Leerjaardossier · 3de leerjaar
Kennisdossier · 3de leerjaar · Geschiedenis
De Romeinen
Caesar en de Kelten, Augustus en de Germanen, Tongeren en Velzeke, de grens aan de Rijn, voedselproductie en handel, Cornelia, het christendom en Constantijn.
Dit dossier brengt de achtergrond samen die je nodig hebt om de Romeinen in het derde leerjaar uit te leggen. De tekst komt uit het artikel De Romeinen. De leesroute volgt de volgorde van de Op.stap-doelen en neemt telkens een volledige sectie uit het artikel over. De secties over het wegennetwerk en over Gallo-Romeinse gewoonten zitten niet in de route; je vindt ze in het artikel zelf.
1. Wat komt in dit leerjaar aan bod?
Leerlingen leren hoe mensen in de invloedssfeer van de Romeinen leefden en dachten: de verovering van Gallië door Caesar, het keizerrijk van Augustus en de Germanen, Tongeren en Velzeke, de grens aan de Rijn, voedselproductie en handel, Cornelia en de plaats van vrouwen, en het ontstaan van het christendom met Constantijn.
- 5.1.GL3.1 3de leerjaar (G)De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Caesar, de Kelten.
- 5.1.GL3.2 3de leerjaar (G)De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: imperialisme, Augustus, Germanen.
- 5.1.GL3.3 3de leerjaar (G)De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: identiteit en integratie, culturele uitwisseling, Tongeren.
- 5.1.GL3.4 3de leerjaar (G)De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: voedselproductie, handel over lange afstanden, de Pax Romana, Tongeren, Velzeke, Limes, wegennetwerk.
- 5.1.GL3.5 3de leerjaar (G)De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: identiteit en integratie, Cornelia.
- 5.1.GL3.6 3de leerjaar (G)De leerlingen weten hoe mensen tijdens de oudheid in de invloedssfeer van de Romeinen overleefden, samenleefden en hoe ze dachten: ontstaan van het christendom, Constantijn.
Dit zijn de verwachtingen voor leerlingen. De achtergrond hieronder is voor jou als leerkracht en reikt bewust verder.
2. Wat moet ik zelf begrijpen?
Een leesroute door de volledige artikelen. De tekst komt uit de encyclopedie en wordt niet apart bijgehouden.
1 Begin bij de bewoners vóór de verovering, en bij de voorzichtigheid die de namen Kelten, Germanen en Belgen vragen.
Wie woonden hier vóór de Romeinen?
Over de mensen die hier vóór de verovering woonden, weten we veel via één bron: het verslag dat Caesar zelf schreef over zijn oorlogen, de Commentarii de bello Gallico. Hij begint zijn verslag zo:
Uit de tijd zelf
Heel Gallië is in drie delen verdeeld. Het ene bewonen de Belgen, het tweede de Aquitaniërs, het derde zij die in hun eigen taal Kelten heten en in de onze Galliërs. Ze verschillen onderling in taal, gewoonten en wetten. … Van hen allemaal zijn de Belgen de dappersten, omdat zij het verst van de beschaving en de verfijning van de Provincie wonen, omdat handelaars er het minst vaak komen en niet binnenbrengen wat de geest week maakt, en omdat ze vlak bij de Germanen wonen, over de Rijn, met wie ze voortdurend oorlog voeren.
Gallia est omnis divisa in partes tres … Horum omnium fortissimi sunt Belgae …
Caesar noemt de bewoners van het noorden Belgae, de Belgen. Voor de bewoners van het derde deel gebruikt hij twee namen: zelf noemen ze zich in hun eigen taal Celtae, Kelten, en de Romeinen noemen hen Galliërs (Caesar, BG, 1.1). Op.stap spreekt over de Kelten als de bevolking die Caesar onderwierp, en Gallië was een groot deel van de Keltische invloedssfeer (KOV Op.stap 1.3). Let ook op de reden die Caesar geeft voor de dapperheid van de Belgen: er komen weinig handelaars, en dus weinig luxe die ‘de geest week maakt’. Dat is een Romeinse verklaring, geen waarneming.
Caesar noemt een hele reeks volken bij naam. Wat hij over hun afkomst schrijft, hoorde hij van de Remi, een stam die zich bij hem had aangesloten (Caesar, BG, 2.3–4):
Uit de tijd zelf
De meeste Belgen stamden af van de Germanen, die lang geleden de Rijn waren overgetrokken en zich om de vruchtbaarheid van het land daar hadden gevestigd, nadat ze de Galliërs die er woonden hadden verdreven. … De Condrusen, Eburonen, Caeroesen en Paemanen, die samen Germanen genoemd worden: naar schatting ongeveer veertigduizend man.
… Condrusos, Eburones, Caerosos, Paemanos, qui uno nomine Germani appellantur …
Het is dus het verhaal van de ene stam over haar buren, opgeschreven door de Romeinse veldheer die tegen die buren vocht.
Kelten, Germanen, Belgen: geen extra leerlingdoel
Deze namen zijn geen nette etiketten voor duidelijk afgebakende volken. We kennen ‘Kelten’, ‘Germanen’ en ‘Belgen’ vooral uit Griekse en Romeinse teksten, en Caesar zelf gebruikt ze niet altijd op dezelfde manier. Alleen voor de Kelten zegt hij dat ze zichzelf zo noemden (Caesar, BG, 1.1). Zeg aan leerlingen dus liever ‘de mensen die hier woonden’ of ‘de stammen die Caesar Belgen noemt’ dan ‘de Belgen waren Kelten’. En de Belgen van Caesar zijn niet zonder meer de voorouders van de inwoners van het huidige België.
Ook de Romeinen zelf vroegen zich af waar zulke namen vandaan kwamen. De geschiedschrijver Tacitus geeft een verklaring voor de naam ‘Germanen’, waarin de Tungri voorkomen, het volk waarnaar Tongeren later genoemd werd:
Uit de tijd zelf
Overigens is de naam Germanië nieuw en pas onlangs ingevoerd: zij die als eersten de Rijn overtrokken en de Galliërs verdreven, de mensen die nu Tungri heten, werden toen Germanen genoemd. Zo is de naam van een volk, niet van een stam, langzaam zegevierend geworden, zodat allen eerst door de overwinnaar, uit angst, en weldra ook door zichzelf met de uitgevonden naam Germanen werden genoemd.
Tacitus geeft een verklaring, geen bewijs. Of ze klopt, weten we niet (Tacitus, Germ., 2.3). Ze zegt ook niet dat de Eburonen en de Tungri hetzelfde volk waren.

Uit: De Romeinenconcept
2 De verovering in Caesars eigen woorden, en waarom zijn verslag een bron is die je kritisch leest.
Caesar verovert het noorden van Gallië
Ongeveer negentig jaar na de verwoesting van Carthago breidde Rome zijn macht ook naar het noorden uit. Caesar, de Romeinse veldheer die zijn eigen oorlog beschreef, voerde die verovering aan. Het is een volgende stap in het imperialisme van Rome: een gebied dat niet van Rome was, werd met geweld onder Romeins gezag gebracht. In 57 v.o.t. trok Caesar op tegen de Belgen. Zijn verslag beschrijft een reeks veldslagen en belegeringen, waarna de meeste stammen zich onderwierpen (Caesar, BG, boek 2).
Het verzet was daarmee niet voorbij. In de winter van 54 op 53 v.o.t. lag een Romeins leger in winterkwartier bij de Eburonen, die onder het gezag van Ambiorix en Catuvolcus stonden. Caesar legt zelf uit waarom zijn troepen zo verspreid lagen:
Uit de tijd zelf
Omdat het graan dat jaar in Gallië door de droogte schraler was uitgevallen, was hij gedwongen zijn leger anders dan in vorige jaren in winterkwartier te leggen en de legioenen over meer stammen te verdelen. … Eén legioen, dat hij pas ten noorden van de Po had laten aanwerven, en vijf cohorten stuurde hij naar de Eburonen, van wie het grootste deel tussen de Maas en de Rijn woont en die onder het gezag van Ambiorix en Catuvolcus stonden.
… in Eburones, quorum pars maxima est inter Mosam ac Rhenum, qui sub imperio Ambiorigis et Catuvolci erant, misit.
De opstand begon bij die twee leiders. De Romeinse troepen onder de legaten Sabinus en Cotta verlieten hun kamp en werden in een hinderlaag bijna volledig vernietigd (Caesar, BG, 5.24–37). Voor een Romeins publiek was dat een zware nederlaag.
Uitbreiding De nederlaag bij de Eburonen, verteld door Caesar
Caesar vertelt het verhaal in boek 5 van zijn verslag. Hieronder volgt het in het kort, met enkele kernpassages in vertaling. Alles wat hier staat, weten we alleen van Caesar, die er zelf niet bij was: hij had de troepen naar de Eburonen gestuurd (Caesar, BG, 5.24).
De aanval. Ongeveer vijftien dagen nadat de Romeinen in hun winterkwartier waren aangekomen, begon plots een opstand onder leiding van Ambiorix en Catuvolcus. Hun mensen overvielen soldaten die hout gingen halen en vielen het kamp aan. Toen dat mislukte, vroegen ze om een gesprek (Caesar, BG, 5.26).
Ambiorix spreekt. In het gesprek laat Caesar Ambiorix uitleggen waarom hij meedeed. Caesar geeft zijn woorden in de indirecte rede:
Uit de tijd zelf
Wat hij gedaan had bij de aanval op het kamp, had hij niet uit eigen overweging of wil gedaan, maar onder dwang van zijn stam; zijn gezag was zo dat de menigte niet minder macht over hem had dan hij over de menigte. … Voor Galliërs was het niet makkelijk om aan Galliërs iets te weigeren, zeker niet nu het plan om de gemeenschappelijke vrijheid terug te winnen werd opgezet.
… suaque esse eiusmodi imperia, ut non minus haberet iuris in se multitudo quam ipse in multitudinem.
Ambiorix waarschuwt ook dat er Germaanse huurlingen over de Rijn gekomen zijn, en hij belooft de Romeinen een vrije doortocht naar de andere legerkampen (Caesar, BG, 5.27.8–10). Of hij dit echt zo gezegd heeft, weten we niet. In Caesars verhaal is het een list.
Blijven of vertrekken? De Romeinse officieren zijn verbaasd: het was nauwelijks te geloven, schrijft Caesar, dat de kleine en onaanzienlijke stam van de Eburonen op eigen houtje oorlog durfde te voeren tegen het Romeinse volk (Caesar, BG, 5.28.1). Cotta en de hoofdcenturio’s willen in het kamp blijven, Sabinus wil vertrekken (Caesar, BG, 5.28–29). Sabinus haalt zijn slag thuis met de woorden “Wint het maar, als jullie dat willen” (Vincite, si ita vultis), en het leger vertrekt (Caesar, BG, 5.30.1).
De hinderlaag. Onderweg vallen de Eburonen aan. Sabinus probeert nog te onderhandelen:
Uit de tijd zelf
Sabinus beval de krijgstribunen die op dat moment bij hem waren en de hoofdcenturio’s hem te volgen. Toen hij dichter bij Ambiorix gekomen was, kreeg hij het bevel zijn wapens neer te leggen; hij deed het en beval de zijnen hetzelfde te doen. Terwijl ze over voorwaarden onderhandelden en Ambiorix het gesprek opzettelijk liet duren, werd Sabinus langzaam omsingeld en gedood.
Cotta sneuvelt vechtend, met het grootste deel van de soldaten. De soldaat die de adelaar droeg, het embleem van het legioen, gooit die nog naar het kamp. Wie in het kamp overbleef, pleegde zelfmoord. Enkelen ontkwamen naar het kamp van Labienus (Caesar, BG, 5.37).
Let op wie in Caesars verhaal de verkeerde beslissing neemt: Sabinus, niet Caesar zelf. Ook dat is een vraag voor de klas: wie krijgt in een verslag de schuld, en wie schreef het verslag? De volledige Latijnse tekst staat op The Latin Library.
Alles wat we over deze opstand lezen, komt uit het verslag van de veldheer die tegen de Eburonen vocht. Daarom is dit hoofdstuk een sterk voorbeeld van het onderscheid tussen bron en bewijs. Een bron is alles wat uit het verleden overblijft en ons iets kan vertellen: een tekst, een voorwerp, een opgraving. Bewijs wordt een bron pas als je ze gebruikt om een bewering te staven, en als je eerst vraagt wie ze maakte, wanneer en waarom.
Kindvraag
Waren de Belgen echt de dappersten van allemaal?
Kort antwoord voor kinderen
Dat schreef Julius Caesar, de Romeinse legeraanvoerder die tegen hen vocht. Maar Caesar wilde ook graag dat de mensen in Rome dachten dat hij heel sterke vijanden had verslagen. Daarom kunnen we niet zomaar geloven wat hij schreef.
Nuance voor de leerkracht
Een goede aanleiding voor het onderscheid tussen bron en bewijs: wie maakte de bron, wanneer en waarom? Vergelijk het met een sportverslag dat alleen door één ploeg geschreven is. Ook de geograaf Strabo noemt de Belgen de dappersten, maar hij schrijft er zelf bij dat hij dat van anderen heeft (‘zegt men’) (Strabo 4.4 (Jones), 4.4.3).

Uit: De Romeinenconcept
3 Augustus, de Pax Romana, de nederlaag van Varus en de latere veldtochten, waarna de Rijn geleidelijk de grens van het rijk werd.
Augustus: keizer van een wereldrijk
Enkele decennia na Caesars veldtochten kreeg Octavianus in 27 v.o.t. van de senaat de naam Augustus (Res gestae, 34) (Mark 2018, Augustus). Hij regeerde tot zijn dood in 14 o.t. (Mark 2018, Augustus). In zijn eigen verslag van zijn daden, de Res gestae, beschrijft hij hoe hij aan die naam kwam:
Uit de tijd zelf
In mijn zesde en zevende consulaat, nadat ik de burgeroorlogen had gedoofd en met algemene instemming de macht over alles in handen had, droeg ik de staat uit mijn macht over aan het oordeel van senaat en volk van Rome. Als dank daarvoor werd ik bij senaatsbesluit Augustus genoemd. … Sinds die tijd stond ik boven allen in gezag, maar aan macht had ik niet meer dan de anderen die ook in het ambt mijn collega’s waren.
Quo pro merito meo senatus consulto Augustus appellatus sum.
Zo stelt Augustus het zelf voor: hij gaf de macht terug en kreeg in ruil alleen meer aanzien. Of dat de werkelijkheid was, is een andere vraag. Het is het verhaal van de machthebber zelf.
Na een lange reeks burgeroorlogen begon een periode van relatieve politieke stabiliteit in grote delen van het rijk (Mark 2018, Augustus). Die periode noemen we de Pax Romana, de ‘Romeinse vrede’. ‘Vrede’ is daarbij een groot woord: ook onder Augustus voerde Rome oorlogen aan de randen van het rijk, zoals het volgende stuk laat zien. Augustus’ eigen tekst laat zien wat hij onder vrede verstond:
Uit de tijd zelf
De tempel van Janus Quirinus, waarvan onze voorouders wilden dat hij gesloten was wanneer er over het hele rijk van het Romeinse volk, te land en ter zee, vrede door overwinningen was verkregen, en waarvan overgeleverd wordt dat hij sinds de stichting van de stad vóór mijn geboorte in totaal maar twee keer gesloten was: die liet de senaat onder mijn leiding drie keer sluiten.
… cum per totum imperium populi Romani terra marique esset parta victoriis pax …
‘Vrede door overwinningen’: voor Augustus was vrede iets wat je met de wapens verdiende. Onder zijn bewind beheerste Rome grote delen van het Middellandse Zeegebied, maar niet overal op dezelfde manier. Sommige gebieden waren provincies met een Romeinse bestuurder. Elders regeerden koningen die bondgenoot van Rome waren. Egypte, schrijft Augustus, voegde hij aan het rijk toe; Groot-Armenië had hij tot provincie kunnen maken, maar hij gaf het liever aan een koning (Res gestae, 27.1). In Noord-Afrika kreeg koning Juba van Augustus een koninkrijk, en dat gebied hoorde niet bij de provincies (Strabo, Geogr. 17 (Jones), 17.3.7; 17.3.25). Volgens zijn biograaf Suetonius behandelde Augustus zulke koningen als ‘leden en delen van het rijk’ (Suetonius, Aug., 48). Ook dat is imperialisme: Rome bracht steeds meer volken onder zijn gezag en noemde de rust die daarop volgde ‘vrede’.
Hoe die vrede er voor de overwonnenen kon uitzien, schreef Tacitus in zijn boek over Agricola, een Romeinse veldheer in Brittannië. Hij laat een Britse leider, Calgacus, voor de slag een rede houden tegen de Romeinen:
Uit de tijd zelf
Plunderaars van de wereld: toen het land hun ontbrak, nu ze alles hadden verwoest, doorzoeken ze de zee. Is de vijand rijk, dan zijn ze hebzuchtig, is hij arm, dan zijn ze eerzuchtig; noch het Oosten noch het Westen heeft hen verzadigd. … Roven, moorden, stelen noemen ze met een valse naam ‘gezag’, en waar ze een woestenij maken, noemen ze het ‘vrede’.
… atque ubi solitudinem faciunt, pacem appellant.
Die woorden zijn niet woordelijk van Calgacus. Tacitus schreef de rede zelf. Het is dus Romeinse kritiek op Rome, in de mond van een tegenstander (Tacitus, Agr., 30).

De Germanen en de nederlaag van Varus
Romeinse schrijvers gaven de naam Germanen aan verschillende groepen. Vaak ging het om volken ten oosten van de Rijn, maar niet altijd. Caesar spreekt van ‘de Germanen, die over de Rijn wonen’ (Caesar, BG, 1.1), maar hij rekent ook volken ten westen van de rivier, zoals de Eburonen, tot de groep die Germanen genoemd werd (Caesar, BG, 2.4). Tacitus zegt zelfs dat de naam eerst alleen sloeg op de mensen die als eersten de Rijn waren overgetrokken, de latere Tungri (Tacitus, Germ., 2.3). Ook die volken zelf maakten onderscheid. Twee kleine stammen tussen de Eburonen en de Treveren, de Segni en de Condrusi, ‘van Germaanse afkomst en tot de Germanen gerekend’, lieten Caesar weten dat hij niet alle Germanen aan deze kant van de Rijn over één kam mocht scheren: zij hadden Ambiorix niet geholpen (Caesar, BG, 6.32.1). En volgens Tacitus waren de Treveren en de Nerviërs er juist op uit om een Germaanse afkomst te claimen, om zich zo van de Galliërs te onderscheiden (Tacitus, Germ., 28.4). Afkomst was dus ook iets wat je kon opeisen. Taal, afstamming, naam en politieke verbondenheid vielen niet samen met één rivier. ‘Germanen’ betekent in dit artikel daarom: de groepen die Romeinse schrijvers Germanen noemden.
In zijn eigen verslag schrijft Augustus dat hij ook Germanië ‘tot rust bracht’:
Uit de tijd zelf
Van alle provincies van het Romeinse volk die grensden aan volken die ons gezag niet gehoorzaamden, heb ik de grenzen verruimd. Gallië en Spanje, en ook Germanië, voor zover de Oceaan dat omsluit van Gades tot aan de monding van de Elbe, heb ik tot rust gebracht.
… item Germaniam, qua includit Oceanus a Gadibus ad ostium Albis fluminis pacavi.
De werkelijkheid was minder eenvoudig. In 9 o.t. werden drie Romeinse legioenen met hun hulptroepen onder bevel van Varus vernietigd door een Germaanse coalitie onder leiding van Arminius. Rome kreeg daarna geen blijvend gezag over het gebied tussen Rijn en Elbe, al volgden nog Romeinse veldtochten in Germanië, onder meer van Germanicus. Keizer Tiberius riep hem terug: volgens Tacitus zei de keizer dat hij zelf in Germanië meer met overleg dan met geweld bereikt had (Tacitus, Ann. 2, 2.26). Onder Tiberius werd het plan opgegeven om het land tot aan de Elbe te onderwerpen (roemer.nrw, Lower German Limes). De Rijn werd dus niet door één nederlaag de grens. Augustus legerde al sinds omstreeks 19 v.o.t. legioenen aan de linkeroever (roemer.nrw, Lower German Limes), en de Rijn groeide geleidelijk uit tot de grens, met legerplaatsen langs de rivier. Tacitus plaatst de slag in het Teutoburgerwoud (Tacitus, Ann. 1, 1.60), maar de antieke teksten wijzen geen plek aan die we vandaag kunnen terugvinden (Kalkriese, Forschung). Sinds 1989 wordt Kalkriese bij Osnabrück systematisch opgegraven. Daar werden Romeinse troepen zwaar verslagen, en volgens het museum pleit veel ervoor dat dat bij de nederlaag van Varus gebeurde (Kalkriese, Forschung). Een definitief bewijs ontbreekt nog. Ook het verloop is onderwerp van onderzoek: liepen de Romeinen er in een voorbereide hinderlaag, of werd een marskamp overrompeld (idw 2026, Kalkriese)? De biograaf Suetonius vertelt hoe Augustus op het nieuws reageerde:
Uit de tijd zelf
De nederlaag van Varus was bijna rampzalig: drie legioenen werden met hun bevelhebber, legaten en alle hulptroepen afgeslacht. … Zo ontsteld was hij, zegt men, dat hij maandenlang zijn baard en haar liet groeien en soms zijn hoofd tegen de deur stootte, roepend: ‘Quintilius Varus, geef mij mijn legioenen terug!’ En elk jaar hield hij de dag van de ramp als een dag van rouw.
Quintili Vare, legiones redde!
Ook hier staat ‘zegt men’ (ferunt): Suetonius geeft door wat er over Augustus verteld werd (Suetonius, Aug., 23).
Uitbreiding Het slagveld, zes jaar later
De geschiedschrijver Tacitus vertelt hoe een Romeins leger zes jaar na de nederlaag langs het slagveld trok. Het leger kwam in het Teutoburgerwoud, waar de resten van Varus en zijn legioenen volgens de verhalen nog onbegraven lagen (Tacitus, Ann. 1, 1.60).
Uit de tijd zelf
Ze trokken door treurige plaatsen, afschuwelijk om te zien en te herinneren. Het eerste kamp van Varus, met zijn ruime omtrek en zijn afgemeten middenplein, toonde het werk van drie legioenen; daarna zag men aan de half ingestorte wal en de lage gracht dat de al uitgedunde restanten zich daar hadden verschanst. Midden op het veld lagen witte beenderen, verspreid of opgehoopt, zoals men gevlucht was of stand had gehouden. Daarnaast lagen stukken van wapens en paardenbotten, en schedels aan boomstammen genageld.
… medio campi albentia ossa, ut fugerant, ut restiterant, disiecta vel aggerata.
Uit de tijd zelf
Het Romeinse leger dat daar was, begroef zes jaar na de ramp de beenderen van drie legioenen. Niemand wist of hij vreemde overblijfselen of die van de zijnen met aarde bedekte; allen begroeven ze als verwanten en bloedverwanten, terwijl hun woede tegen de vijand toenam, bedroefd en vol wrok.
Tacitus zegt in deze passage niet van wie hij het heeft. Dat de slag bij Kalkriese plaatsvond, haalt niemand uit Tacitus. Het is een sterke aanwijzing uit opgravingen, geen sluitend bewijs (Kalkriese, Forschung) (idw 2026, Kalkriese).
De nederlaag bleef lang in het geheugen. Seneca noemt haar in zijn brief over slaafgemaakten als voorbeeld van hoe snel het lot kan keren: bij de nederlaag van Varus haalde het lot veel jonge mannen uit voorname families, die via het leger senator wilden worden, naar beneden: de een werd herder, de ander hoeder van een hut (Seneca, Ep. 47, 47.10).
Twee bronnen naast elkaar: geen extra leerlingdoel
Augustus’ eigen verslag en het verhaal over Varus zijn samen een sterk voorbeeld van perspectief: wat een machthebber over zijn eigen daden zegt, is niet het hele verhaal. Leg de twee fragmenten (Res gestae 26 en Suetonius 23) naast elkaar en laat leerlingen zoeken wat de ene tekst weglaat. Het verband met onze streken: de Rijn werd de grens van het rijk, en daardoor kwamen onze streken in het achterland van die grens te liggen (zie verder).
Uit: De Romeinenconcept
4 Tongeren als hoofdplaats van de Tungri, en wat onderzoekers nog niet zeker weten over het ontstaan.
Tongeren
Tongeren was de hoofdplaats van de civitas van de Tungri: de stad waar het bestuur van het hele gebied zetelde. Hoe Tongeren precies ontstond, is lang een vraag gebleven. Een oudere opvatting zag in de stad een legerkamp of bevoorradingskamp voor de veldtochten van Augustus naar Germanië, waaruit later een burgerlijke stad groeide. In 2008 schreef archeoloog Alain Vanderhoeven dat de bronnen evengoed toelaten dat Tongeren meteen als burgerlijke hoofdplaats werd gesticht, met technische steun en mankracht van het leger (Vanderhoeven 2008a). In een recentere samenvatting gaat hij uit van een stichting rond 10 v.o.t. als hoofdplaats van de civitas (Vanderhoeven 2025).
Romeinse schrijvers kenden de Tungri. Plinius de Oudere, de oom die bij de uitbarsting van de Vesuvius omkwam, noemt hun gebied in zijn Naturalis historia om een opvallende waterbron:
Uit de tijd zelf
De stam van de Tungri in Gallië heeft een beroemde bron, die vol belletjes opwelt en een ijzerachtige smaak heeft, die pas op het einde van de slok merkbaar is. Het water zuivert het lichaam, verdrijft derdedaagse koorts en verlicht stenen. Boven het vuur wordt hetzelfde water troebel en ten slotte rood.
Tungri civitas Galliae fontem habet insignem plurimis bullis stillantem, ferruginei saporis …
Plinius noemt geen plaats. Zijn tekst zegt dus niet waar die bron lag, alleen dat ze in het gebied van de Tungri lag (Plinius, NH 31, 31.12).
De eerste huizen in Tongeren waren volgens Vanderhoevens samenvatting woonstalhuizen: boerderijen waarin mensen en dieren onder één dak woonden. Een grote stadsbrand, die in verband wordt gebracht met de Bataafse Opstand van 69–70 o.t., maakte een einde aan die vroege fase (Vanderhoeven 2025). Wat de Tungri in die opstand deden, vertelt Tacitus; zijn tekst staat verderop, bij ‘Gallo-Romeins’.
Ook zonder vast legerkamp was het leger in Tongeren aanwezig. Uit de civitas kwamen veel hulptroepen van de Tungri, en voor de rekrutering was mogelijk een vast kantoor nodig. Buiten de stadsmuur stonden graanschuren (horrea). Die wijzen op toezicht door een hogere overheid, waarschijnlijk de gouverneur van de provincie Germania Inferior. Oud-soldaten kwamen zich vermoedelijk in de stad vestigen, vooral in de eerste helft van de eerste eeuw, toen veel Tungri aan de Rijn dienden (Vanderhoeven 2008a).
Uit: De Romeinenconcept
5 Hoe archeologen met een munt en aardewerk een legerkamp dateren.
Velzeke
In Velzeke (Zottegem) vond archeoloog Marc Rogge in 1976 de sporen van een Romeins legerkamp. Het is een van de oudste Romeinse militaire sites in het noorden van Gallië, uit de tijd van Augustus. Het kamp lag op een plateau tussen twee beekvalleien, was ongeveer vijf hectare groot en werd beschermd door drie brede grachten, een aarden wal en een houten palissade (Meulemeester 2008).
Hoe weten archeologen hoe oud het kamp is? In de grachten lagen onder meer een zilveren munt (denarius) van Julius Caesar die in 48 v.o.t. geslagen werd, de hals van een vroege wijnamfoor en Italisch tafelaardewerk (terra sigillata). Zulke vondsten wijzen op een vroeg kamp. Let wel: een munt uit 48 v.o.t. in de vulling van een gracht toont alleen dat die vulling van 48 v.o.t. of later is. De gracht zelf kan al eerder gegraven zijn. Een laag uit de tijd van de keizers Tiberius en Claudius bedekt de grachten: toen was het kamp al verlaten (Meulemeester 2008).
Rond het kamp groeide een nederzetting, een vicus. Ze lag op een kruispunt van twee wegen. De ene was een verharde weg die vanuit Bavay, de hoofdplaats van de Nerviërs, naar het noorden liep. De andere verbond Boulogne aan de Noordzee met Keulen aan de Rijn. Vooral in de bloeitijd van het rijk groeide de vicus uit tot een lintdorp langs de weg en het economische en religieuze centrum van de streek (Meulemeester 2008).
Voor Velzeke gebruiken we in dit artikel alleen vondsten uit de tijd zelf: de munt, de amfoor en het aardewerk uit de grachten.

Uit: De Romeinenconcept
6 De limes langs de Rijn, en wat het betekende dat onze streken in het achterland van die grens lagen. Het leger aan de Rijn had voedsel en soldaten nodig, onder wie hulptroepen van de Tungri.
De grens aan de Rijn
De noordgrens van het Romeinse Rijk volgde in onze buurt grotendeels de Rijn. Zo’n bewaakte grens van het rijk, met legerplaatsen erlangs, heet een limes. Het deel in onze buurt, de Neder-Germaanse limes, liep langs de Rijn, onder meer langs Keulen, Nijmegen en Utrecht, tot aan de zee bij Katwijk. In 2021 werd een reeks archeologische vindplaatsen langs die grens erkend als werelderfgoed (NOS 2021).
Onze streken lagen dus niet aan de grens, maar in het achterland ervan. Dat had grote gevolgen. Het leger aan de Rijn moest gevoed en bevoorraad worden. Veel soldaten kwamen uit het achterland: de hulptroepen van de Tungri zijn daar een voorbeeld van (Vanderhoeven 2008a). En de boerderijen in de civitas Tungrorum produceerden waarschijnlijk vooral voor dat leger (Vanderhoeven 2008b).
Uit: De Romeinenconcept
7 Voedselproductie voor het leger aan de Rijn, en wat er wel en niet veranderde op het platteland.
Leven op het platteland
De meeste mensen woonden niet in een stad, maar op het platteland. Ook daar was de Romeinse tijd een tijd van verandering, maar niet overal op dezelfde manier.
Op de vruchtbare leemgronden in het zuiden van de civitas Tungrorum verschenen de zogenaamde villa’s. Dat waren grote boerderijen waarbij het woongedeelte gescheiden was van de bedrijfsgebouwen. Opvallend is dat die scheiding al vóór de Romeinse verovering een traditie was. Op de zandgronden in het noorden bleven mensen het oudere woonstalhuis gebruiken, met mensen en dieren onder één dak (Vanderhoeven 2008b). Een goed onderzocht voorbeeld is de villa van Rekem-Neerharen, met een hoofdgebouw met badgebouw (pars urbana) en bijgebouwen voor het boerenbedrijf (pars rustica) (Vanderhoeven 2008b).

Wat veranderde er in de voedselproductie, het telen van gewassen en het houden van dieren om voedsel te maken? Archeologen zien een verschuiving naar productie voor de markt: boeren teelden niet meer alleen voor hun eigen gezin, maar ook om te verkopen. Bij het dierlijk bot in de vondsten gaat het rund overheersen. Het aantal graansoorten wordt kleiner: vooral bedekte gerst en spelt, soms ook broodtarwe. De belangrijkste markt was waarschijnlijk het Romeinse leger aan de rijksgrens. Daarnaast waren er groepen in het achterland die hun voedsel kochten in plaats van het zelf te telen (Vanderhoeven 2008b). Dat heeft ook een keerzijde. Vanaf de tweede eeuw zien onderzoekers op de leemgronden erosie (Vanderhoeven 2008b), wellicht een gevolg van het intensieve gebruik van het land.
Achtergrond voor de leerkracht: geen extra leerlingdoel
Dit is een mooi voorbeeld van hoe handel, landschap en landbouw samenhangen: een groot leger op één plek verandert hoe boeren honderden kilometers verder werken. Leerlingen hoeven de graansoorten niet te kennen; het gaat om het verband tussen voedselproductie en de vraag van het leger. Voor de boeren in onze streken is in dit artikel geen tekst uit de tijd gebruikt; wat we hier vertellen, komt uit opgravingen: botten, zaden en de resten van gebouwen.
Uit: De Romeinenconcept
8 Cornelia volgens Plutarchus, en wat we over haar weten en niet weten.
Cornelia en de plaats van vrouwen
Romeinse vrouwen hadden niet allemaal dezelfde plaats. Er waren vrijgeboren vrouwen, vrijgelaten vrouwen die eerder slaafgemaakt waren, en slaafgemaakte vrouwen. Voor geen van hen stond het openbare bestuur open. Volgens de jurist Ulpianus waren vrouwen uitgesloten van alle burgerlijke en openbare ambten: ze konden geen rechter worden en geen magistraat (Digesta 50.17, 50.17.2 pr.). In het Romeinse recht stond een volwassen vrouw bovendien onder de voogdij van een man. De jurist Gaius vond de oude reden daarvoor, dat vrouwen lichtzinnig zouden zijn, eerder schijnbaar dan waar: volwassen vrouwen regelden hun zaken zelf (Gaius, Inst. 1, 1.144; 1.190). Een vrijgeboren vrouw met drie kinderen werd van die voogdij bevrijd, een vrijgelaten vrouw pas met vier (Gaius, Inst. 1, 1.194). Voor slaafgemaakte vrouwen telde vooral wat ze opbrachten voor hun eigenaar. De landbouwschrijver Columella vertelt dat hij slaafgemaakte vrouwen op zijn landgoed die drie zonen hadden grootgebracht vrijstelling van werk gaf, en bij meer zonen ook de vrijheid. Hij ziet dat als een manier om het vermogen van de eigenaar te laten groeien (Columella 1.8.19, 1.8.19).
De vrouwen over wie we hieronder het meest lezen, behoren tot wie in de bronnen een naam kreeg of zelf kon schrijven. Ze staan niet voor alle Romeinse vrouwen.
Een van de bekendste Romeinse vrouwen is Cornelia, de moeder van de broers Tiberius en Gaius Gracchus. Ze was een dochter van de Scipio die Hannibal versloeg (Plutarchus, Ti. Gracch., 1). We kennen haar vooral uit de levensbeschrijvingen van haar zonen door Plutarchus:
Uit de tijd zelf
Cornelia nam de kinderen en het landgoed in handen en toonde zich zo bezonnen, zo goed als moeder en zo grootmoedig, dat men vond dat Tiberius geen slechte keuze had gemaakt toen hij verkoos te sterven in plaats van zo’n vrouw. Want toen koning Ptolemaeus aanbood zijn kroon met haar te delen en haar ten huwelijk vroeg, weigerde ze en bleef weduwe. In die toestand verloor ze de meeste van haar kinderen, maar drie bleven in leven … Deze zonen voedde Cornelia met zo veel zorg op dat men vond dat zij hun deugden meer aan hun opvoeding dan aan hun aard te danken hadden.
Volgens Plutarchus bleef ze na de dood van haar man achter met twaalf kinderen. Van haar kinderen overleefden er maar drie: een dochter en de twee zonen (Plutarchus, Ti. Gracch., 1.3–1.5). Plutarchus vermeldt ook dat ze volgens sommigen haar zonen verweet dat de Romeinen haar nog altijd ‘de schoonmoeder van Scipio’ noemden en nog niet ‘de moeder van de Gracchi’ (Plutarchus, Ti. Gracch., 8.5).
Op.stap koppelt Cornelia aan de rol van de vrouw in de Romeinse samenleving en aan sociale spanningen (KOV Op.stap 1.3), en aan identiteit en integratie. Bij Cornelia gaat dat over de vraag wie je bent en hoe anderen je zien. In de bronnen wordt Cornelia vooral genoemd naar de mannen rond haar: als dochter, echtgenote, moeder of schoonmoeder. In het verhaal van Plutarchus wil Cornelia niet langer ‘de schoonmoeder van’ heten, maar ‘de moeder van’: een andere naam, maar nog altijd via haar zonen.
Om welke sociale spanningen ging het? Plutarchus legt het uit. Rome had een deel van het veroverde land als gemeenschappelijk land gehouden, waarop arme burgers tegen een kleine pacht mochten werken. Rijke mannen boden meer en verdrongen hen. Volgens Plutarchus hadden de verdreven armen daarna weinig zin meer in legerdienst, en raakte Italië vol groepen slaafgemaakten uit het buitenland, die de grote landgoederen bewerkten. Tiberius Gracchus nam de zaak op toen hij volkstribuun werd (Plutarchus, Ti. Gracch., 8.1–4). Hij liet een landwet aannemen die beperkte hoeveel staatsland iemand mocht hebben. Toen hij opnieuw tribuun wilde worden, werd hij op het Capitool gedood door een groep tegenstanders onder leiding van Publius Cornelius Nasica (Livius, Periocha 58, 58). De naam van Cornelia’s zoon staat dus voor een strijd over land, armoede en slavernij.
Er bestonden ook brieven van Cornelia zelf. De redenaar Cicero heeft ze gelezen:
Uit de tijd zelf
We hebben de brieven van Cornelia, de moeder van de Gracchen, gelezen: het blijkt dat haar zonen minder op haar schoot dan in het gesprek met hun moeder zijn opgevoed.
legimus epistulas Corneliae matris Gracchorum …
Uitbreiding Wat Romeinse schrijvers over Cornelia vertellen
In de teksten van latere Romeinen verschijnt Cornelia als een voorbeeldige moeder. Elders schrijft Cicero dat Gracchus door de zorg van zijn moeder Cornelia van kinds af onderwezen werd en in de Griekse letteren gevormd (Cicero, Brut., 104).
De bekendste anekdote staat bij Valerius Maximus, die een verzameling gedenkwaardige daden en uitspraken schreef:
Uit de tijd zelf
Cornelia, de moeder van de Gracchen: toen een gastvrouw uit Campanië haar de mooiste juwelen van die tijd liet zien, hield zij haar aan de praat tot haar kinderen van school terugkwamen, en zei: ‘Dit zijn mijn juwelen.’
… et ‘haec’ inquit ‘ornamenta sunt mea’.
Het is een verhaal met een les, geen verslag. Valerius Maximus zegt zelf dat hij het bij een eerdere verzamelaar vond, en één woord in de Latijnse tekst (‘tot’) is een aanvulling van de moderne uitgever omdat de handschriften daar beschadigd zijn (Valerius Maximus 4, 4.4). De teksten hier zijn door mannen geschreven, die haar prijzen als moeder. Wat zij zelf schreef, lezen we er niet in.
Dat er ook Romeinse vrouwen zijn van wie we de eigen woorden wél hebben, toont een houten schrijfplankje uit het fort van Vindolanda in Brittannië, het fort waar ook soldaten van de Tungri lagen (zie verder). Claudia Severa nodigt er Sulpicia Lepidina, die ze ‘zuster’ noemt, uit voor haar verjaardag (Tab. Vindol. 291):
Uit de tijd zelf
Claudia Severa aan haar Lepidina: groeten. Op de derde dag voor de iden van september (11 september), zuster, nodig ik je hartelijk uit voor de feestdag van mijn verjaardag. Doe me het plezier te komen, om de dag aangenamer voor me te maken door je komst. … Ik reken op je, zuster. Vaarwel, zuster, mijn dierbaarste ziel, zo waar ik gezond wil blijven, en gegroet.
… sperabo te soror uale soror anima mea …
De laatste regels staan in een ander handschrift. Volgens de uitgevers schreef Severa die zelf, en zijn ze vrijwel zeker de oudste bekende Latijnse tekst in de hand van een vrouw (Tab. Vindol. 291).
Hoe we over Cornelia lezen: geen extra leerlingdoel
In de tekst van Plutarchus verschijnt Cornelia vooral in verhouding tot anderen: als weduwe, als moeder, als schoonmoeder. Dat zegt iets over de bron. Een goede vraag voor de klas is wat we over Cornelia zelf weten, en wat we alleen via haar man en zonen te weten komen. Het plankje van Claudia Severa is een sterk tegenvoorbeeld: een vrouw die zelf schrijft, over iets alledaags. Sluit aan bij wat leerlingen eerder leerden over vrouwen in de Griekse oudheid.

Uit: De Romeinenconcept
9 Het christendom binnen het Romeinse Rijk, Constantijn, en de vraag wat er in onze streken gebeurde.
Het ontstaan van het christendom
Het christendom is de godsdienst van mensen die Jezus volgen als de Christus. Het ontstaan van het christendom vond plaats binnen het Romeinse Rijk, in Judea, aan de oostkant van het rijk. Ook een niet-christelijke Romeinse bron vermeldt die oorsprong. De geschiedschrijver Tacitus legt uit wie de christenen waren:
Uit de tijd zelf
… mensen die om hun schanddaden gehaat waren en die het volk ‘Chrestianen’ noemde. De stichter van die naam, Christus, was onder keizer Tiberius door de procurator Pontius Pilatus terechtgesteld. Het verderfelijke bijgeloof, voor het ogenblik onderdrukt, brak opnieuw uit, niet alleen in Judea, de oorsprong van dat kwaad, maar ook in de stad, waar alles wat gruwelijk of schandelijk is van alle kanten samenstroomt en gevierd wordt.
auctor nominis eius Christus Tiberio imperitante per procuratorem Pontium Pilatum supplicio adfectus erat …
Tacitus vermeldt dus dat de beweging ontstond in Judea en zich van daaruit tot in Rome verspreidde (Tacitus, Ann., 15.44). Hij is geen vriend van de christenen: hij noemt hun geloof een ‘verderfelijk bijgeloof’. Tacitus noemt Pilatus ‘procurator’. Op een opschrift uit Pilatus’ eigen tijd, in 1961 gevonden in Caesarea, heet hij praefectus van Judea; het begin van dat woord is wel door de uitgevers aangevuld (Pilatus-inscriptie).
Ook een joodse geschiedschrijver, Flavius Josephus, vermeldt de familie van Jezus. Hij vertelt dat de hogepriester in Jeruzalem de joodse rechtbank, het sanhedrin, bijeenriep en er ‘de broer van Jezus, die Christus genoemd werd, met name Jakobus’ liet voorleiden (Josephus, Ant. 20.9.1, 20.9.1). Het christelijke boek Handelingen van de Apostelen zegt dat de leerlingen van Jezus voor het eerst ‘christenen’ genoemd werden in de stad Antiochië (Handelingen 11:26, 11:26). Die bronnen plaatsen het begin van de beweging dus in Judea en Jeruzalem, en tonen hoe ze zich verspreidde.
Een tweede, heel andere bron is een briefwisseling tussen Plinius de Jongere, dezelfde die over de Vesuvius schreef, en keizer Trajanus. Plinius wist niet goed wat hij met christenen moest doen en vroeg de keizer om raad. Hij beschrijft wat de ondervraagde christenen hem vertelden:
Uit de tijd zelf
Ze beweerden dat de som van hun schuld of dwaling hierop neerkwam: dat ze gewoon waren op een vaste dag vóór zonsopgang bijeen te komen, om beurtelings een lied voor Christus als voor een god te zingen, en zich door een eed te verbinden, niet tot een of andere misdaad, maar om geen diefstal, roof of overspel te plegen, hun woord niet te breken en een toevertrouwd goed niet te ontkennen wanneer ze erom gevraagd werden.
… carmenque Christo quasi deo dicere secum invicem …
De keizer antwoordt:
Uit de tijd zelf
Men moet hen niet opsporen. Worden ze aangeklaagd en bewezen schuldig, dan moeten ze gestraft worden, maar zo dat wie ontkent christen te zijn, en dat ook in de praktijk laat zien, namelijk door tot onze goden te bidden, vergeving krijgt op grond van berouw, hoe verdacht hij vroeger ook was.
Conquirendi non sunt …
Christen zijn kon dus strafbaar zijn, maar volgens Trajanus moest men niet actief naar christenen zoeken (Plinius, Ep. 10, 10.96–97). Wie wilde, kon ontsnappen door tot de Romeinse goden te bidden.
Constantijn
Een keerpunt kwam met keizer Constantijn. Voor zijn overwinning bij de Milvische brug in 312 (Wasson 2013, Constantine I) werd hij volgens de christelijke schrijver Lactantius in een droom aangespoord om het hemelse teken van God op de schilden te laten aanbrengen:
Uit de tijd zelf
Constantijn werd in een droom aangespoord het hemelse teken van God op de schilden aan te brengen en zo de slag te beginnen. Hij deed wat hem bevolen was: met een dwarse letter X, waarvan de top omgebogen was, tekende hij Christus op de schilden. Met dit teken bewapend nam het leger het zwaard op.
Commonitus est in quiete Constantinus, ut caeleste signum dei notaret in scutis …
Uitbreiding Twee verslagen van één teken
Een andere christelijke schrijver, Eusebius, vertelt het anders. Hij zegt dat Constantijn het hem zelf vertelde, lang nadien en onder ede (Eusebius, Vita Const. 1, 1.28):
Uit de tijd zelf
Hij vertelde dat hij omstreeks de middag, toen de dag al begon te dalen, met eigen ogen een kruis van licht aan de hemel zag, boven de zon, met het opschrift: ‘Overwin hiermee.’ … In zijn slaap verscheen hem de Christus van God met hetzelfde teken dat hij aan de hemel had gezien, en gebood hem een afbeelding van dat teken te maken.
Leg de twee teksten naast elkaar. Bij Lactantius is er alleen een droom, vlak voor de slag, en komt het teken op de schilden. Bij Eusebius is er eerst een kruis van licht aan de hemel, overdag, en pas daarna een droom, en hij plaatst het verhaal bij de tocht naar Rome, niet bij de slag zelf (Lactantius, Mort., 44.5) (Eusebius, Vita Const. 1, 1.28–29). Beide schrijvers waren christenen. Ze vertellen allebei dat zijn overwinning met de God van de christenen te maken had, maar ze zijn het niet eens over hoe. Wat er die dag echt gebeurde, kunnen we niet nagaan.
In 313 kwam in Milaan een regeling tot stand die “zowel de christenen als iedereen” de vrijheid gaf om de godsdienst van hun keuze te volgen (Lactantius, Mort., 48):
Uit de tijd zelf
Toen wij, ik Constantijn Augustus en ik Licinius Augustus, gelukkig in Milaan bijeen waren gekomen en alles bespraken wat het algemeen welzijn en de veiligheid betreft, hebben wij onder de dingen die velen goed zouden doen vooral die geregeld willen zien waarin de eerbied voor de godheid besloten ligt: wij geven zowel aan de christenen als aan iedereen de vrije bevoegdheid om de godsdienst te volgen die ieder gekozen heeft …
… ut daremus et Christianis et omnibus liberam potestatem sequendi religionem quam quisque voluisset …
Die regeling staat bekend als het Edict van Milaan, maar die naam is van later. Lactantius geeft de tekst weer als een brief die keizer Licinius aan een gouverneur liet sturen en openbaar liet aanplakken (Lactantius, Mort., 48.1). In 330 werd Constantinopel ingewijd als nieuwe hoofdstad. Constantijn stierf in 337 (Wasson 2013, Constantine I). Volgens zijn biograaf Eusebius liet hij zich kort voor zijn dood dopen (Eusebius, Vita Const., 4.61–64).
Constantijn gaf de christenen niet alleen vrijheid, maar ook voorrechten. In een brief aan Anulinus, de Romeinse bestuurder van de provincie Afrika, liet hij de geestelijken van de katholieke kerk daar ‘volledig vrijstellen van alle openbare diensten’, zodat ze zich ongestoord aan hun godsdienst konden wijden (Eusebius, HE 10.7, 10.7). Wat later kwam, was een andere stap. In 380 vaardigden de keizers Gratianus, Valentinianus II en Theodosius vanuit Thessalonica een wet uit, gericht aan het volk van Constantinopel. Alle volkeren onder hun gezag moesten het geloof volgen dat de apostel Petrus had overgeleverd, zoals de bisschoppen van Rome en Alexandrië het toen voorhielden. Wie dat deed, mocht zich ‘katholieke christen’ noemen; wie anders geloofde, gold als ketter, en hun bijeenkomsten mochten geen kerken heten (CTh 16.1.2). Die wet ging dus vooral over welk christelijk geloof het juiste was (Hunt 2007). Het woord ‘staatsgodsdienst’ staat niet in de tekst (CTh 16.1.2).

En in onze streken?
Servatius is een bisschop die traditioneel met het Tongeren van de vierde eeuw verbonden wordt. Hoe stevig die band is, staat ter discussie. Wat we weten, komt uit drie soorten gegevens, en daarnaast is er de uitleg van een onderzoeker.
- De overlevering. De oudste verhalen over Servatius staan bij Gregorius van Tours, aan het einde van de zesde eeuw. Volgens Gregorius keerde Servatius uit Rome terug naar de stad Tongeren en trok hij daarna naar Maastricht, waar hij stierf (De la Haye, Servatius).
- Teksten uit de vierde eeuw. Vier teksten uit het midden van de vierde eeuw noemen een bisschop Servatius bij kerkvergaderingen. Twee daarvan noemen hem bisschop ‘van de Tongeren’. Veel historici gaan er daarom van uit dat hij toen al bisschop van Tongeren was (De la Haye, Servatius).
- De archeologie. Onder de basiliek van Tongeren werd een gebouw gevonden dat munten op het einde van de vierde eeuw dateren, maar dat het een christelijke functie had, is niet aantoonbaar. Aan het begin van de zesde eeuw was Maastricht in elk geval bisschopsstad (De la Haye, Servatius).
- Een interpretatie. Historicus Régis de la Haye meent dat de ene vierde-eeuwse tekst met ‘Tongeren’ een vervalsing is (dat nemen volgens hem bijna alle auteurs aan) en de andere waarschijnlijk een latere toevoeging. Hij argumenteert ook dat er halfweg de vierde eeuw in het noorden van Gallië, buiten enkele grote steden, nog geen kerkelijke structuren waren. Hij stelt zijn bijdrage zelf voor als een stand van zaken, niet als een definitieve conclusie (De la Haye, Servatius).
Had Tongeren in de Romeinse tijd een bisschop?: geen extra leerlingdoel
Geef hier geen stellig antwoord, in geen van beide richtingen. Met de teksten en vondsten die we kennen, is niet vast te stellen of Tongeren in de vierde eeuw al een bisschop had. Een wijdverspreide opvatting zegt van wel; De la Haye geeft argumenten van niet (De la Haye, Servatius). Vast staat dat de oudste uitgebreide verhalen over Servatius pas aan het einde van de zesde eeuw werden opgeschreven. Het is een goed voorbeeld om leerlingen te tonen dat een overlevering, een oude tekst, een opgraving en de uitleg van een onderzoeker vier verschillende dingen zijn.

Uit: De Romeinenconcept
3. Wat gaat hieraan vooraf?
- dossierDe Romeinen (2de leerjaar)nog niet uitgewerkt
- artikelOudheid
4. Wat zijn de volgende stappen?
5. Verder verdiepen
- Volledig artikel: De Romeinen
Historische bronnen
- Gaius Iulius Caesar. Commentarii de bello Gallico (Latijnse tekst).
Geraadpleegde literatuur
- NOS (2021). Ook Neder-Germaanse Limes toegevoegd aan Werelderfgoedlijst Unesco.
- Alain Vanderhoeven (2008). Tongeren en het Romeinse leger. Vlaanderen. Kunsttijdschrift, jaargang 57.
Verder lezen en kijken
- Gallo-Romeins Museum. Gallo-Romeins Museum Tongeren.
- Stad Zottegem. Archeocentrum Velzeke.