient ces trois pouvoirs …
Drie machten dus: wetten maken, de besluiten uitvoeren, en oordelen. Liggen ze in één hand, dan is er volgens Montesquieu geen vrijheid. Let op: hij beschrijft hier hoe hij het Engelse stelsel zag, en zijn indeling is niet helemaal die van vandaag. Aan het begin van het hoofdstuk deelt hij de uitvoerende macht nog op, in een deel voor wat met andere staten te maken heeft en een deel voor het burgerlijk recht (Montesquieu, Esprit des lois XI.6). Volgens de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers heeft Montesquieu de Franse revolutionairen in grote mate beïnvloed (Kamerfiche scheiding der machten). De Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger van 1789 zegt in artikel 16 dat een samenleving zonder scheiding van de machten ‘geen grondwet heeft’ (DDHC 1789, art. 16).

Kindvraag
Waarom mag niet één persoon alles beslissen?
Kort antwoord voor kinderen
Omdat die persoon dan zelf de wetten kan maken, ze zelf kan uitvoeren en zelf kan oordelen wie schuldig is. Niemand kan hem dan nog tegenhouden. Dat schreef Montesquieu al in 1748. Daarom verdelen we de macht over drie groepen die elkaar in het oog houden.
Drie machten in de Belgische Grondwet
Een grondwet is de belangrijkste wet van een staat. Ze zegt wie de macht heeft, hoe die verdeeld is en welke vrijheden de burgers hebben; andere wetten mogen er niet tegenin gaan. De Belgische Grondwet werd op 7 februari 1831 door het Nationaal Congres goedgekeurd (belgium.be, 1830) (Senaat, stemrecht II). Hoe België toen ontstond, staat bij de Belgische Grondwet van 1831. Hier gaat het om hoe de Grondwet de macht verdeelde:
Uit de tijd zelf
De wetgevende macht wordt gezamenlijk uitgeoefend door de koning, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat. … Aan de koning komt de uitvoerende macht toe, zoals de grondwet ze regelt. De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door de hoven en rechtbanken.
Le pouvoir judiciaire est exercé par les cours et tribunaux.
Dat zijn de drie machten:
- De wetgevende macht maakt de wetten: de regels die in het hele land gelden. In 1831 deden de koning en de twee Kamers dat samen.
- De uitvoerende macht voert de wetten uit en bestuurt het land. In 1831 kwam die toe aan de koning, ‘zoals de grondwet ze regelt’.
- De rechterlijke macht oordeelt of iemand de wet overtreden heeft en beslecht ruzies. Dat doen de hoven en rechtbanken.
Opvallend is wat er niet staat. De Kamer schrijft: ‘Nochtans bevat de Grondwet geen enkele specifieke bepaling betreffende de scheiding der machten. Dat beginsel wordt afgeleid uit de Grondwet, die een onderscheid maakt tussen drie organen die met uiteenlopende functies zijn belast’ (Kamerfiche scheiding der machten). Het woord ‘scheiding der machten’ komt dus niet in de Grondwet voor; het idee zit in de manier waarop ze de taken verdeelt.
Parlement, regering en rechtbank vandaag
Hoe ziet dat er vandaag uit? Het parlement is de vergadering van de gekozen vertegenwoordigers. In de Kamer van volksvertegenwoordigers zitten 150 rechtstreeks verkozen Kamerleden. In de plenaire vergadering wordt vooral gedebatteerd en gestemd over wetsvoorstellen, die van Kamerleden komen, en wetsontwerpen, die van de regering komen. De Kamerleden kunnen er ook de ministers ondervragen. De vergadering is in principe openbaar (Kamerfiche organen).
De regering is de groep ministers die het land bestuurt en de wetten uitvoert: de uitvoerende macht. Ze moet zich verantwoorden tegenover het parlement, dat haar vragen stelt en over haar plannen stemt (Kamerfiche organen).
Een rechtbank is de plaats waar rechters oordelen of iemand de wet overtreden heeft en ruzies beslechten: de rechterlijke macht, ‘uitgeoefend door de hoven en rechtbanken’ (Constitution belge 1831, art. 30).
Samen vormen parlement, regering en rechtbanken de belangrijkste democratische instellingen: vaste organen met elk een eigen taak, die volgens de grondwet werken.
Gescheiden, maar niet afgesloten: geen extra leerlingdoel
Het schoolboekbeeld van drie gesloten blokken klopt niet helemaal. Volgens de Kamer betekent de scheiding der machten vandaag ‘niet langer’ dat drie aparte groepen van organen elk een eigen macht helemaal alleen uitoefenen; het gaat ‘veeleer om een functionele scheiding’, en ‘men gebruikt derhalve beter de termen samenwerking of interpenetratie van de machten’ (Kamerfiche scheiding der machten). De regering stelt zelf wetten voor, en het parlement controleert de regering (Kamerfiche organen). Het doel blijft hetzelfde. Volgens dezelfde fiche moet de macht in drie elementen verdeeld worden ‘om totalitarisme te voorkomen’ (Kamerfiche scheiding der machten). Voor leerlingen volstaat: drie machten, elk met een eigen taak, die samenwerken en elkaar controleren. Welke rol de koning vandaag nog speelt bij het maken van wetten, werkt dit artikel niet uit.
Vrijheid en bescherming
Een rechtsstaat gaat niet alleen over wie de macht heeft, maar ook over wat de macht niet mag: de vrijheden van de burgers afnemen, iemand straffen zonder wet, iemand veroordelen zonder eerlijk proces.
Vrijheden in de Grondwet van 1831
Vrijheid betekent hier: dingen mogen doen zonder dat de overheid je tegenhoudt, zolang je de wet niet overtreedt. De Grondwet van 1831 somde zulke vrijheden op. De vrijheid van eredienst en van meningsuiting (artikel 14), van onderwijs (17) en van pers (18) staan in het artikel over de Belgische Grondwet (Constitution belge 1831, art. 14, 17 en 18). De artikels 19 en 20 voegden er het recht aan toe om te vergaderen en om verenigingen op te richten (Constitution belge 1831, art. 19 en 20). Vrijheid is in die teksten iets wat de overheid moet laten bestaan: ‘de censuur zal nooit mogen worden ingevoerd’ (Constitution belge 1831, art. 18).
De Universele Verklaring van 1948
Op 10 december 1948 kondigde de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens af (EVRM (NL, EHRM-uitgave), aanhef). Ze zegt niet wat één land moet doen, maar welke rechten voor alle mensen zouden moeten gelden. Artikel 1 (‘Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren’) en artikel 21 over verkiezingen staan hierboven. Artikel 19 zegt: ‘Een ieder heeft recht op vrijheid van mening en meningsuiting’ (UVRM (NL, UNRIC), art. 19). En artikel 7 spreekt van ‘gelijke bescherming door de wet’ (UVRM (NL, UNRIC), art. 7). Bescherming betekent hier: de wet en de rechter beschermen je tegen onrecht, ook tegen onrecht door de overheid zelf. Hoe de Verklaring met de burgerrechten samenhangt, staat bij wat zijn burgerrechten?.
Het Europees Verdrag van 1950
Twee jaar later, op 4 november 1950, werd in Rome het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ondertekend. De aanhef verwijst zelf naar de tekst van 1948: ‘Gelet op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is afgekondigd’ (EVRM (NL, EHRM-uitgave), aanhef). Een verdrag is een geschreven afspraak tussen staten. Enkele artikels maken goed zichtbaar wat bescherming in een rechtsstaat betekent:
Uit de tijd zelf
Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. … heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. … Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. … Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting.
In gewone woorden: niemand mag gefolterd worden; wie voor de rechter komt, heeft recht op een eerlijk proces voor een rechter die niet partijdig is; je kunt niet gestraft worden voor iets wat op het moment dat je het deed nog niet verboden was; en je mag je mening zeggen. De officiële teksten van het Verdrag zijn het Engels en het Frans; de Nederlandse vertaling is een hulpmiddel (EVRM (NL, EHRM-uitgave)).
Wat is een rechtsstaat?
Met al die stukken samen kunnen we zeggen wat in dit artikel met een rechtsstaat bedoeld wordt: een staat waarin ook wie regeert zich aan de grondwet en de wetten moet houden, waarin de macht verdeeld is, waarin de rechten van de burgers vastliggen en waarin een onafhankelijke rechter oordeelt. Elk van die stukken heb je in de bronnen hierboven gezien: de hertog die zich bindt in Kortenberg, de drie machten van Montesquieu en de Grondwet, de vrijheden van 1831 en de eerlijke rechtspraak van 1950.
Kindvraag
Wat is een rechtsstaat?
Kort antwoord voor kinderen
Een land waar iedereen zich aan de wetten moet houden, ook de regering. Je mag niet gestraft worden voor iets wat niet verboden was. En als je voor de rechter komt, oordeelt een rechter die niet partijdig is.
Een werkomschrijving: geen extra leerlingdoel
De omschrijving van een rechtsstaat hierboven is een samenvatting van de bronnen in dit artikel, geen definitie uit een handboek. Juristen en politicologen verschillen over hoeveel elementen erbij horen. Voor de lagere school volstaan de vier stukken: wetten voor iedereen, ook voor wie regeert; verdeelde macht; vastgelegde rechten; onafhankelijke rechters.
Wanneer een rechtsstaat verdwijnt: Duitsland in 1933
Wat gebeurt er als die stukken wegvallen? Duitsland had in 1933 een grondwet, een parlement (de Reichstag) en verkiezingen. Binnen enkele weken verloren de burgers toch hun grondrechten, en mocht de regering zelf wetten maken. Twee wetteksten tonen hoe dat gebeurde.
Op 28 februari 1933 vaardigde de rijkspresident een verordening uit ‘tot bescherming van volk en staat’. Ze beroept zich op artikel 48 van de grondwet en geeft als reden de ‘afweer van communistische gewelddaden die de staat in gevaar brengen’ (Reichstagsbrandverordnung 1933, aanhef). Het eerste artikel zegt:
Uit de tijd zelf
De artikelen 114, 115, 117, 118, 123, 124 en 153 van de grondwet van het Duitse Rijk worden tot nader order buiten werking gesteld. Beperkingen van de persoonlijke vrijheid, van het recht op vrije meningsuiting, ook de persvrijheid, van het verenigings- en vergaderrecht, inbreuken op het brief-, post-, telegraaf- en telefoongeheim, huiszoekingen en inbeslagnames en beperkingen van de eigendom zijn daarom ook buiten de gewone wettelijke grenzen toegelaten.
Die Artikel 114, 115, 117, 118, 123, 124 und 153 der Verfassung des Deutschen Reichs werden bis auf weiteres außer Kraft gesetzt.

Leg die zin naast de Belgische Grondwet van 1831 of het Europees Verdrag van 1950. Het zijn dezelfde vrijheden: mening, pers, vergaderen, verenigen. Hier werden ze met één verordening ‘tot nader order’ opgeschort.
Een maand later volgde de tweede stap. Op 23 maart 1933 stemde de Reichstag, die toen in de Kroll-Oper in Berlijn vergaderde, over een ‘wet tot opheffing van de nood van volk en rijk’. Volgens de Duitse Bundestag kwam het voorstel van de NSDAP, de partij van de nazi’s, en van de DNVP. Alleen de 94 aanwezige Kamerleden van de sociaaldemocratische SPD stemden tegen; alle andere 444 stemden voor (Bundestag, Ermächtigungsgesetz). Bij een foto van die dag schrijft de Bundestag over de ‘intimidatie van de oppositie’: SA- en SS-mannen, leden van organisaties van de nazipartij, trokken de vergaderzaal binnen (Bundestag, Ermächtigungsgesetz). De wet, gedateerd 24 maart 1933, zegt (Ermächtigungsgesetz 1933):
Uit de tijd zelf
Artikel 1. Rijkswetten kunnen, naast de procedure die de grondwet van het Rijk voorziet, ook door de rijksregering worden aangenomen. … Artikel 2. De door de rijksregering aangenomen rijkswetten kunnen van de grondwet van het Rijk afwijken, voor zover ze niet de instelling van de Reichstag en de Reichsrat als zodanig betreffen.
Reichsgesetze können außer in dem in der Reichsverfassung vorgesehenen Verfahren auch durch die Reichsregierung beschlossen werden.

Lees het met de drie machten van Montesquieu in gedachten. De regering, de uitvoerende macht, mocht voortaan ook de wetten maken, en die wetten mochten tegen de grondwet ingaan. De wetgevende en de uitvoerende macht lagen nu in dezelfde hand: precies wat Montesquieu ‘geen vrijheid’ noemde. De SPD-voorzitter Otto Wels zei die dag in de Reichstag: ‘Vrijheid en leven kan men ons afnemen, de eer niet’ (Bundestag, Ermächtigungsgesetz).
Het leerplan gebruikt bij dit onderwerp het woord dictatorschap. Wat dat betekent, laten deze twee teksten zien: een staat waarin de regering zich niet meer aan de grondwet hoeft te houden, waarin het parlement zijn macht om wetten te maken afgeeft, en waarin de burgers hun vrijheden kwijt zijn.
Kindvraag
Wat is een dictatuur?
Kort antwoord voor kinderen
Een land waar de regering zelf alle regels mag maken, ook regels die tegen de grondwet ingaan, en waar de mensen hun vrijheid kwijt zijn: ze mogen niet meer vrij hun mening zeggen, een krant maken of samenkomen. Zo ging het in Duitsland in 1933.
Nuance voor de leerkracht
Het antwoord beschrijft wat in de twee Duitse wetteksten van 1933 staat (Reichstagsbrandverordnung 1933, § 1) (Ermächtigungsgesetz 1933, art. 1–2). Dictaturen elders en op andere momenten kunnen er anders uitzien. Daarom verbindt het antwoord het woord met dit ene voorbeeld.
Een zwaar onderwerp in de derde graad: geen extra leerlingdoel
Dit hoofdstuk vertrekt bewust van wetteksten en niet van beelden van geweld. De vraag ‘wat mocht een burger na februari 1933 nog?’ is voor leerlingen concreet genoeg: mocht je nog je mening zeggen, een krant uitgeven, samenkomen? Waarom de nazipartij zo sterk werd en wat er na 1933 gebeurde, werkt dit artikel niet uit. Hoe de Duitse bezetter later in België met verordeningen regeerde en wat dat voor de Joden betekende, staat bij de Tweede Wereldoorlog.
Verleden, heden en toekomst
In het vijfde en zesde leerjaar verwoorden de leerlingen de relatie tussen verleden, heden en toekomst (KOV Op.stap 1.3). Voor democratie en rechtsstaat kan dat met de teksten uit dit artikel.
Van verleden naar heden. Wie de jaartallen naast elkaar legt, ziet hoe dezelfde woorden telkens terugkomen en telkens voor meer mensen gelden. De vrijheden van de Belgische Grondwet van 1831, de mening, de pers, het vergaderen en het verenigen, staan ook in de Universele Verklaring van 1948 en in het Europees Verdrag van 1950. Dat zie je door de teksten te vergelijken; de teksten van 1948 en 1950 zeggen zelf niet dat ze op die van 1831 voortbouwen. Wat wel in de tekst staat: het Verdrag van 1950 verwijst in zijn aanhef naar de Verklaring van 1948 (EVRM (NL, EHRM-uitgave), aanhef). En de Verklaring van 1948 kwam vijftien jaar na de Duitse wetten van 1933 die zulke vrijheden opschortten. Of en hoe die twee samenhangen, beweren de bronnen in dit artikel niet. Het is wel een goede vraag voor de klas.
Het heden. De democratische instellingen waarover de leerlingen in het nieuws horen, het parlement, de regering en de rechtbanken, zijn geen vanzelfsprekendheid. Ze kregen hun vorm door een lange geschiedenis: een grondwet in 1831, een stemrecht dat pas in 1949 voor alle volwassenen gold (Senaat, stemrecht V), rechten die in 1948 en 1950 voor alle mensen werden opgeschreven.
Naar de toekomst. Het voorbeeld van 1933 toont dat rechten ook weer verloren kunnen gaan, zelfs met een stemming in het parlement (Bundestag, Ermächtigungsgesetz). Daarom zijn de stukken van de rechtsstaat zo gebouwd dat ze elkaar controleren. Een vraag die leerlingen zelf kunnen beantwoorden: welke afspraak uit dit artikel zou jij het belangrijkst vinden om te bewaren, en waarom?
Gesprekken in de klas: geen extra leerlingdoel
Het leerplan spreekt hier van ‘organisatie van samenleving en dialoog’: het gaat erom dat leerlingen verbanden kunnen verwoorden, niet dat ze een vaste conclusie leren (KOV Op.stap 1.3). Laat ze een tijdslijn maken met de jaartallen uit dit artikel (594 v.o.t., 1312, 1748, 1831, 1893, 1919, 1933, 1948, 1949, 1950, 1989) en bij elk jaartal zeggen wat er voor wie veranderde. Dan zien ze zelf dat de lijn niet recht omhoog loopt: in 1933 gaat ze naar beneden. Het onderdeel over erfgoed en dat over racisme en discriminatie uit hetzelfde doel horen bij andere artikels.
Wat we weten en wat onzeker is
Wat de bronnen goed tonen. De teksten in dit artikel zijn wetten, verdragen en verklaringen: de Keure van Kortenberg, de Belgische Grondwet van 1831, de Verklaring van 1948, het Verdrag van 1950 en de twee Duitse teksten van 1933. Ze tonen precies wat er beloofd, toegestaan of verboden werd. Ze tonen niet vanzelf wat er in de praktijk gebeurde. Een grondwet die de pers vrij noemt, bewijst niet dat elke krant vrij kon schrijven; zie bron en bewijs.
Wat de schrijvers van toen zelf vonden. Polybius’ beeld van Rome als mengvorm is zijn analyse. Livius beschrijft het stemmen per vermogensklasse als de regeling van een koning uit de vroegste tijd van Rome; of het zo en toen gebeurd is, kan zijn verhaal niet bewijzen. Plutarchus vertelt het verhaal over Aristides als iets wat ‘men zegt’. Montesquieu beschrijft het Engelse stelsel zoals hij het zag.
Waar vakmensen over discussiëren. Hoe je de zin van Perikles over de democratie vertaalt, is een discussie onder historici: berust het bestuur op de velen, of werkt het voor de velen (Hansen 2008 (GRBS), p. 15–18)? Dat de Keure van Kortenberg ‘de eerste grondwet’ was, is een etiket van later (Damen 2012, p. 247). En wat ‘scheiding der machten’ vandaag betekent, is volgens de Kamer eerder samenwerking dan drie gesloten blokken (Kamerfiche scheiding der machten).
Wat dit artikel niet uitwerkt. Hoe de Romeinse volksvergaderingen en ambten precies werkten, wie in de Romeinse republiek allemaal mocht stemmen, en waarom de nazipartij in Duitsland aan de macht kwam, komen hier niet aan bod. Ook voor kleuters en meerderheidsbeslissingen is de onderzoeksbasis in dit artikel smal: één Duits experiment, beschreven in een nieuwsbericht van de universiteit (TU Dortmund, DeFaKi).
Verbanden
- Verdieping De Griekse wereld
- Begrip Stadstaat
- Verdieping Europa in de middeleeuwen
- Verdieping Revoluties, grondwetten en emancipatie
- Verdieping Vrouwenemancipatie en burgerrechten
- Verdieping De Tweede Wereldoorlog: vervolging, verzet en collaboratie
- Verdieping Rivaliteit en samenwerking na 1945
- Contrast Mesopotamië
- Begrip Bron en bewijs
- Begrip Emancipatie
- Verwijst hierheen Europa in de middeleeuwen
- Verwijst hierheen De Griekse wereld
Bronnen en verdieping
Historische bronnen
- UNICEF / Verenigde Naties (1989). Convention on the Rights of the Child (Verdrag inzake de rechten van het kind), Engelse tekst op unicef.org.
- Hammurabi (opdrachtgever), L. W. King (vertaler). Code of Hammurabi (Engelse vertaling).
- OMNIKA Foundation. eHammurabi: a digital version of the Law Code of Hammurabi (cuneiform, transliteration, normalization, English translation).
- Plutarchus (1914). Life of Solon (Engelse vertaling, Loeb Classical Library 1914).
- Aristoteles (toegeschreven; school van Aristoteles). The Athenian Constitution (Athenaion Politeia), Engelse vertaling van F. G. Kenyon.
- Thucydides, Richard Crawley (vertaler) (1874). The History of the Peloponnesian War, boek 2 (Engelse vertaling van Richard Crawley; Griekse tekst op Perseus).
- Thucydides (5de eeuw v.o.t. (Oxford-editie 1942)). Thucydides, Historiae, boek 2 (Grieks, Oxford 1942, Perseus). Perseus Digital Library.
- Plutarchus (1914 (Loeb)). Life of Aristides (Engelse vertaling B. Perrin, Loeb Classical Library 1914; Thayer/LacusCurtius). LacusCurtius (penelope.uchicago.edu/Thayer).
- Titus Livius. Ab urbe condita, boek 1 (Latijnse tekst).
- Titus Livius. Ab urbe condita, boek 2 (Latijnse tekst).
- Polybius (1923 (Loeb)). The Histories, boek 6 (Engelse vertaling, Loeb Classical Library vol. III, 1923; Thayer/LacusCurtius). LacusCurtius (penelope.uchicago.edu/Thayer).
- Hertog Jan II van Brabant (uitvaardiger), Jan Baptist David (uitgever, overleden 1866) (1842). Het Charter van Cortenberg (1312), uitgegeven met inleiding en noten door Jan Baptist David, De Middelaer, deel 2 (1842), p. 539-550.
- Willem Clito, graaf van Vlaanderen (1127), Arthur Giry (uitgever, 1877) (1877). Privilèges et franchises concédés à la ville de Saint-Omer par Guillaume, comte des Flamands (14 april 1127), in: Histoire de la ville de Saint-Omer et de ses institutions jusqu'au XIVe siècle, pièces justificatives, nr. III.
- Montesquieu (1748 (tekst volgens de editie van 1777)). De l'esprit des lois, boek XI, hoofdstuk 6 'De la constitution d'Angleterre' (Franse tekst, Wikisource, editie 1777). Wikisource (fr).
- Assemblée nationale constituante (1789). Déclaration des droits de l'homme et du citoyen de 1789 (Franse tekst).
- Congrès national (1831). Constitution belge, décret du Congrès national du 7 février 1831 (gedrukte uitgave met noten, PDF van de Senaat).
- Publius Cornelius Tacitus. Annales, boek 1 (Latijnse tekst).
- UNRIC (Regionaal Informatiecentrum van de Verenigde Naties, Brussel) (1948 (vertaling)). Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (Nederlandse vertaling, UNRIC).
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens / Raad van Europa (ondertekend Rome, 4 november 1950; tekst volgens stand 1 augustus 2021). Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (Nederlandse vertaling, zoals gewijzigd door Protocollen 11, 14 en 15; uitgave EHRM/Raad van Europa).
- Reichsgesetzblatt; digitale uitgave servat.unibe.ch (Universität Bern) (1933). Gesetz zur Behebung der Not von Volk und Reich (Ermächtigungsgesetz), 24. März 1933, RGBl. I S. 141 (digitale uitgave Universiteit Bern, DNS).
Geraadpleegde literatuur
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
- Vlaamse overheid, AHOVOKS (2026). Minimumdoelen en visieteksten voor het derde jaar kleuteronderwijs, het vierde jaar lager onderwijs en het zesde jaar lager onderwijs.
- UNICEF België (2026 (geraadpleegd)). Participatie (UNICEF België, beleidswerk).
- Technische Universität Dortmund (Thomas Goll, Norbert Zmyj) (2023-2024 (nieuwsbericht)). DeFaKi: Demokratie-Facetten bei Kindern. Prof. Thomas Goll erforscht das Mehrheitsprinzip im Kita-Alter (TU Dortmund, nieuwsbericht).
- Mogens Herman Hansen (2008). Thucydides' Description of Democracy (2.37.1) and the EU-Convention of 2003. Greek, Roman, and Byzantine Studies 48, p. 15-26.
- American School of Classical Studies at Athens (Agora Excavations). Athenian Agora: History and Timeline.
- Susan I. Rotroff, Robert D. Lamberton (2006). Women in the Athenian Agora (Agora Picture Book 26).
- Connaître la Wallonie (Waalse overheid). 27 septembre 1312: signature de la charte de Cortenberg.
- Mario Damen (2012). Convocatie en representatie: de Staten van Brabant in de late middeleeuwen.
- FOD Buitenlandse Zaken (belgium.be) (2026). Provisional Government and National Congress (belgium.be).
- Belgische Senaat (2019). Wie genoeg betaalt, beslist: het cijnskiesrecht voor mannen, 1831-1893 (Senaat, '100 jaar algemeen enkelvoudig stemrecht', deel II).
- William Ramsay, William Smith (red.) (1875). Fasti, in: A Dictionary of Greek and Roman Antiquities.
- Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers (2024). Fiche nr. 02.00: De scheiding der machten (Kamer van volksvertegenwoordigers, Dienst Public relations en Internationale betrekkingen, 1 juni 2024).
- Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers (2024). Fiche nr. 09.00: Kamer van volksvertegenwoordigers, Verkiezing.
- Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers (2024). Fiche nr. 12.00: Kamer van volksvertegenwoordigers, Organen.
- Belgische Senaat (2019). Vrouwenstemrecht tot 1949 (Senaat, '100 jaar algemeen enkelvoudig stemrecht', deel V).
- Belgische Senaat (2019). De aanhouder wint: een parlementaire tijdlijn (Senaat, '100 jaar algemeen enkelvoudig stemrecht', deel VI).
- Deutscher Bundestag (2023). Kalenderblatt 23. März 1933: Reichstag billigt 'Ermächtigungsgesetz' (Deutscher Bundestag).
Nog geen aanbevolen verdieping geselecteerd.
Doelen
Op.stap
- 5.3.GJK.1 jongste kleuterDe leerlingen herkennen de volgende begrippen: mening, overleg, stemmenHet artikel geeft achtergrond voor de leerkracht en een korte kindvraag; geen uitgewerkte klasactiviteiten. Voor kleuters en meerderheidsbeslissingen is alleen één Duits experiment (nieuwsbericht van de universiteit) gebruikt; Vlaams onderzoek ontbreekt.
- 5.3.GK2.3 2de kleuterDe leerlingen benoemen de volgende begrippen: mening, overleg, stemmenHet artikel geeft achtergrond voor de leerkracht en een korte kindvraag; geen uitgewerkte klasactiviteiten. Voor kleuters en meerderheidsbeslissingen is alleen één Duits experiment (nieuwsbericht van de universiteit) gebruikt; Vlaams onderzoek ontbreekt.
- 5.3.GK3.3 3de kleuterDe leerlingen kennen de volgende begrippen: mening, overleg, stemmen.Het artikel geeft achtergrond voor de leerkracht en een korte kindvraag; geen uitgewerkte klasactiviteiten. Voor kleuters en meerderheidsbeslissingen is alleen één Duits experiment (nieuwsbericht van de universiteit) gebruikt; Vlaams onderzoek ontbreekt.
- 5.3.GL1.4 1ste leerjaarDe leerlingen kunnen de volgende begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat herkennen: <span>verkiezingen, vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels, afspraken, gelijkheid</span> .Een definitie van regels, afspraken, rechten en plichten uit een vakbron is niet gebruikt; die begrippen staan in gewone taal. Over opkomstplicht tegenover stemplicht is alleen de formulering van de Kamer gebruikt. De strijd voor het stemrecht staat in het artikel over revoluties en emancipatie. Verder in: Revoluties, grondwetten en emancipatie.
- 5.3.GL2.4 2de leerjaarDe leerlingen kunnen de volgende begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat benoemen: <span>verkiezingen, vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels, afspraken, gelijkheid</span>.Een definitie van regels, afspraken, rechten en plichten uit een vakbron is niet gebruikt; die begrippen staan in gewone taal. Over opkomstplicht tegenover stemplicht is alleen de formulering van de Kamer gebruikt. De strijd voor het stemrecht staat in het artikel over revoluties en emancipatie. Verder in: Revoluties, grondwetten en emancipatie.
- 5.3.GL3.3 3de leerjaarDe leerlingen kunnen principes van een democratische rechtsstaat herkennen in de bestudeerde samenlevingen uit het verleden.De samenlevingen zelf staan uitgewerkt in de onderwerpartikels. Hoe de Romeinse volksvergaderingen en ambten werkten en wie in de republiek mocht stemmen, werkt dit artikel niet uit. Welke samenlevingen het leerplan per leerjaar bedoelt, is niet nagegaan. Verder in: De Griekse wereld, Stadstaat, Europa in de middeleeuwen.
- 5.3.GL3.4 3de leerjaarDe leerlingen kunnen de volgende begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat uitleggen: <span>verkiezingen, vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels, afspraken, gelijkheid</span> .Een definitie van regels, afspraken, rechten en plichten uit een vakbron is niet gebruikt; die begrippen staan in gewone taal. Over opkomstplicht tegenover stemplicht is alleen de formulering van de Kamer gebruikt. De strijd voor het stemrecht staat in het artikel over revoluties en emancipatie. Verder in: Revoluties, grondwetten en emancipatie.
- 5.3.GL4.3 4de leerjaarDe leerlingen kunnen principes van een democratische rechtsstaat herkennen in de bestudeerde samenlevingen uit het verleden.De samenlevingen zelf staan uitgewerkt in de onderwerpartikels. Hoe de Romeinse volksvergaderingen en ambten werkten en wie in de republiek mocht stemmen, werkt dit artikel niet uit. Welke samenlevingen het leerplan per leerjaar bedoelt, is niet nagegaan. Verder in: De Griekse wereld, Stadstaat, Europa in de middeleeuwen.
- 5.3.GL4.4 4de leerjaarDe leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: verkiezingen, vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels, afspraken, gelijkheid.Een definitie van regels, afspraken, rechten en plichten uit een vakbron is niet gebruikt; die begrippen staan in gewone taal. Over opkomstplicht tegenover stemplicht is alleen de formulering van de Kamer gebruikt. De strijd voor het stemrecht staat in het artikel over revoluties en emancipatie. Verder in: Revoluties, grondwetten en emancipatie.
- 5.3.GL5.2 5de leerjaarDe leerlingen kunnen de relatie tussen heden, verleden en toekomst verwoorden met betrekking tot de bestudeerde samenlevingen: materieel en immaterieel erfgoed; racisme en discriminatie; organisatie van samenleving en dialoog: democratische instellingen, dictatorschap.Materieel en immaterieel erfgoed en racisme en discriminatie worden hier niet behandeld. Dictatorschap wordt niet met een algemene definitie uit een vakbron uitgelegd, maar met het Duitse voorbeeld van 1933; de oorzaken van de opkomst van de nazipartij komen niet aan bod. Verder in: Erfgoed en herinnering, Vrouwenemancipatie en burgerrechten, De Tweede Wereldoorlog: vervolging, verzet en collaboratie.
- 5.3.GL5.3 5de leerjaarDe leerlingen kennen de begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: democratie, regering, parlement, rechtbank, bescherming, wetten, grondwet, vrijheid.De huidige Belgische Grondwet en de rol van de koning vandaag zijn niet uitgewerkt. De omschrijving van rechtsstaat is een werkomschrijving uit de bronnen van het artikel, geen definitie uit een vakbron. Verder in: Revoluties, grondwetten en emancipatie, Vrouwenemancipatie en burgerrechten.
- 5.3.GL6.2 6de leerjaarDe leerlingen kunnen de relatie tussen heden, verleden en toekomst verwoorden met betrekking tot de bestudeerde samenlevingen: materieel en immaterieel erfgoed; racisme en discriminatie; organisatie van samenleving en dialoog: democratische instellingen, dictatorschap.Materieel en immaterieel erfgoed en racisme en discriminatie worden hier niet behandeld. Dictatorschap wordt niet met een algemene definitie uit een vakbron uitgelegd, maar met het Duitse voorbeeld van 1933; de oorzaken van de opkomst van de nazipartij komen niet aan bod. Verder in: Erfgoed en herinnering, Vrouwenemancipatie en burgerrechten, De Tweede Wereldoorlog: vervolging, verzet en collaboratie.
- 5.3.GL6.3 6de leerjaarDe leerlingen kennen de begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: democratie, regering, parlement, rechtbank, bescherming, wetten, grondwet, vrijheid.De huidige Belgische Grondwet en de rol van de koning vandaag zijn niet uitgewerkt. De omschrijving van rechtsstaat is een werkomschrijving uit de bronnen van het artikel, geen definitie uit een vakbron. Verder in: Revoluties, grondwetten en emancipatie, Vrouwenemancipatie en burgerrechten.
Minimumdoelen
- 5.3.1 vierde leerjaarDe leerlingen kennen de volgende begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: verkiezingen, vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels, afspraken, gelijkheid.Een definitie van regels, afspraken, rechten en plichten uit een vakbron is niet gebruikt; die begrippen staan in gewone taal. Over opkomstplicht tegenover stemplicht is alleen de formulering van de Kamer gebruikt. De strijd voor het stemrecht staat in het artikel over revoluties en emancipatie. Verder in: Revoluties, grondwetten en emancipatie.
- 5.3.2 vierde leerjaarDe leerlingen kunnen principes van een democratische rechtsstaat herkennen in de bestudeerde samenlevingen uit het verleden.De samenlevingen zelf staan uitgewerkt in de onderwerpartikels. Hoe de Romeinse volksvergaderingen en ambten werkten en wie in de republiek mocht stemmen, werkt dit artikel niet uit. Welke samenlevingen het leerplan per leerjaar bedoelt, is niet nagegaan. Verder in: De Griekse wereld, Stadstaat, Europa in de middeleeuwen.
- 5.3.1 zesde leerjaarDe leerlingen kennen de begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: democratie, regering, parlement, rechtbank, bescherming, wetten, grondwet, vrijheid.De huidige Belgische Grondwet en de rol van de koning vandaag zijn niet uitgewerkt. De omschrijving van rechtsstaat is een werkomschrijving uit de bronnen van het artikel, geen definitie uit een vakbron. Verder in: Revoluties, grondwetten en emancipatie, Vrouwenemancipatie en burgerrechten.
- 5.3.2 zesde leerjaarDe leerlingen kunnen de relatie tussen heden, verleden en toekomst verwoorden met betrekking tot de bestudeerde samenlevingen:Materieel en immaterieel erfgoed en racisme en discriminatie worden hier niet behandeld. Dictatorschap wordt niet met een algemene definitie uit een vakbron uitgelegd, maar met het Duitse voorbeeld van 1933; de oorzaken van de opkomst van de nazipartij komen niet aan bod. Verder in: Erfgoed en herinnering, Vrouwenemancipatie en burgerrechten, De Tweede Wereldoorlog: vervolging, verzet en collaboratie.
- 5.3.1 derde kleuterklasDe kleuters kennen de volgende begrippen: mening, overleg, stemmen.Het artikel geeft achtergrond voor de leerkracht en een korte kindvraag; geen uitgewerkte klasactiviteiten. Voor kleuters en meerderheidsbeslissingen is alleen één Duits experiment (nieuwsbericht van de universiteit) gebruikt; Vlaams onderzoek ontbreekt.
Over dit artikel
- Geschreven
- 4 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 4 november 2026
- Fout gezien?
- Meld een correctie