Schaal
Hoeveel keer een kaart, maquette of wereldbol kleiner is dan de werkelijkheid, hoe je daarmee rekent, waarom een grote schaal een klein gebied toont, en schaal als niveau van lokaal tot globaal.
Zo gemarkeerd: een woord dat Op.stap bij dit onderwerp expliciet gebruikt.
Schaal komt in Op.stap terug bij de maquette, de plattegrond, de wereldbol en de kaart, en in een tweede betekenis bij interactie op verschillende schalen (KOV Op.stap 1.3). Hoe je een kaart leest en tekent, staat in het artikel ‘Kaarten lezen en maken’.
Wat is schaal?
Volgens het handboek van Sarah Schlosser verkleinen alle kaarten de wereld met een bepaalde factor; die verkleiningsfactor heet de schaal (Schlosser 2024, h. 7, 7.0). Bij de kleuters spreekt Op.stap nog niet van schaal, wel van een verkleinde weergave: de wereldbol, de maquette, de foto en de tekening, en de plattegrond, die ook vereenvoudigd is (KOV Op.stap 1.3).
Op een kaart staat de schaal meestal als verhouding, zoals 1:25 000: één eenheid op de kaart stelt 25 000 dezelfde eenheden in werkelijkheid voor (Esri GIS Dictionary, scale). Het eerste getal is altijd 1 en staat voor de afstand op de kaart, het tweede voor de afstand op de grond. De verhouding heeft geen eenheid: 1 centimeter op de kaart is 25 000 centimeter in werkelijkheid (Schlosser 2024, h. 7, 7.0) (Steger, USGS Topographic Maps, p. 6). Omdat 25 000 centimeter 250 meter is, zet het Nationaal Geografisch Instituut (NGI) bij zijn kaarten op 1:25 000 meteen ‘1cm = 250m’ (NGI webshop, topografische kaarten) (Raposo 2017 (GIS&T BoK), par. 2). Schaal kan dus op drie manieren op een kaart staan: als verhouding, in woorden en als schaalstok (Schlosser 2024, h. 7, 7.0).
Kindvraag
Is een afstand op een kaart van 1:25 000 vijfentwintigduizend keer kleiner?
Kort antwoord voor kinderen
Ja. Elke afstand op die kaart is 25 000 keer korter dan in het echt: 1 cm op de kaart is 250 m. Een oppervlakte, zoals een weide, krimpt nog veel meer, want ook de breedte wordt korter.
Rekenen met schaal
Bij schaal horen drie grootheden: de afstand op de kaart, de werkelijke afstand en de schaal. Ken je er twee, dan bereken je de derde, zoals de wiskundedoelen vragen waaraan Op.stap het plusdoel over schaal koppelt (KOV Op.stap 1.3).
Rekenvoorbeelden: geen extra leerlingdoel
| Schaal | 1 cm op de kaart is | 1 km is op de kaart |
|---|---|---|
| 1:100 (plattegrond van een klas) | 1 m | 10 m |
| 1:10 000 | 100 m | 10 cm |
| 1:25 000 | 250 m (NGI webshop, topografische kaarten) | 4 cm |
| 1:50 000 | 500 m (NGI webshop, topografische kaarten) | 2 cm |
| 1:100 000 | 1 km (NGI webshop, topografische kaarten) | 1 cm |
| 1:250 000 | 2,5 km (NGI webshop, topografische kaarten) | 4 mm |
- Van kaart naar werkelijkheid: 6 cm op een kaart van 1:25 000 is 6 × 25 000 = 150 000 cm, of 1,5 km.
- Van werkelijkheid naar kaart: 3 km is 300 000 cm. Gedeeld door 25 000 geeft dat 12 cm op de kaart.
- De schaal zelf bepalen: komt 2 cm op de kaart overeen met 1 km (100 000 cm), dan is de schaal 2:100 000, of 1:50 000.
- Oppervlakte: 1 cm² op 1:25 000 is 250 m × 250 m, of 6,25 ha. Op 1:50 000 is 1 cm² al 25 ha, vier keer zoveel.
Reken altijd eerst om naar dezelfde eenheid.
De schaalstok
Een schaalstok (ook schaalbalk) is een lijn met een vaste lengte, gemarkeerd zoals een liniaal, met erbij de werkelijke afstand die ze voorstelt (Raposo 2017 (GIS&T BoK), par. 2) (Esri GIS Dictionary, scale bar). Je legt een afstand op de kaart ernaast, zonder te rekenen.
De schaalstok heeft een groot voordeel: hij blijft kloppen als de kaart vergroot of verkleind wordt, omdat hij mee vergroot of verkleint. De verhouding en de schaal in woorden doen dat niet (Schlosser 2024, h. 7, 7.0). Een vergrote kopie van een kaart op 1:25 000 is geen kaart op 1:25 000 meer, ook al staat dat getal er nog op. Volgens Schlosser hoort op elke kaart waarop je afstanden meet minstens één schaalaanduiding, meestal een schaalstok (Schlosser 2024, h. 7, 7.1).
Meten met een papierstrook: geen extra leerlingdoel
Laat leerlingen een bochtige weg volgen met een papierstrook en die langs de schaalstok leggen. Laat ze daarna een verkleinde kopie opnieuw meten: met de schaalstok klopt het nog, met de verhouding niet.
Grote en kleine schaal
Bij kaarten volgen ‘groot’ en ‘klein’ de breuk: 1:25 000 is een grotere schaal dan 1:50 000, omdat 1/25 000 meer is dan 1/50 000 (Raposo 2017 (GIS&T BoK), par. 2). Hoe kleiner het getal na de dubbelepunt, hoe groter de schaal. Een kaart op grote schaal toont een klein gebied met veel detail, een kaart op kleine schaal een groot gebied met weinig detail (Schlosser 2024, h. 7, 7.1) (Esri GIS Dictionary, large scale, small scale). Een blad Topo25 van het NGI toont 16 bij 10 km, een blad Topo50 32 bij 20 km (NGI webshop, topografische kaarten). Omgerekend is het kaartbeeld in beide gevallen 64 bij 40 cm, maar op 1:50 000 staat vier keer zoveel terrein. Hoe kleiner de schaal, hoe meer de kaartmaker moet weglaten en vereenvoudigen (Raposo 2017 (GIS&T BoK), par. 4) (Esri GIS Dictionary, generalization).

Waar groot ophoudt en klein begint, is een afspraak die niet overal dezelfde is. In een brochure van de Amerikaanse USGS uit 1986 is 1:250 000 kleinschalig (Steger, USGS Topographic Maps, p. 6), in het handboek van Schlosser (2024) ligt daar de grens tussen middel- en kleinschalig (Schlosser 2024, h. 7, 7.1), bij het softwarebedrijf Esri is het in een driedeling middelschalig (Esri GIS Dictionary, medium scale). Vast staat alleen de richting.
Schaal kiezen en aanbrengen
Welke schaal een kaart krijgt, hangt af van waarvoor ze dient en voor wie ze is (Schlosser 2024, h. 7, 7.1). Het NGI biedt in 2026 Topo25 (1:25 000) aan, ‘ideaal geschikt voor wandeltochten’, Topo50 (1:50 000) voor een overzicht van het landschap, Topo100 (1:100 000) voor regionaal gebruik, zoals door autobestuurders, en Topo250 (1:250 000), met de nadruk op bewoonde plaatsen en transportnetwerken (NGI webshop, topografische kaarten) (NGI, standaard topografische kaarten (digitaal)).
Ook vroeger koos men de schaal naar de gebruiker. De Ferrariskaart van de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik werd in de jaren 1770 getekend op schaal 1:11 520 (Datavindplaats, Ferrariskaart) (KBR, Grote atlas Ferraris). Van die kabinetskaart werden drie exemplaren gemaakt, alleen bedoeld voor de regering, de ministers en de generaals. Voor het grote publiek kwam er een minder gedetailleerde kaart op 1:86 400 (KBR, Grote atlas Ferraris).

Een wereldbol verkleint de hele aarde. Volgens NASA (stand 2024) is de gemiddelde straal van de aarde 6371 km (NASA, Earth Fact Sheet (2024)). Een bol met een doorsnede van 30 cm is dan ongeveer 42 miljoen keer kleiner, een schaal van ongeveer 1:42 500 000. Ongeveer, want de aarde is aan de polen iets platter dan aan de evenaar (NASA, Earth Fact Sheet (2024)). Een platte wereldkaart heeft geen schaal die overal klopt: elke kaartprojectie vervormt, en de schaal is alleen langs bepaalde lijnen juist (Battersby 2017 (GIS&T BoK), par. 1 en 4). Waarom, staat in het artikel ‘Waarom elke wereldkaart vervormt’. Op een scherm verandert de schaal bij elke zoomstap; digitale kaarten rekenen met een afgesproken pixelgrootte (Esri, Zoom levels and scale).
In het 6de leerjaar brengen leerlingen zelf een klein gebied in kaart en moeten ze daarbij schaal aanbrengen (KOV Op.stap 1.3): een schaal kiezen waarbij het gebied op het blad past, en die op de kaart zetten, bij voorkeur als schaalstok. Een Nederlands lesvoorbeeld zegt het eenvoudig: door de schaal aan te passen, past de route van huis naar school altijd op de kaart (SLO, kaartvaardigheden).
Schaal als niveau
Bij interactie op verschillende schalen gaat het niet om een verhouding op een kaart, maar om het niveau waarop je naar iets kijkt. Op.stap noemt lokaal, regionaal, nationaal, internationaal en globaal (KOV Op.stap 1.3). Ook Raposo spreekt van lokale, regionale en globale schalen. Sommige verschijnselen zie je alleen op een bepaald niveau: in een straat merk je wind en regen, maar niet de hele orkaan waar ze bij horen (Raposo 2017 (GIS&T BoK), par. 2). Let op: in deze betekenis is ‘grote schaal’ wel een groot gebied, omgekeerd als bij de kaart (Raposo 2017 (GIS&T BoK), par. 2). Hoe leerlingen zulke vragen onderzoeken, staat in het artikel over aardrijkskundig denken.
Wat we weten en wat onzeker is
- Zeker: wat een kaartschaal is, hoe je ermee rekent, dat een schaalstok bij vergroten blijft kloppen, en dat een grotere schaal een kleiner gebied toont.
- Een afspraak: waar grootschalig ophoudt en kleinschalig begint, de schaal op een wereldkaart of scherm, en de indeling van lokaal tot globaal.
- Niet in dit artikel: hoe je een kaart leest en tekent, waarom wereldkaarten vervormen, en hoe leerlingen van de lagere school schaal leren begrijpen.
Verbanden
- Verwijst hierheen De aarde van binnen: lagen, platen, vulkanen en aardbevingen
- Verwijst hierheen Kaarten lezen en maken
Bronnen en verdieping
Geraadpleegde literatuur
- Katholiek Onderwijs Vlaanderen (2026). Op.stap – leerplan basisonderwijs, doelen (momentopname 1.3).
- Sarah Schlosser (2024). Making Effective Maps: Cartographic Visualization for GIS, hoofdstuk 7 'Scale and Resolution'.
- Esri (2026). GIS Dictionary: scale, representative fraction, scale bar, large scale, small scale, medium scale, generalization.
- Paulo Raposo (2017). Scale and Generalization (CV-03-004), The Geographic Information Science & Technology Body of Knowledge. GIS&T Body of Knowledge, 4th Quarter 2017 Edition, red. John P. Wilson. doi:10.22224/gistbok/2017.4.3.
- Theodore D. Steger (1986). Topographic Maps (algemene USGS-brochure, 'Topographic Maps for Development').
- Nationaal Geografisch Instituut (NGI-IGN) (2026). Topografische kaarten (Topo25, Topo50, Topo100, Topo250), Webshop Nationaal Geografisch Instituut.
- Nationaal Geografisch Instituut (NGI-IGN) (2026). Standaard topografische kaarten (Top25Map, Top50Map, Landcover100Map, Top250Map), NGI digitale geodata.
- Digitaal Vlaanderen / KBR (2026). Ferrariskaart: Kabinetskaart der Oostenrijkse Nederlanden en het Prinsbisdom Luik, 1771–1778 (Datavindplaats Vlaanderen).
- KBR. The great atlas by Ferraris, the Google Maps of the 18th century (KBR).
- NASA, National Space Science Data Center (NSSDC) (2024). Earth Fact Sheet.
- Sarah Battersby (2017). Map Projections (CV-03-006), The Geographic Information Science & Technology Body of Knowledge. GIS&T Body of Knowledge, 2nd Quarter 2017 Edition, red. John P. Wilson. doi:10.22224/gistbok/2017.2.7.
- Esri (2026). Zoom levels and scale (ArcGIS developers, documentatie).
- Daniel R. Montello, Reginald G. Golledge (1999). Scale and Detail in the Cognition of Geographic Information (report of a Varenius specialist meeting, Santa Barbara, 14-16 mei 1998).
- SLO (Nederlands Instituut voor Leerplanontwikkeling). Kaartvaardigheden (lesvoorbeeld aardrijkskunde, leerjaar 1 vmbo/havo/vwo).
Nog geen aanbevolen verdieping geselecteerd.
Doelen
Op.stap
- 4.3.GJK.1 jongste kleuterDe leerlingen kunnen een foto en een tekening herkennen als een verkleinde weergave van een werkelijke ruimte.Alleen het begrip verkleining; het herkennen van een foto en een tekening als verkleinde weergave staat in het hoofdartikel. Of een foto of tekening een schaal heeft, wordt niet behandeld (geen bron). Verder in: Een ruimte in beeld: tekening, foto, luchtfoto en satellietbeeld (nog te schrijven).
- 4.3.GK2.1 2de kleuterDe leerlingen kunnen een wereldbol herkennen als een verkleinde weergave van de aarde.Alleen het begrip verkleining; het herkennen van de wereldbol als verkleinde weergave staat in het hoofdartikel. Verder in: De wereldbol (nog te schrijven).
- 4.3.GK2.3 2de kleuterDe leerlingen kunnen een maquette herkennen als een verkleinde weergave van een werkelijke ruimte.Alleen het begrip verkleining; het herkennen van de maquette als verkleinde weergave staat in het hoofdartikel. Verder in: De maquette (nog te schrijven).
- 4.3.GK3.5 3de kleuterDe leerlingen kunnen een plattegrond herkennen als een verkleinde en vereenvoudigde weergave van een ruimte.Alleen het begrip verkleining; het herkennen van de plattegrond als verkleinde weergave staat in het hoofdartikel. Verder in: De plattegrond (nog te schrijven).
- 4.3.GL4.19 4de leerjaarDe leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 4de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden: interactie op verschillende schalen;Alleen het begrip schaal als niveau; nationaal en internationaal worden genoemd maar niet omschreven (geen gelezen bron), en het onderzoeken van interacties tussen niveaus valt buiten dit artikel. Verder in: Aardrijkskundig denken: waar, waarom daar, en wat verandert (nog te schrijven).
- 4.3.+L5.1 5de leerjaarDe leerlingen kunnen werken met schaal.Het plusdoel hoort bij het werken met kaarten; het gebruik van schaal op een echte kaart staat in het kaartartikel. Verder in: Kaarten lezen en maken.
- 4.3.GL5.10 5de leerjaarDe leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 5de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: interactie op verschillende schalen;Alleen het begrip schaal als niveau; nationaal en internationaal worden genoemd maar niet omschreven (geen gelezen bron), en het onderzoeken van interacties tussen niveaus valt buiten dit artikel. Verder in: Aardrijkskundig denken: waar, waarom daar, en wat verandert (nog te schrijven).
- 4.3.GL6.4 6de leerjaarDe leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden: een klein gebied in kaart brengen met behulp van cartografische technieken: generaliseren, symboliseren, oriënteren, schaal aanbrengen;Alleen de techniek schaal aanbrengen, en die alleen omschreven met een Nederlands lesvoorbeeld als didactische steun; generaliseren, symboliseren en oriënteren en het zelf in kaart brengen staan in het kaartartikel. Verder in: Kaarten lezen en maken.
- 4.3.GL6.9 6de leerjaarDe leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over: interactie op verschillende schalen;Alleen het begrip schaal als niveau; nationaal en internationaal worden genoemd maar niet omschreven (geen gelezen bron), en het onderzoeken van interacties tussen niveaus valt buiten dit artikel. Verder in: Aardrijkskundig denken: waar, waarom daar, en wat verandert (nog te schrijven).
Minimumdoelen
- 4.3.3 vierde leerjaarDe leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden van het 4de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over:
- 4.3.1 zesde leerjaarDe leerlingen kunnen met betrekking tot aardrijkskundige vaardigheden:
- 4.3.2 zesde leerjaarDe leerlingen kunnen aardrijkskundige kennis en vaardigheden op niveau 6de jaar gebruiken om zelf aardrijkskundige vragen te beantwoorden over:
- 4.1.2 derde kleuterklasDe kleuters kunnen water, land en de polen op de wereldbol aanduiden.
- 4.3.2 derde kleuterklasDe kleuters kunnen een geobserveerde ruimte weergeven door middel van een eenvoudige tekening of schets.
Over dit artikel
- Geschreven
- 4 november 2026
- Laatst gewijzigd
- 4 november 2026
- Fout gezien?
- Meld een correctie