Kaarten lezen en maken
Wat een kaart is, hoe je er plaatsen op terugvindt, hoe je ze oriënteert en een legende leest, hoe je een route volgt en uitstippelt, op papier en op een scherm, en hoe leerlingen zelf een klein gebied in kaart brengen.
Zo gemarkeerd: een woord dat Op.stap bij dit onderwerp expliciet gebruikt.
Een kaart is voor kinderen eerst een tekening met namen erop. Daarna leren ze er plaatsen op terugvinden, de kaart juist leggen, de tekens lezen en een weg volgen. In het zesde leerjaar maken ze zelf een kaart van een klein gebied. Dit artikel volgt die opbouw van de kleuterklas tot het zesde leerjaar.
Op.stap zet de papieren en de digitale kaart vanaf het eerste leerjaar naast elkaar. In het vierde leerjaar gaat het om een kaart hanteren met legende, oriëntatie en (tussen)windrichtingen en om routes, op papier en met een routeplanner. In het zesde leerjaar brengen leerlingen zelf een klein gebied in kaart met vier cartografische technieken (KOV Op.stap 1.3) (AHOVOKS 2026). De legende, de plattegrond en het oriënteren met kompas en zon krijgen elk nog een eigen artikel. Hier staat alleen wat de kaartdoelen ervan vragen.
Wat is een kaart?
Dit hoofdstuk zegt wat een kaart is, in woorden voor kleuters en in de woorden van cartografen, en toont dat mensen al heel lang kaarten maken.
Een tekening van boven gezien
Voor de jongste kinderen volstaat een eenvoudige omschrijving: een kaart is een tekening van een plek, van boven gezien, waarop de namen van plaatsen staan en waar ze liggen. De Britse kaartdienst Ordnance Survey zegt het in een handleiding voor beginners net zo eenvoudig: een kaart is een tekening of afbeelding van een landschap of een plek, meestal zoals je die van bovenaf zou zien, recht naar beneden kijkend (OS, Map Reading, p. 3).
Cartografen zeggen het preciezer. De International Cartographic Association (ICA), de wereldwijde vereniging van kaartmakers, omschrijft een kaart als “a symbolised representation of geographical reality”: een voorstelling van de werkelijkheid in tekens (ICA 2003). Een kaart is dus geen foto. Een Nederlands lesvoorbeeld van SLO noemt een kaart “een vereenvoudiging van de werkelijkheid” en wijst erop dat de maker keuzes maakt: wat er op de kaart komt en op welke schaal (SLO, kaartvaardigheden, Vooraf). Die twee gedachten, tekens en keuzes, komen in elk hoofdstuk van dit artikel terug.
Kindvraag
Is een kaart een foto van boven?
Kort antwoord voor kinderen
Nee. Een kaart is getekend. De maker kiest wat erop komt, zoals wegen, huizen en namen, en laat de rest weg.
Nuance voor de leerkracht
Op een luchtfoto staat wat de camera zag. Op een kaart staat wat de maker gekozen heeft, met tekens die je moet leren lezen. Bij sommige digitale kaarten kun je wel een luchtfoto als laag kiezen, zoals in de viewer van het NGI (TopoMapViewer).
De kaart in de kleuterklas: geen extra leerlingdoel
Het kleuterdoel vraagt alleen dat kinderen een kaart herkennen als een tekening met de naam en de ligging van plaatsen (KOV Op.stap 1.3). Dat is een eerste benadering, geen volledige definitie. Wie kleuters een stratenplan van de eigen gemeente naast een prentenboek legt, kan ze laten zoeken wat ze herkennen: de school, de kerk, een rivier, een naam die ze kunnen ‘lezen’.
Mensen tekenen al lang kaarten
Op een kleitablet uit Mesopotamië staat een plattegrond van de stad Nippur, met onder meer haar stadsmuren. De tablet werd gevonden bij een opgraving in 1899 en ligt nu in de Hilprecht-collectie in Jena. Volgens National Geographic dateert hij van tussen 1500 en 1300 v.o.t., het universitaire bericht uit Dresden spreekt van het midden van het tweede millennium v.o.t. (NatGeo, Nippur) (TU Dresden 2019). In de jaren 1970 legde de archeoloog McGuire Gibson de tekening naast de opgegraven muren. Volgens het artikel in National Geographic klopt de kaart tot op ongeveer tien procent (NatGeo, Nippur). Al meer dan drieduizend jaar geleden tekende iemand dus een stad van boven gezien, met de ligging van haar muren.

Plaatsen terugvinden op een kaart
Dit hoofdstuk gaat over plaatsen terugvinden op een papieren en op een digitale kaart, en over waar je in Vlaanderen betrouwbare kaarten vindt.
Van de schoolgemeente tot de wereld
In het eerste, tweede en derde leerjaar staat in Op.stap telkens hetzelfde doel: voorgestelde elementen op een analoge en een digitale kaart lokaliseren, dat wil zeggen een bepaalde plaats of positie vaststellen. Het verschil zit in de voorbeelden: in het eerste leerjaar een kaart van de schoolgemeente en van België, in het tweede ook een kaart van Europa en een wereldkaart (KOV Op.stap 1.3). De opbouw tussen de leerjaren moet de leerkracht dus zelf maken: van de eigen straat en de school naar de gemeente, van België naar Europa en de wereld.
Lokaliseren van jaar tot jaar: geen extra leerlingdoel
Omdat de doeltekst drie jaar gelijk blijft, zit de groei in de kaart en in de vraag. Een mogelijke lijn: eerst een plaats aanwijzen die de leerkracht noemt, op een kaart die de kinderen kennen; daarna een plaats zoeken op een kaart met meer namen en minder bekende plekken; ten slotte uitleggen hoe je hem gevonden hebt (langs de rivier, ten noorden van de stad, met de legende). Laat leerlingen dezelfde plek op papier en op het scherm zoeken en vergelijken wat er anders is.
Analoog en digitaal
De doelen zetten de analoge kaart, op papier, naast de digitale kaart, op een scherm (KOV Op.stap 1.3). Een algemene vakdefinitie van die twee woorden geeft dit artikel niet. Wel kan het tonen wat een digitale kaart anders doet dan een papieren, aan de hand van het Vlaamse voorbeeld Geopunt.
Een digitale kaart bestaat uit lagen
Geopunt is volgens Digitaal Vlaanderen “de centrale toegangspoort tot geografische overheidsinformatie” in Vlaanderen (Geopunt). De kaart die je er ziet, bestaat uit kaartlagen: Geopunt bevat er honderden, en de laag die bovenaan staat in het lagenpaneel “ligt als het ware bovenop de volgende laag” (Geopunt, kaartlagen). Een papieren kaart toont altijd hetzelfde; op een digitale kaart kies je zelf welke lagen je ziet, bijvoorbeeld een luchtfoto met de wegen erboven.
Je kunt er ook afstanden meten, met de knop ‘Afstand’. Geopunt waarschuwt zelf dat de nauwkeurigheid afhangt van de gebruikte laag en van het zoomniveau, en dat de gemeten waarde “een indicatie” is “die de werkelijke waarde benadert”. De teken- en meetfuncties werken niet op mobiele toestellen met een klein scherm (Geopunt, meten).
De kaarten van het NGI
Het Nationaal Geografisch Instituut (NGI) is de federale beheerder van geodata in België en publiceert onder meer topografische, thematische en historische kaarten. Met de gratis Topomapviewer kun je de standaard topografische kaarten van het NGI bekijken op elf verschillende schaalniveaus (NGI). Lagen in die viewer zijn onder meer een kaart op 1:50 000, een op 1:250 000 en een luchtfoto (orthofoto) (TopoMapViewer). Wat zo’n getal als 1:50 000 betekent, staat in het artikel over schaal.
Oudere reeksen bestaan als rasterbestand. De rasterkaart op 1:50 000 heeft gegevens met als herzieningsdatum 20 mei 1999 (NGI Top50 raster). De kaart van Vlaanderen en Brussel op 1:10 000 werd tussen 1991 en 2008 gemaakt, verscheen als rasterbestand in 2009 en heeft nu de status ‘historisch archief’ (NGI 1:10 000 raster). Wie een recente kaart wil, kijkt dus in de viewer en niet naar die archiefreeksen.
Kaarten van het NGI en Geopunt in de klas: geen extra leerlingdoel
De rasterkaarten van het NGI op 1:50 000 en 1:10 000 zijn auteursrechtelijk beschermd; die op 1:10 000 mag niet zonder toestemming van het NGI op het internet (NGI Top50 raster) (NGI 1:10 000 raster). Een aantal NGI-gegevens is wel vrij te gebruiken onder de licentie CC BY 4.0, onder meer de orthofoto’s en de vectorkaart Top10Vector, met een bronvermelding zoals ‘©NGI-IGN, jaar, licentie CC BY 4.0’ (NGI, open data). Een schermafbeelding van Geopunt mag je delen met ‘Bron: www.geopunt.be’ en de datum van de schermafbeelding, plus de bron van elke zichtbare kaartlaag (Geopunt, schermafbeelding).
De kaart oriënteren en de windrichtingen
Dit hoofdstuk gaat over hoe je een kaart juist legt, waarom het noorden meestal boven staat, en hoe je de windrichtingen op de kaart leest.
Zichzelf oriënteren met een kaart
Oriënteren komt in de kaartdoelen op verschillende plaatsen terug: in het derde leerjaar moeten leerlingen zichzelf oriënteren met een analoge of digitale kaart, in het derde en vierde leerjaar een kaart hanteren met de oriëntatie, en in het zesde leerjaar is oriënteren een van de technieken om zelf een kaart te maken (KOV Op.stap 1.3). Een eenduidige definitie geeft Op.stap er niet bij. In de handleiding van de Britse Ordnance Survey betekent een kaart oriënteren dat je de kaart zo draait dat ze overeenkomt met het terrein rond je (OS, Map Reading). Dat is wat dit artikel hier bedoelt: wie de kaart zo legt dat de straat op de kaart dezelfde kant uitloopt als de straat voor je, kan zichzelf op de kaart terugvinden en weet welke kant hij uit moet.
Oriënteren met kompas en zon, en de windrichtingen als woordenschat, komen uitgebreider aan bod in het artikel over oriënteren.
Noord boven is een afspraak
Op bijna alle kaarten die kinderen vandaag zien, staat het noorden boven. Dat is een gewoonte, geen natuurwet. De kaarthistoricus Peter van der Krogt concludeert: “er is geen natuurlijke reden om het noorden bovenaan een kaart te plaatsen. Het noorden boven is een kwestie van gewoonte” (Van der Krogt, Noord boven, p. 17). Hij geeft voorbeelden. Ptolemaeus tekende in de tweede eeuw o.t. zijn kaarten met het noorden boven, maar de middeleeuwse wereldkaarten in de vorm van een T in een O hadden altijd het oosten boven (Van der Krogt, Noord boven, p. 15). Rond het heilig jaar 1500 maakte Erhard Etzlaub een kaart voor Duitse pelgrims met Rome bovenaan, zodat ze Rome als het ware voor zich zagen liggen. Het zuiden stond dus boven (Van der Krogt, Noord boven, p. 17).
Ook vandaag wijkt men soms af. In Delft hangen informatieborden met een plattegrond die zo gedraaid is dat de stad voor je ligt, zodat voor wie uit het noorden komt het zuiden boven staat (Van der Krogt, Noord boven, p. 17). Van der Krogt besluit dat ‘noord boven’ “een wijdverbreid gebruik” is, “en handig om je aan te houden, behalve als je een goede reden hebt om een andere windrichting boven te zetten” (Van der Krogt, Noord boven, p. 17). Daarom hoort er op een kaart een noordpijl: die zegt waar het noorden is, ook als het niet boven staat.

Uitbreiding Hoe ‘noord boven’ de gewoonte werd
Van der Krogt geeft cijfers van de kaarthistorica Catherine Delano-Smith, die vooral Engelse handgetekende en gedrukte kaarten onderzocht. Het aandeel kaarten met het noorden boven groeide van 37 procent tussen 1150 en 1500, naar 57 procent tussen 1500 en 1550 en 94 procent tussen 1550 en 1600 (Van der Krogt, Noord boven, p. 16).
Ook in de atlas van Abraham Ortelius, het Theatrum Orbis Terrarum van 1570, is het noorden nog niet overal boven. Van de 64 kaarten hebben er 48 het noorden boven, 6 het oosten, 5 het westen, 2 het zuiden, 2 het noordwesten en 1 het noordoosten (Van der Krogt, Noord boven, p. 18). Een kaartmaker kon een andere richting kiezen omdat de reiziger of de kijker die kant uit keek, of omdat het gebied zo beter op het papier paste (Van der Krogt, Noord boven, p. 17).
In 1999 verscheen zelfs een atlas, ‘Upside down Nederland 1:200.000’, met de kaart in twee richtingen (Van der Krogt, Noord boven, p. 17).
Kindvraag
Waarom staat het noorden altijd boven op de kaart?
Kort antwoord voor kinderen
Niet altijd. De meeste kaartmakers zetten het noorden boven, omdat dat een gewoonte is geworden en iedereen de kaart dan op dezelfde manier leest. Vroeger stond soms het oosten of het zuiden boven.
Nuance voor de leerkracht
Kijk daarom naar de noordpijl. Die zegt waar het noorden is, ook op een kaart die gedraaid is.
Windrichtingen op de kaart
In het derde leerjaar gaat het om de vier hoofdwindrichtingen, in het vierde ook om de tussenwindrichtingen (KOV Op.stap 1.3). Het KMI geeft de windrichtingen met hun afkorting en hun hoek: noord (N, 0°), oost (O, 90°), zuid (Z, 180°) en west (W, 270°), en daartussen noordoost (NO, 45°), zuidoost (ZO, 135°), zuidwest (ZW, 225°) en noordwest (NW, 315°). Het KMI deelt de roos nog fijner, in zestien richtingen zoals noordnoordoost (NNO, 22,5°) (KMI, windrichtingen). Voor de lagere school volstaan de acht van de doelen.
Op een kaart met het noorden boven ligt het oosten rechts, het zuiden onder en het westen links. Op een kaart die gedraaid is, klopt dat niet meer: dan vertrek je vanuit de noordpijl.
Twee kleine valkuilen: geen extra leerlingdoel
In het Nederlands is de afkorting voor oost een O, niet de E die kinderen op Engelstalige apps en kompassen zien. En wie het weerbericht volgt, hoort dat een windrichting de richting is “van waaruit de luchtstroom vandaan komt” (KMI, windrichtingen): een westenwind waait uit het westen. Op de kaart wijst een windrichting gewoon een richting aan. Maak dat verschil expliciet als leerlingen de windvaan of het weerbericht erbij nemen.
Kaart en kompas
Wie een kaart met een kompas oriënteert, legt de kaart zo dat haar noorden met het noorden van het kompas samenvalt. De kompasnaald wijst niet precies naar het geografische noorden maar naar het magnetische noorden, en ijzer en staal in de buurt kunnen de naald afleiden (OS, Map Reading, p. 13–14). Het KMI noemt de hoek tussen het geografische en het magnetische noorden de magnetische declinatie. Die hoek verandert met de plaats en met de tijd, en het KMI meet hem in zijn observatoria in Dourbes en Manhay en in een station aan het Zwin (KMI, declinatie). Het kompas zelf komt aan bod in het artikel over oriënteren.
Werken met een legende
Dit hoofdstuk zegt wat een legende is en hoe ze op een papieren en een digitale kaart werkt.
Een kaart beschrijft niet in woorden wat er ligt, maar gebruikt tekens. De Ordnance Survey zegt het zo: kaarten hebben symbolen om te tonen waar bepaalde dingen zijn, die symbolen zijn eenvoudig en lijken vaak op wat ze voorstellen, en een kaart heeft meestal een legende: een vak dat uitlegt wat elk symbool betekent (OS, Map Reading, p. 4). Een legende is dus een afspraak van de maker van die ene kaart. Een blauwe lijn kan op de ene kaart een rivier zijn en op een andere een fietsroute. Wie een nieuwe kaart opent, kijkt daarom eerst naar de legende.
Op een digitale kaart werkt het iets anders. Op Geopunt hoort de legende bij een kaartlaag, en ze is er bij een aantal lagen, “dus niet bij alle lagen”. Je opent ze via ‘Toon menu’ en ‘Toon legende’ (Geopunt, kaartlagen). Wie lagen aan- en uitzet, ziet dus ook de legende veranderen.
In het derde leerjaar verkennen leerlingen het werken met een legende, in het vierde werken ze ermee als onderdeel van het hanteren van een kaart (KOV Op.stap 1.3). De tekens zelf, en welke tekens vaak terugkomen, worden uitgewerkt in het artikel over legende en symbolen.
Zelf tellen en zoeken: geen extra leerlingdoel
Een eenvoudige opdracht bij het verkennen: geef een kaart van de buurt en laat leerlingen drie tekens uit de legende op de kaart zoeken en tellen (hoeveel kerken, hoeveel bushaltes). Daarna omgekeerd: ze kiezen zelf een teken op de kaart en zoeken in de legende wat het betekent. Op een digitale kaart kunnen ze nagaan welke lagen een legende hebben en welke niet.
Een route volgen en uitstippelen
Dit hoofdstuk gaat over het volgen en het zelf plannen van een route op een papieren kaart, in het vierde leerjaar.
Op.stap onderscheidt twee doelen: een route op een analoge kaart uitvoeren, en een route op een analoge kaart uitstippelen (KOV Op.stap 1.3). Uitvoeren is een route volgen die al op de kaart staat. Uitstippelen is zelf een weg kiezen en op de kaart aanduiden, van vertrekpunt naar bestemming. Een vaste procedure daarvoor beschrijft dit artikel niet. Wel gebruik je alles uit de vorige hoofdstukken: je oriënteert de kaart, leest in de legende welke tekens wegen en paden zijn, en volgt de richting met de windrichtingen.
Een Vlaams voorbeeld van routes op een kaart is het fietsknooppuntennetwerk. Dat bestaat uit genummerde knooppunten en de stukken weg die die knooppunten met elkaar verbinden. Toerisme Vlaanderen stelt het netwerk samen uit de gegevens van de vijf provinciale toeristische organisaties en werkt het wekelijks bij (Fietsknooppuntennetwerk). Een fietsroute uitstippelen wordt dan: de knooppunten kiezen waarlangs je wilt rijden en hun nummers in de juiste volgorde opschrijven.
Van de speelplaats naar de kaart: geen extra leerlingdoel
Op.stap zet het uitvoeren van een route bij de werkelijke ruimte en het uitstippelen bij de kaart (KOV Op.stap 1.3). Dat past bij een volgorde waarin leerlingen eerst buiten een route lopen die op een kaart van de school of de buurt staat, en pas daarna zelf een route tekenen die een klasgenoot moet volgen. Laat ze achteraf vergelijken: welke weg nam je echt, en waar week je af van de kaart?
Met een digitale routeplanner
Dit hoofdstuk gaat over het volgen en het uitstippelen van een route op een scherm, en over wat GPS wel en niet kan.
De routeplanner
In het vierde leerjaar voeren leerlingen ook een route uit met een digitale routeplanner en stippelen ze er zelf een uit. Op.stap geeft GPS en Google Maps als voorbeelden (KOV Op.stap 1.3). Een routeplanner is in dit artikel een programma of app waarin je een vertrekpunt en een bestemming ingeeft en dat een weg op de kaart toont. Hoe zo’n programma zijn route berekent, behandelt dit artikel niet.
Voor de klas gaat het om dezelfde vaardigheden als op papier, met een paar verschillen. Ook op het scherm kijk je waar het noorden is, want een digitale kaart kan gedraaid zijn. Leerlingen kunnen ook een route die de app voorstelt vergelijken met een route die ze zelf op papier uitstippelden. Wat is langer, wat is korter, en waarom koos de app anders?
GPS: ongeveer, niet precies
GPS is een Amerikaans systeem van satellieten dat beheerd wordt door de U.S. Space Force. Een smartphone met GPS is volgens de Amerikaanse overheid meestal nauwkeurig tot op ongeveer 4,9 meter onder open hemel (pagina zonder datum, geraadpleegd in november 2026). Bij gebouwen, bruggen en bomen wordt dat minder goed, en ook de stand van de satellieten, de atmosfeer en de kwaliteit van het toestel spelen mee (GPS.gov, accuracy).
Kindvraag
Weet de GPS altijd precies waar ik ben?
Kort antwoord voor kinderen
Niet precies. Onder open hemel weet een telefoon meestal tot op een paar meter waar je bent. Tussen hoge gebouwen of onder bomen kan hij zich meer vergissen.
Nuance voor de leerkracht
Kijk dus ook zelf rond en vergelijk wat je ziet met de kaart.
Zelf een klein gebied in kaart brengen
Dit hoofdstuk gaat over het zesde leerjaar, waarin leerlingen zelf een kaart maken van een klein gebied en daarbij vier technieken gebruiken.
Het doel en het minimumdoel noemen vier cartografische technieken: generaliseren, symboliseren, oriënteren en schaal aanbrengen (KOV Op.stap 1.3) (AHOVOKS 2026). Wie zelf een kaart maakt, merkt wat in de vorige hoofdstukken stond: dat een kaart een vereenvoudiging is en dat de maker keuzes maakt (SLO, kaartvaardigheden, Vooraf).
Generaliseren: weglaten en vereenvoudigen
Generaliseren is een vakterm uit de cartografie. Een sluitende definitie uit de vakliteratuur werkt dit artikel nog niet uit. Voor de klas houden we het bij wat het minimumdoel van een leerling vraagt en wat SLO over elke kaart zegt: de werkelijkheid wordt vereenvoudigd, en de maker kiest wat erop komt (SLO, kaartvaardigheden, Vooraf). Op een kaart van de speelplaats komen de muren, de poort en de klimrekken, maar niet elke steen of elke fiets. Een kronkelend pad mag een vloeiende lijn worden.
Symboliseren
Symboliseren is wat de ICA in haar definitie van een kaart zet: een kaart is een voorstelling van de werkelijkheid in tekens (ICA 2003). Leerlingen kiezen voor elk ding dat op hun kaart komt een teken, eenvoudig en zo mogelijk lijkend op wat het voorstelt (OS, Map Reading, p. 4), en zetten die tekens in een legende.
Oriënteren en schaal aanbrengen
Bij het maken van een kaart betekent oriënteren dat je aangeeft waar het noorden is, met een noordpijl. Dat geldt zeker als de leerling het noorden niet boven zet. Schaal aanbrengen betekent zeggen hoeveel kleiner de kaart is dan de werkelijkheid. De Ordnance Survey geeft het voorbeeld van een kaart op 1:50 000: alles op die kaart is 50 000 keer kleiner dan in werkelijkheid (OS, Map Reading, p. 12). Hoe je een schaal leest, berekent en tekent, staat in het artikel over schaal.
Een kaart van huis naar school: geen extra leerlingdoel
Een Nederlands lesvoorbeeld van SLO, voor het eerste jaar secundair, laat leerlingen een kaart maken van hun weg van huis naar school, met een titel, een legende, een noordpijl en een schaal. De route is een rode lijn, huis en school krijgen elk een eigen symbool, en de schaal berekenen de leerlingen uit een afstand die ze gemeten hebben (SLO, kaartvaardigheden). Voor het zesde leerjaar kan een kleiner gebied volstaan: de speelplaats of de straat van de school. Laat leerlingen hun kaart daarna ruilen. Kan een klasgenoot er de weg mee vinden? Wat ontbrak er?
Als vertrekpunt kan een luchtfoto dienen. De orthofoto’s van het NGI zijn vrij te gebruiken onder CC BY 4.0, met bronvermelding (NGI, open data). Leerlingen zien dan meteen het verschil tussen de foto, waarop alles staat, en hun kaart, waarop ze gekozen hebben.
Werken met schaal in het vijfde leerjaar: geen extra leerlingdoel
Voor het vijfde leerjaar heeft Op.stap een plusdoel: werken met schaal, met als woordenschat ‘schaal’ (KOV Op.stap 1.3). Het hoort niet bij de gemeenschappelijke doelen. Wie het opneemt, vindt de uitleg in het artikel over schaal. De kaarten van het NGI in de Topomapviewer, op verschillende schaalniveaus, zijn een goed vertrekpunt om dezelfde plek op een grote en een kleine schaal te vergelijken (NGI).
Echte kaarten uit het verleden
Dit hoofdstuk toont twee bekende oude kaarten, een van onze streken en een van de wereld, als voorbeelden van hoe kaartmakers werkten.
De Ferrariskaart
De Ferrariskaart is een kaart van de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik uit de jaren 1770. KBR, die het exemplaar bewaart, dateert ze tussen 1770 en 1778; de Vlaamse datavindplaats spreekt van 1771–1778. Ze telt 275 bladen (KBR, Ferrariskaart) (Datavindplaats, Ferrariskaart). Volgens de datavindplaats is het de eerste systematische topografische kaart van onze streken op grote schaal, op 1:11 520 (Datavindplaats, Ferrariskaart).

Elk blad heeft marges met de vier windrichtingen en onderaan een schaal (KBR, Grote atlas Ferraris). De kaart heeft dus al wat leerlingen in het zesde leerjaar zelf aanbrengen: een oriëntatie en een schaal. De scan van het KBR-exemplaar is gemaakt met de hulp van het NGI (KBR, Ferrariskaart). Op Geopunt ligt de kaart gegeorefereerd, dat wil zeggen passend gemaakt op de huidige kaart, zodat je haar over een moderne kaart kunt leggen (Datavindplaats, Ferrariskaart). De Topoferrarisviewer van het NGI zet acht kaartlagen naast elkaar, van de Ferrariskaart, die het NGI op 1777 dateert, tot de nieuwste topografische kaart (NGI). Zo kunnen leerlingen zien hoe de eigen gemeente er zo’n 250 jaar geleden uitzag.

Uitbreiding Hoe de Ferrariskaart gemaakt werd
Joseph de Ferraris werd in 1767 directeur-generaal van de artillerie. In 1769 stelde hij aan Karel van Lotharingen voor om het land in kaart te brengen, en op 11 augustus 1770 keurde keizerin Maria Theresia het project goed (KBR, Grote atlas Ferraris).
De landmeters werkten met een meettafel: een tekenplank op een statief met een waterpas, een kompas en een alidade, een vizier om richtingen te bepalen. De kaart op 1:11 520 werd met de hand getekend, in drie exemplaren: voor de keizer, voor de Hofkanselarij in Wenen en voor Karel van Lotharingen. Ze was dus geen kaart voor iedereen. Voor het publiek kwam er een verkleinde, gedrukte versie op 1:86 400, de ‘carte marchande’ (KBR, Grote atlas Ferraris).
Voor de klas zit hierin een eenvoudige vraag: waarom wilde een directeur van de artillerie een kaart, en waarom kreeg niet iedereen de grote kaart te zien? Een kaart wordt gemaakt door iemand, voor iets.
De Ferrariskaart gebruiken: geen extra leerlingdoel
Op alle gegeorefereerde historische kaarten van Geopunt, waaronder de Ferrariskaart, moeten de logo’s van KBR en Digitaal Vlaanderen blijven staan (Geopunt, rechten). KBR, het NGI, het Rijksarchief en het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika bouwden samen Cartesius, een portaal met historische kaarten en luchtbeelden van België en Centraal-Afrika. Volgens de KBR-pagina is de website van dat portaal tijdelijk niet beschikbaar (KBR, Cartesius).
De wereldkaart van Mercator
In 1569 gaf Gerard Mercator (1512–1594) in Duisburg een grote wereldkaart uit. De titel begint met “Nova et aucta orbis terrae descriptio ad usum navigantium”: een nieuwe en vermeerderde beschrijving van de aarde, voor het gebruik van zeevaarders (vertaling Kennisatlas uit het Latijn). Het is een kopergravure op achttien bladen, samen 135 bij 212 centimeter. Een exemplaar ligt in de Universiteitsbibliotheek van Basel, die de scan vrij aanbiedt (Mercator 1569 (UB Basel)).

Al in de titel staat voor wie de kaart bedoeld was. Ook hier geldt dus wat bij de Ferrariskaart bleek: een kaart wordt gemaakt voor een doel, en dat doel bepaalt de keuzes van de maker. Hoe een wereldkaart de bolle aarde plat op papier legt, en waarom dat altijd iets vervormt, komt in een apart artikel.
Wat we weten en wat onzeker is
- Zeker: wat de instellingen zelf over hun kaarten en diensten zeggen: de lagen, de legende per laag en de meetfunctie van Geopunt, de schaalniveaus en reeksen van het NGI, de windrichtingen van het KMI, de bladen en schalen van de Ferrariskaart volgens KBR, en de beschrijving van Mercators kaart door de UB Basel.
- Een afspraak, geen natuurfeit: dat het noorden boven staat, wat een teken in de legende betekent, en welke schaal een kaart krijgt. De maker kiest, en de lezer moet de afspraak kennen.
- Bij benadering: een afstand die je op een digitale kaart meet, en een plaats die GPS geeft. Beide zijn een benadering, die afhangt van de kaartlaag, het zoomniveau, de omgeving en het toestel.
- Verschillend gedateerd: de Ferrariskaart (1770–1778 volgens KBR, 1771–1778 volgens de Vlaamse datavindplaats, 1777 in de viewer van het NGI) en de kleitablet van Nippur (tussen 1500 en 1300 v.o.t. volgens National Geographic, het midden van het tweede millennium v.o.t. volgens de TU Dresden).
- Hier bewust smal gehouden: wat cartografen precies onder generaliseren verstaan, en hoe een routeplanner zijn route berekent. Die woorden worden hier uitgelegd zoals de leerling ze in de klas gebruikt.
Verbanden
- Begrip Schaal
Bronnen en verdieping
Historische bronnen
- Gerhard Mercator (1569). Nova et aucta orbis terrae descriptio ad usum navigantium emendate accomodata (wereldkaart, Duisburg 1569). doi:10.3931/e-rara-25290.
Geraadpleegde literatuur
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
- Vlaamse overheid, AHOVOKS (2026). Minimumdoelen en visieteksten voor het derde jaar kleuteronderwijs, het vierde jaar lager onderwijs en het zesde jaar lager onderwijs.
- International Cartographic Association (ICA) (2003). ICA: definities van kaart en cartografie (ICA Strategic Plan 2003–2011; eerdere versie Resolutie 1, Barcelona 1995).
- Ordnance Survey (Verenigd Koninkrijk) (2016). Map Reading: from the beginner to the advanced map reader.
- SLO (Nederlands Instituut voor Leerplanontwikkeling). Kaartvaardigheden (lesvoorbeeld aardrijkskunde, leerjaar 1 vmbo/havo/vwo).
- National Geographic. The oldest known city map is startlingly precise.
- Technische Universität Dresden, Institut für Katholische Theologie, Professur Biblische Theologie (2019). Besuch der Keilschriftsammlung in Jena (nieuwsbericht).
- Digitaal Vlaanderen. Vlaams geoportaal Geopunt.
- Digitaal Vlaanderen. Werken met kaartlagen (Geopunt, De kaart gebruiken).
- Digitaal Vlaanderen. Tekenen en meten (Geopunt, De kaart gebruiken).
- Digitaal Vlaanderen. Een schermafbeelding delen (Geopunt, De kaart gebruiken).
- Digitaal Vlaanderen. Intellectuele eigendomsrechten (Disclaimer Geopunt).
- Nationaal Geografisch Instituut (NGI). NGI – Nationaal Geografisch Instituut (startpagina).
- NGI via transportdata.be. TopoMapViewer (beschrijving op transportdata.be).
- Nationaal Geografisch Instituut (NGI) / Metadata Vlaanderen. Topografische kaart 1/50.000, raster (metadatarecord).
- Nationaal Geografisch Instituut (NGI) / Digitaal Vlaanderen (2009). Topografische kaart NGI 1:10 000, raster, numerieke reeks (Datavindplaats).
- Nationaal Geografisch Instituut (NGI). Beleid rond openheid en hergebruik van geografische gegevens van het NGI.
- Koninklijk Meteorologisch Instituut van België (KMI). Welke zijn de windrichtingen? (Veelgestelde vragen).
- Koninklijk Meteorologisch Instituut van België (KMI). Magnetische declinatie (Weerwoorden).
- Peter van der Krogt. Noord boven? (rubriek Noordrichting, De Geokrant 67, p. 15–19). De Geokrant.
- Toerisme Vlaanderen via transportdata.be (2025). Toeristisch recreatief fietsnetwerk Vlaanderen (fietsknooppuntennetwerk).
- GPS.gov (Amerikaanse overheid). GPS Accuracy.
- KBR (Koninklijke Bibliotheek van België). The Ferraris map (KBR).
- KBR. The great atlas by Ferraris, the Google Maps of the 18th century (KBR).
- Digitaal Vlaanderen / KBR (2026). Ferrariskaart: Kabinetskaart der Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsbisdom Luik, 1771–1778 (Datavindplaats Vlaanderen).
Verder lezen en kijken
- KBR, NGI, Rijksarchief en Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. Cartesius (KBR-pagina over het portaal voor historische kaarten).
Doelen
Op.stap
- 4.3.GK3.6 3de kleuterDe leerlingen kunnen een kaart herkennen als een tekening waarop de naam en de ligging van plaatsen staat.
- 4.3.GL1.10 1ste leerjaarDe leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een analoge en digitale kaart lokaliseren.Geen algemene vakdefinitie van analoge en digitale kaart; uitgelegd via wat Geopunt doet. Geen uitgewerkte kaart van een schoolgemeente.
- 4.3.GL2.9 2de leerjaarDe leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een analoge en digitale kaart lokaliseren.Kaarten van Europa en de wereld worden hier niet uitgewerkt; dat doen de topografie- en atlasartikels. Verder in: De atlas: kaartsoorten, register en vakcoördinaten (nog te schrijven).
- 4.3.GL3.1 3de leerjaarDe leerlingen kunnen met betrekking tot aardijkskundige vaardigheden: zichzelf oriënteren met behulp van verschillende methoden: kaart;Op.stap definieert oriënteren niet; het artikel volgt de Britse handleiding van de Ordnance Survey. Oriënteren met kompas en zon staat in het artikel Oriënteren. Verder in: Oriënteren: windrichtingen, kompas en zon (nog te schrijven).
- 4.3.GL3.3 3de leerjaarDe leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief oriëntatie, windrichtingen; Verder in: Oriënteren: windrichtingen, kompas en zon (nog te schrijven).
- 4.3.GL3.4 3de leerjaarDe leerlingen kunnen voorgestelde elementen op een analoge en digitale kaart lokaliseren.Geen algemene vakdefinitie van analoge en digitale kaart.
- 4.3.GL3.5 3de leerjaarDe leerlingen kunnen het werken met een legende verkennen.De tekens zelf en vaak gebruikte symbolen staan in het artikel Legende en symbolen. Verder in: Legende en symbolen (nog te schrijven).
- 4.3.GL4.1 4de leerjaarDe leerlingen kunnen een route op een analoge kaart uitvoeren.Geen bronvaste procedure voor het uitvoeren van een route; uitgelegd vanuit de kaartelementen.
- 4.3.GL4.5 4de leerjaarDe leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: een digitale en analoge kaart hanteren, inclusief werken met legende, oriëntatie, (tussen)windrichtingen; Verder in: Oriënteren: windrichtingen, kompas en zon (nog te schrijven), Legende en symbolen (nog te schrijven).
- 4.3.GL4.6 4de leerjaarDe leerlingen kunnen een route op een analoge kaart uitstippelen.Geen vakbron die uitstippelen definieert; het woord wordt gebruikt zoals Op.stap het gebruikt.
- 4.3.GL4.9 4de leerjaarDe leerlingen kunnen een route op een digitale routeplanner uitvoeren.Geen bron over hoe een routeplanner werkt; alleen beschreven wat de leerling doet.
- 4.3.GL4.10 4de leerjaarDe leerlingen kunnen een route met een digitale routeplanner uitstippelen.Geen bron over hoe een routeplanner een route berekent.
- 4.3.+L5.1 5de leerjaarDe leerlingen kunnen werken met schaal.Werken met schaal wordt uitgewerkt in het begripsartikel. Verder in: Schaal.
- 4.3.GL6.4 6de leerjaarDe leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: een klein gebied in kaart brengen met behulp van cartografische technieken: generaliseren, symboliseren, oriënteren, schaal aanbrengen;Generaliseren is smal uitgelegd (vereenvoudigen en kiezen) zonder vakdefinitie uit de cartografie. Schaal staat in het begripsartikel. Verder in: Schaal.
Over dit artikel
- Geschreven
- 4 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 4 november 2026
- Fout gezien?
- Meld een correctie