Werkwijze · Geschiedenis
Vragen stellen over een bron
Hoe en waarom, wanneer en waar werd een bron gemaakt? Vier vragen, uitgewerkt met de zuil van Hammurabi, Caesar, Galbert van Brugge, Cortés, Livius, Luther en de eerste drukken in Aalst.
Zo gemarkeerd: een woord dat Op.stap bij dit onderwerp expliciet gebruikt.
Een bron vertelt niet vanzelf wat ze bewijst. Eerst wil je weten waar ze vandaan komt. Op.stap vraagt dat leerlingen in elk leerjaar vier typische vragen leren herkennen, benoemen en kennen: hoe en waarom een bron gemaakt is, en wanneer en waar ze gemaakt is. Op.stap voegt er twee opmerkingen aan toe: afhankelijk van de bron kun je je op een deel van de vier vragen toeleggen, en ‘waarom’ betekent soms ook ‘voor wie’ (KOV Op.stap 1.3).
Wat een bron is en wanneer ze bewijs wordt, staat in het artikel over bron en bewijs. Hier gaat het om de vragen zelf. De voorbeelden komen uit andere artikels van de Kennisatlas, en telkens laten we de bron zelf aan het woord.
Vier vragen bij een bron
De vier vragen zijn eenvoudig, maar ze vragen elk iets anders:
- Hoe werd de bron gemaakt? Van welk materiaal, met welke techniek, in welke taal?
- Waarom werd ze gemaakt, en voor wie? Wilde de maker iets vastleggen, iets bewijzen, iemand overtuigen?
- Wanneer werd ze gemaakt? Tijdens de gebeurtenis, kort erna, of eeuwen later?
- Waar werd ze gemaakt? En is dat dezelfde plaats als waar we ze vonden?
Niet elke vraag bij elke bron: geen extra leerlingdoel
Op.stap zegt het zelf: kies per bron de vragen die er iets opleveren (KOV Op.stap 1.3). Bij de zuil van Hammurabi werkt ‘waar’ heel goed, omdat de plaats van maken en de plaats van vinden verschillen. Bij Caesar is ‘voor wie’ de sterkste vraag. Bij een mythe gaat het vooral om ‘wanneer’: hoe lang na de gebeurtenis werd het verhaal opgeschreven? De vier vragen zijn een gereedschapskist, geen vragenlijst die je telkens helemaal invult.
Een stenen zuil: de Codex Hammurabi
Op.stap stelt bij het eerste leerjaar drie vragen over de wetten van Hammurabi: waarom liet hij ze in een stenen zuil graveren, wanneer werd de Codex Hammurabi gemaakt, en in welk gebied werd de zuil teruggevonden (KOV Op.stap 1.3)? Een wetboek is een geschreven bron waarin regels en straffen vastgelegd zijn. Deze wetten staan in steen.
Hoe en wanneer
De zuil staat in het Louvre. Ze is van basalt, 225 centimeter hoog, en beschreven in Oudbabylonisch spijkerschrift. Bovenaan zit een reliëf: de zonnegod Sjamasj zit op een troon en reikt Hammurabi een ring en een staf aan. Het museum dateert de zuil in de regering van Hammurabi, ongeveer 1792 tot 1750 v.o.t. (Louvre, Code de Hammurabi (Sb 8)). Wie zijn woorden in steen laat houwen in plaats van op klei te schrijven, kiest voor iets wat blijft staan en gezien wordt. Dat is een eerste aanwijzing voor het waarom.
Waarom en voor wie
Op de vraag waarom geeft de tekst zelf een antwoord. In de epiloog, het slot na de wetten, zegt Hammurabi voor wie de steen bedoeld is (Codex Hammurabi (King), epiloog):
Historische bron
Laat de verdrukte die een geschil voor de rechter heeft, komen staan voor dit beeld van mij, de koning van het recht; … laat hem het opschrift lezen en mijn kostbare woorden begrijpen. Het opschrift zal hem zijn zaak uitleggen; hij zal te weten komen wat rechtvaardig is.
Dat is het antwoord van de maker: de steen is er voor wie recht zoekt, en hij toont de koning als ‘koning van het recht’. Of mensen met een rechtszaak echt voor de steen gingen staan om hem te lezen, zegt de tekst niet. Het artikel over bron en bewijs toont bovendien dat dezelfde wetten verschillend straffen naargelang wie je was.
Vergelijk de zuil met een brief van dezelfde koning. Hammurabi schreef zijn vazal Sinidinnam over troepen en over de beelden van de godinnen van Emutbalim (Brief van Hammurabi aan Sinidinnam (King, in Harper 1901)):
Historische bron
Aan Sinidinnam, van Hammurabi. De godinnen van Emutbalim, die aan u toevertrouwd zijn, zullen u de troepen onder bevel van Inuhsamar veilig brengen.
Dezelfde maker, een ander publiek: de zuil spreekt iedereen toe die ervoor staat, de brief één man met een opdracht. Wie ‘voor wie?’ vraagt, ziet dat verschil meteen. Meer over beide teksten staat in het artikel over Mesopotamië.
Waar gemaakt en waar gevonden
De zuil komt uit Mesopotamië, maar ze werd gevonden in Susa en daar opgegraven in 1901-1902 (Louvre, Code de Hammurabi (Sb 8)). Een andere pagina van het Louvre geeft 1902 als jaar van de ontdekking, en legt uit hoe de steen daar kwam: de Elamitische koning Sjoetroek-Nachoente nam hem mee als oorlogsbuit, vele eeuwen nadat hij gemaakt was (Louvre, Code of Hammurabi).
Daarom is ‘waar?’ eigenlijk twee vragen. Waar werd de bron gemaakt, en waar werd ze gevonden? Bij Hammurabi zijn dat twee verschillende plaatsen, en de afstand ertussen is zelf een stukje geschiedenis.
“Waarom stond de steen van Hammurabi niet in Babylon?”
Kort antwoord voor kinderen
Een vijandige koning nam hem lang na Hammurabi mee als buit, naar zijn eigen stad Susa. Daar vonden archeologen hem ruim honderd jaar geleden terug.
Nuance voor de leerkracht
Volgens de tekst op de zuil liet Hammurabi zijn woorden in Babylon optekenen, in de tempel E-Sagil. Dat is de plaats die de maker voor ogen had. Het Louvre noemt geen jaartal voor de roof; ‘vele eeuwen later’ is wat de bron toelaat.
Een tempelheuvel: de Akropolis
In het tweede leerjaar vraagt Op.stap waarom de Grieken in Athene de Akropolis met tempels en beelden verfraaiden, en in welke periode ze dat deden (KOV Op.stap 1.3). De tweede vraag is het makkelijkst. Na de Perzische plundering van 480 v.o.t. begon een groot bouwprogramma onder Perikles, dat de hele tweede helft van de 5de eeuw v.o.t. duurde (Griekse Ministerie van Cultuur, Akropolis). De eerste vraag is moeilijker. De Akropolis was volgens het Griekse ministerie van Cultuur vooral een heiligdom van Athena, de beschermgodin van de stad (Griekse Ministerie van Cultuur, Akropolis). Een bouwrekening van het Parthenon uit 434/3 v.o.t., in steen gehouwen, toont wie er betaald werd: arbeiders, beeldhouwers (IG I³ 449 (Parthenon)). Zo’n rekening beantwoordt de vraag hoe er gebouwd werd, maar niet waarom. De bronnen staan in het artikel over de Griekse wereld.
Wie schrijft, en voor wie?
Bij geschreven bronnen is ‘voor wie?’ vaak de vraag die het meest oplevert. Drie voorbeelden uit drie periodes.
Een verslag: Caesar over Gallië
Een verslag is een geschreven bron waarin iemand vertelt wat er gebeurd is. Op.stap vraagt bij het derde leerjaar waarom Caesar een verslag schreef van zijn oorlog in Gallië, en wanneer hij zijn De bello Gallico schreef (KOV Op.stap 1.3). De oorlog liep van 58 tot 50 v.o.t. (Caesar, BG), en Caesar was zelf de veldheer. Al in de eerste zin hoor je voor wie hij schrijft:
Historische bron
Heel Gallië is verdeeld in drie delen. In het ene wonen de Belgen, in het andere de Aquitani, in het derde zij die in hun eigen taal Kelten heten, en in de onze Galliërs.
… tertiam qui ipsorum lingua Celtae, nostra Galli appellantur.
‘In de onze’: Caesar schrijft in het Latijn, voor Romeinen, over mensen die hij van buitenaf bekijkt. Over de druïden zegt hij dat ze het niet geoorloofd vonden hun leer op te schrijven (Caesar, BG, 6.14.4). Daardoor kennen we hen vooral via iemand die tegen hun volk oorlog voerde. Wanneer Caesar het verslag precies schreef, tijdens of na de oorlog, zeggen de bronnen in dit artikel niet. Dat is een eerlijk antwoord op de vraag van Op.stap. Het artikel over de Romeinen werkt Caesar verder uit.
Een kroniek: Galbert van Brugge
Een kroniek is een geschreven verslag van gebeurtenissen in de volgorde waarin ze gebeurden. Op 2 maart 1127 werd graaf Karel de Goede vermoord in de Sint-Donaaskerk in Brugge. Galbert van Brugge, notaris in die stad, was ooggetuige en schreef er een gedetailleerd verslag over (Ott, TMR 25.08.01). In zijn proloog zegt hij zelf waarom en voor wie (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), proloog, p. 1-3):
Historische bron
Omdat ik de dood van zo’n vorst zou beschrijven, heb ik mij niet ingespannen om mooi te schrijven; ik wilde alleen de waarheid van de feiten volgen en, al is mijn stijl dor, de bijzondere gebeurtenis van zijn dood toevertrouwen aan het geheugen van de gelovigen. … Ik spreek de waarheid uit die open lag voor allen die met mij hetzelfde gevaar doorstonden, en ik vertrouw ze toe aan onze nakomelingen om ze te onthouden.
… non elaboravi eloquentiae ornatum … sed rerum veritatem solummodo exequi …
Galbert noemt dus twee publieken: wie het samen met hem meemaakte, en wie na hem komt. Hij schrijft in een tijd van angst; volgens dezelfde proloog werd zijn streek door vrees en nood bestookt (Galbert, De multro (ed. Pirenne 1891), proloog). Dat hij alleen ‘de waarheid’ wil vertellen, is wat hij over zichzelf zegt. Het artikel over bron en bewijs toont dat hij in zijn beschrijving van de moord toch een oordeel geeft: hij noemt Karel ‘de vrome graaf’.
Een brief aan de vorst: Cortés
De eerste brief over de verovering van Mexico komt van de magistraten van Vera Cruz, waar Hernán Cortés kapitein was. Ze is gericht aan koningin Johanna en haar zoon Karel, ver weg in Spanje. Over de bewoners van het eiland Cozumel staat erin (Cortés, brieven (MacNutt), Eerste Brief, p. 139):
Historische bron
Fernando Cortés zei hun, via een tolk die hem vergezelde, dat wij hun geen kwaad of schade zouden doen, maar hen alleen wilden onderrichten en winnen voor de kennis van ons heilig katholiek geloof, opdat zij vazallen van Uwe Majesteiten zouden worden, hen dienend en gehoorzamend.
De schrijvers zijn de veroveraars, de lezers de vorsten die hun onderneming moeten goedkeuren. De brief zegt nergens ‘wij schrijven dit om ons te verantwoorden’. Maar de vraag mag gesteld worden: wat wilden deze schrijvers dat de koning over hen zou denken? Meer over Cortés staat in het artikel over Europa in de vroegmoderne tijd.
Een mythe: hoe lang erna?
Een mythe is een oud verhaal over het begin van iets, waarin goden en wonderen meespelen. Bij een mythe werkt vooral de vraag ‘wanneer?’: wanneer werd het verhaal opgeschreven, en hoe lang was dat na wat het vertelt? De Romeinse geschiedschrijver Livius vertelt het verhaal van Romulus en Remus, maar hij waarschuwt zelf (Livius, boek 1, praef. 6):
Historische bron
Wat overgeleverd wordt over de tijd voor de stichting van de stad, is meer opgesmukt met dichterlijke verhalen dan gebaseerd op onbedorven getuigenissen van wat er gebeurd is. Dat ben ik niet van plan te bevestigen noch te weerleggen.
… ea nec adfirmare nec refellere in animo est.
Livius beantwoordt de vraag dus half zelf: hij schrijft lang na de feiten en weet dat hij geen getuigen heeft. Het verhaal zegt daarom meer over wat Romeinen later over hun begin vertelden dan over hoe Rome ontstond. Het hele verhaal, met Livius’ eigen twijfels, staat in het artikel over bron en bewijs.
Waarom drukte men?
In het vierde leerjaar gaan de voorbeelden van Op.stap over gedrukte bronnen: waarom drukte men op grote schaal pamfletten over actuele gebeurtenissen, waarom drukte men Bijbels in de volkstaal, en wanneer en waar werden in onze streken de eerste boeken gedrukt (KOV Op.stap 1.3)?
Pamfletten
De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag bewaart meer dan 30.000 pamfletten, gedrukt tussen 1486 en 1853. Ze heten ook vlugschriften of blauwboekjes. Volgens de bibliotheek werden ze vaak snel en goedkoop gedrukt, naar aanleiding van wat op dat moment speelde: aardbevingen, belastingen, oorlogen, politieke gebeurtenissen. Ze moesten de publieke opinie beïnvloeden of informatie doorgeven, en wat erin stond, was niet altijd juist (KB, pamfletten).
Hier hangen ‘hoe’ en ‘waarom’ samen: snel en goedkoop drukken past bij een tekst die meteen gelezen moest worden. Wie een pamflet als bron gebruikt, vraagt dus eerst: wie wilde hier wie van overtuigen?
Bijbels in de volkstaal
Maarten Luthers Nieuwe Testament in het Duits werd voor het eerst gedrukt in Wittenberg, in september 1522 (Bridwell, Dezembertestament). Waarom in de taal van gewone mensen? In 1530 schreef Luther een brief over het vertalen, de Sendbrief vom Dolmetschen, gedateerd op 8 september (Luther, Sendbrief vom Dolmetschen). Daarin staat:
Historische bron
Je moet niet de letters van de Latijnse taal vragen hoe je Duits moet spreken, … maar je moet de moeder thuis, de kinderen op straat, de gewone man op de markt ernaar vragen, hun op de mond kijken hoe zij spreken, en dan pas vertalen.
… man mus die mutter jhm hause, die kinder auff der gassen, den gemeinen man auff dem marckt drumb fragen, und den selbigen auff das maul sehen, wie sie reden, und darnach dolmetzschen …
Luther schreef dit naar aanleiding van zijn vertaling van één zin uit Paulus’ brief aan de Romeinen. Zijn antwoord op ‘voor wie?’ is duidelijk: voor de moeder, de kinderen en de gewone man. Over de aflaten en de religieuze conflicten die volgden, gaat het artikel over Europa in de vroegmoderne tijd.
De eerste gedrukte boeken in onze streken
De Erfgoedbibliotheek van het Ruusbroecgenootschap in Antwerpen bewaart een boekje van 28 bladen dat in 1473 gedrukt werd door Dirk Martens uit Aalst, samen met de Duitser Jan van Westfalen. Het is de Speculum conversionis peccatorum van de kartuizer Dionysius van Rijckel. Volgens de bibliotheek is het het oudste voorbeeld van boekdrukkunst in de zuidelijke Nederlanden, nauwelijks twintig jaar na de uitvinding van Gutenberg (UAntwerpen, Martens 1473). De Gutenbergbijbel in Mainz was wellicht eind 1455 klaar (LoC, Gutenbergbijbel).
Wanneer: 1473. Waar: Aalst. Voor wie, dat weten we minder goed. Een handgeschreven aantekening in het boekje wijst mogelijk op de priorij Rooklooster bij Brussel als eerste eigenaar (UAntwerpen, Martens 1473). Dat is een spoor, geen zekerheid.
Wat we weten en wat onzeker is
- Zeker: wat de bronnen in de kaders zeggen: Hammurabi over wie voor zijn steen moet komen staan, Caesars ‘in de onze’, Galberts reden om te schrijven, de woorden van de eerste brief uit Vera Cruz, Livius’ voorbehoud en Luthers uitleg over het vertalen. De gegevens over de zuil (basalt, gevonden in Susa) komen van het Louvre, die over het boekje van Aalst van de bibliotheek die het bewaart.
- Kleine verschillen tussen bronnen: het Louvre geeft voor de opgraving van de zuil zowel 1901-1902 als 1902.
- Voorzichtig mee omgaan: wat makers over hun eigen bedoeling zeggen. Hammurabi zegt dat zijn steen er is voor de verdrukte, Galbert dat hij alleen de waarheid schrijft. Dat is hun antwoord op ‘waarom’, niet noodzakelijk het hele antwoord.
- Nog niet beantwoord: wanneer Caesar zijn verslag precies schreef, wanneer Sjoetroek-Nachoente de zuil meenam, en voor welke lezers het boekje van Aalst gedrukt werd. De Latijnse proloog van Galbert is gelezen in een digitale tekst met fouten; enkele woorden zijn hersteld en moeten nog tegen de gedrukte uitgave gecontroleerd worden. Een authentiek pamflet met een korte passage ontbreekt nog, net als voorbeelden bij manuscript en graffiti; die komen aan bod in het artikel over soorten bronnen.
Verbanden
- Begrip Bron en bewijs
- Verdieping Soorten bronnen
- Verdieping Wat doen paleontologen, archeologen en historici?
- Verdieping Mesopotamië
- Verdieping De Griekse wereld
- Verdieping De Romeinen
- Verdieping Europa in de vroegmoderne tijd
- Begrip perspectiefnog niet geschreven
- Verwijst hierheen Wat doen paleontologen, archeologen en historici?
- Verwijst hierheen Bron en bewijs
- Verwijst hierheen Soorten bronnen
Bronnen en verdieping
Historische bronnen
- Hammurabi (opdrachtgever), L. W. King (vertaler). Code of Hammurabi (Engelse vertaling).
- Hammurabi, L. W. King (vertaler), Robert Francis Harper (bezorger) (1901). A letter from Hammurabi to Sinidinnam (in: Assyrian and Babylonian Literature: Selected Translations, ed. R. F. Harper).
- Opzichters (epistatai) van het Parthenon (opdrachtgevers), Stephen Lambert en Robin Osborne (Engelse vertaling). IG I³ 449: bouwrekeningen van het Parthenon, 434/3 v.o.t..
- Gaius Iulius Caesar. Commentarii de bello Gallico (Latijnse tekst).
- Galbert van Brugge (notaris), Henri Pirenne (uitgever, 1891) (1891). Histoire du meurtre de Charles le Bon, comte de Flandre (1127-1128) (Latijnse tekst van Galbert van Brugge, uitg. Henri Pirenne).
- Hernán Cortés, Francis Augustus MacNutt (vertaler en bezorger) (1908). Letters of Cortés: five letters of relation to the Emperor Charles V, deel 1.
- Titus Livius. Ab urbe condita, boek 1 (Latijnse tekst).
- Martin Luther (1530). Ein Sendbrief vom Dolmetschen (Martin Luther, 1530; Duitse tekst).
Geraadpleegde literatuur
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
- Vlaamse overheid, AHOVOKS (2026). Minimumdoelen en visieteksten voor het derde jaar kleuteronderwijs, het vierde jaar lager onderwijs en het zesde jaar lager onderwijs.
- Musée du Louvre, Département des Antiquités orientales (2026). Code de Hammurabi (stèle), Sb 8.
- Musée du Louvre (2026). The Code of Hammurabi (themapagina Louvre).
- Ioanna Venieri (archeologe). Acropolis of Athens: History (Ministry of Culture and Sports, Hellenic Republic).
- John S. Ott (2025). Review van Walter of Therouanne, Life of Count Charles of Flanders (vertaling Jeff Rider).
- Koninklijke Bibliotheek, Den Haag (2026). Pamfletten (bijzondere collecties, Koninklijke Bibliotheek).
- Bridwell Library, Southern Methodist University (1522). Dezembertestament (Luthers Nieuwe Testament in het Duits, 1522), Bridwell Library.
- Universiteit Antwerpen, Ruusbroecgenootschap (2026). Dirk Martens, Speculum conversionis peccatorum (Aalst, 1473), Erfgoedbibliotheek Ruusbroecgenootschap.
- Library of Congress. The Gutenberg Bible (Bibles at the Library of Congress).
Nog geen aanbevolen verdieping geselecteerd.
Doelen
Op.stap
- 5.2.GL1.2 1ste leerjaarDe leerlingen kunnen typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen herkennen: hoe en waarom een bron is gemaakt, wanneer en waar een bron is gemaakt.De richtinggevende woordenschat wordt maar voor een deel gebruikt (wetboek, verslag, kroniek, mythe); manuscript, graffiti en de materiële bronnen en mondelinge tradities krijgen hier geen eigen voorbeeld. Wanneer de zuil naar Susa werd gebracht, staat in de gelezen bronnen alleen als ‘vele eeuwen later’. Verder in: Soorten bronnen, Mesopotamië, Bron en bewijs.
- 5.2.GL2.2 2de leerjaarDe leerlingen kunnen typische vragen herkennen om te stellen over aangereikte bronnen: hoe en waarom een bron is gemaakt, wanneer en waar een bron is gemaakt.Het waarom van het bouwprogramma op de Akropolis wordt hier alleen als open vraag behandeld, zonder bronfragment; de bronnen staan in het artikel over de Griekse wereld. Geen voorbeelden bij manuscript, graffiti, materiële bronnen of mondelinge tradities. Verder in: De Griekse wereld, Soorten bronnen.
- 5.2.GL3.2 3de leerjaarDe leerlingen kunnen typische vragen benoemen om te stellen over aangereikte bronnen: hoe en waarom een bron is gemaakt, wanneer en waar een bron is gemaakt.Wanneer Caesar zijn verslag precies schreef (tijdens of na de oorlog) staat niet in de gelezen bronnen; het artikel zegt dat. De proloog van Galbert is gelezen in een OCR-tekst met herstelde letters. Manuscript, graffiti, materiële bronnen en mondelinge tradities zonder eigen voorbeeld. Verder in: De Romeinen, Bron en bewijs, Soorten bronnen.
- 5.2.GL4.2 4de leerjaarDe leerlingen kennen typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen: hoe en waarom een bron is gemaakt, wanneer en waar een bron is gemaakt.Een authentiek pamflet met een korte passage ontbreekt nog. Voor wie het boekje van Aalst bedoeld was, en of het jaar 1473 in het boekje zelf staat, is niet nagegaan. De Duitse tekst van Luther komt van Zeno.org en is niet vergeleken met de kritische uitgave. Manuscript en graffiti zonder eigen voorbeeld. Verder in: Europa in de vroegmoderne tijd, Soorten bronnen.
Minimumdoelen
- 5.2.2 vierde leerjaarDe leerlingen kennen typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen:
Over dit artikel
- Geschreven
- 3 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 3 november 2026
- Fout gezien?
- Meld een correctie